Eindspelfinesses 42: De regel van vijf

Krijgt u wel eens een eindspel op het bord in uw partijen? En was u tevreden over de afloop? Of knaagde er iets waarvan u later dacht: “Dat had ik anders kunnen spelen?”

Schaaksite biedt een eindspelrubriek aan waarin u uw kennis kunt opfrissen of eventueel uitbreiden. De internationale meesters Twan Burg en Herman Grooten zullen op frequente basis u proberen bij te praten over diverse eindspelfinesses.

Een vreemde eend in de bijt van de toreneindspelen met toren en pion tegen toren is de positie waarin de toren van de zwakkere partij zich vóór de pion bevindt. Uit eerdere rubrieken weten we inmiddels dat de toren idealiter achter de (vijandelijke) pion hoort. Met een toren vóór de pion zijn veel stellingen verloren. Ze worden pas interessant als de pion nogal ver terugstaat. Daar bedoel ik mee dat een pion op de tweede, derde of vierde rij staat. Bij dit soort gevallen wordt de zogenaamde Regel van vijf gehanteerd. Wat deze behelst, kunnen we het best aan de hand van de volgende voorbeelden laten zien.

Regel van vijf – voorbeeld 1

Dit is een stereotiep voorbeeld waarmee de ‘regel van vijf’ kunnen uitleggen. Voordat we echter hier diep op in gaan, rakelen we de basisprincipes van de meeste toreneindspelen met toren en pion tegen toren even op:

  • De toren hoort achter de pion, zowel voor de sterkere als de zwakkere partij.
  • De koning van de zwakkere partij streeft naar het promotieveld van de pion.
  • De koning van de sterkere partij ondersteunt de pion.

In dit specifieke geval staat om te beginnen de toren van de verdedigende partij vóór de vijandelijke pion en niet erachter.

De zwarte koning is afgesneden van het bereiken van het promotieveld. De regel van vijf luidt: Tel het aantal lijnen dat de vijandelijke koning is afgesneden van de pion (in dit geval twee) op bij het aantal rijen dat de pion is opgerukt (in dit geval vier). Is dat zes of hoger dan wint in de regel de sterkere partij. Bij vijf houdt de zwakkere partij in de regel remise. Er staat niet voor niets ‘in de regel’ bij deze vuistregels omdat er (helaas) nogal wat uitzonderingen zijn. Desalniettemin is het leerzaam om te bestuderen hoe de pionpartij in deze specifieke stelling tot winst kan komen.

1. Kc4!

De torenpositie kan niet verbeterd worden, dus wit zal iets met zijn koning moeten doen. Hij komt dus te voorschijn, achter zijn pion vandaan.

1…Tc8+

Zwart kan niet anders doen dan door de witte koning lastig te gaan vallen. Dat dient hij ook meteen te doen, omdat wit anders de pion een stapje naar voren spelen, waarna het afdwingen van de winst heel simpel is geworden.

2. Kb5

Wit maakt optimaal gebruik van de ruimte naast de pion.

2…Td8

Samen met het schaakgeven van de koning, kan zwart het zijn tegenstander moeilijk maken door afwisselend de pion aan te vallen en dan waar schaak te geven.

3. Kc5 Tc8+ 4. Kb6

De koning nadert de zwarte toren.

4…Td8

Zwart valt de pion weer aan en nu raken de koningszetten van wit uitgeput. Er rest hem iets anders:

5. Td1!

Nu gaat de eigen toren achter de pion. Daarmee staat hij klaar voor d4-d5-d6 enzovoort.

5…Kf7

De koning snel naderbij nu de afsnijding is opgegeven.

6. Kc7!

Alleen met deze zet kan wit de winst afdwingen. Op 6. d5 zou 6…Ke7! zwart redding bieden. Bijvoorbeeld: 7. Kc7 Td7+ 8. Kc6 Td6+ 9. Kc5 Kd7 en de koning heeft zijn ideale positie vóór de vijandelijke pion ingenomen.

6…Td5

Zwart probeert zo lang mogelijk te voorkomen dat de pion naar voren komt.

Kritiek is nog wel 6…Ta8 maar dan pakt wit een vol punt met: 7. d5 Ta7+ 8. Kb6 Td7 9. Kc6 Ke7 10. d6+ Kd8 (zie analysediagram)

Op het oog lijkt zwart gedaan wat hij moest doen: de koning staat op het promotieveld vóór de pion, maar omdat zijn toren zo beroerd staat, verliest hij alsnog: 11. Th1! Er dreigt een soort van mat en daar valt weinig meer aan te doen.

Het is duidelijk dat 6…Ke7?? onmiddelllijk faalt op 7. Te1+ met torenwinst.

7. Kc6 Td8 8. d5

Maar dat mag hem niet baten. Wit rukt op en de pion valt niet meer af te stoppen.

8…Ke7 9. d6+ Ke6 10. d7!

en de buit is binnen voor wit. Een mogelijk vervolg is dan 10. d7 Ta8 11. Kb7 Td8 12. Kc7 Ke7 13. Te1+ met winst.

