De paardcarrousel

Een tijdje geleden gaf ik een training waarin ik een gedeelte wilde vullen met een klein eindspelonderwerpje. Ik koos voor de strijd van het paard tegen één pion. Niet dat het zo vaak voorkomt, maar meer omdat er aspecten aan de orde komen die leerzaam zijn bij andere eindspelen. Zo worden de leerlingen spelenderwijs in aanraking gebracht met thema’s als afhouden, tempodwang, wedren enzovoort.

De meeste stellingen waarin het paard het moet opnemen tegen een vijandelijke pion zijn niet zo interessant. Het begint pas leuk te worden als er sprake is van een randpion. In de literatuur is te vinden dat “de randpion de natuurlijke vijand van het paard is”. Dit is natuurlijk logisch: aan de rand heeft het paard minder velden tot zijn beschikking waardoor het in de problemen raakt als het wordt opgejaagd.

Elke zichzelf respecterende schaaktrainer beschikt over de eindspeldatabase van Harold van der Heijden (