1-0

Regel van vijf – voorbeeld 1a

We hebben de positie uit het eerste diagram maar eens twee lijntjes naar links verplaatst.

1. Td7

Een op zich slimme poging, die echter ook op niets uitdraait. De hoofdvariant in het vorige voorbeeld begon met 1. Ka4 maar nu blijkt het verschil. Wit mist als het ware de lijn links naast de a-lijn, waardoor hij niet kan uitwijken en daarom niet onder de schaakjes uit kan komen. Een voorbeeld ter illustratie: 1…Ta8+ 2. Kb5 Tb8+ 3. Ka5 Ta8+ 4. Kb6 Tb8+ en wit komt niet verder. Mensen die het begrip ‘checking distance’ nog kennen, beseffen dat er op deze manier geen progressie te boeken valt.

1…Ke6 2. Ta7

Wit wil gaan werken met de zogenaamde ‘horizontale afsnijding’. Een techniek die we in een ander voorbeeld nader zullen uitwerken. Ook 2. Td4 levert niet het gewenste effect op na 2…Ke5 3. Kc3 Tc8+ 4. Kd3 Th8 en hier valt ook geen eer te behalen. Zou wit met de pion oprukken, dan volgt er 5. b5 Tb8 6. Tb4 Kd5 en de pion valt.

2…Kd6

Uiteraard snelt de zwarte koning naar het gebied vóór de pion.

3. Ka4 Kc6 4. Ka5 Tb5+ 5. Ka4 Tb8

en er is geen enkele progressie mogelijk.

½ – ½

Regel van vijf – voorbeeld 2

Kijken we nu naar een analoog geval, maar nu met een lijntje minder afgesneden koning.

1. Kc4 Tc8+ 2. Kb5 Td8 3. Kc5 Tc8+ 4. Kb6 Td8!

en wit kan geen vorderingen maken. Vooral niet 4…Tb8+? wegens 5. Kc7 Tb5 6. Kc6 Tb8 7. d5 en wit wint.

5. Td1 Ke4 6. Kc5 Tc8+ 7. Kb6 Kd5

gevolgd door . .. Tc4 en de pion valt. 7…Td8 8. Kc5 Tc8+ is ook remise.

½ – ½

Regel van vijf – voorbeeld 2a

et zal geen verwondering wekken dat deze stelling potremise is. Wit zit met de ongelukkige b-pion opgescheept en de zwarte koning staat maar een lijntje afgesneden. Toch moet zwart altijd blijven oppassen, vandaar dat we een paar ‘addertjes onder het gras’ laten zien.

1. Ka4

Een andere poging is 1. Tc4 Kd6 2. Ka4 Kd5! De witte toren staat te goed op de vierde rij en dient daar zo snel mogelijk weggepest te worden.

[Nu moet zwart niet klakkeloos schaakjes gaan geven, want omdat pion b4 gedekt wordt door Tc4 kan wit wel naar voren lopen. 2…Ta8+? 3. Kb5 Tb8+ (Ook nu helpt 3…Kd5 niet meer na 4. Th4 Kd6 5. Kb6 en de pion komt verder.) 4. Ka6 Kd5 5. Th4 en wit wint eenvoudig.]

3. Tc5+ Kd6 4. Ka5 Ta8+ met remise. Nog even ter illustratie: 5. Kb6 Tb8+ 6. Ka5 Ta8+ 7. Kb5 Tb8+ 8. Kc4 (zie analysediagram)

In deze stelling kan zwart nog flink uitglijden. 8…Ta8!

[Maar niet 8…Kd7? vanwege 9. b5 Tc8 10. b6 een voorbeeld dat elder al besproken wordt.]

[8…Th8 is ook correct.]

1. Tc5+ Kd4? Ook nu kan zwart het vreselijk fout doen. Noodzakelijk was 1…Kd6! met remise. Na de tekstzet laat hij zich ‘horizontaal afsnijden’ en dan is de stelling eveneens verloren. Een voorbeeld: 2. Th5 gevolgd door b4-b5 en het oprukken van de witte koning. Omdat de zwarte koning horizontaal afgesneden heeft hij geen enkele mogelijkheid meer om voor de pion te komen.

1…Ta8+ 2. Kb5 Tb8+ 3. Ka5 Ta8+ 4. Kb6 Tb8+ ½ – ½

Regel van vijf – voorbeeld 3

1…Tc8=

Zwart maakt de afsnijding ongedaan omdat het resterende pionneneindspel remise is. 1…Tb7 2. Ka5

½ – ½

Regel van vijf – voorbeeld 4

In het volgende voorbeeld werkt het niet:

1…Tc8 1…Ta8 2. b6 Kd6 3. Kb5 Tb8 4. Tc7 Ta8 5. Tc6+ Kd7 6. b7 Th8 7. Kb6 met winst.

2. b6!

omdat nu het resterende pionneneindspel wel gewonnen is.

2…Txc5 3. Kxc5 Kd8 3…Kc8 4. Kc6 Kb8 5. b7 Ka7 6. Kc7

4. Kd6! Kc8 5. Kc6 Kb8 6. b7 Ka7 7. Kc7

en wit wint.

1-0

Deze fragmenten via de viewer:

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.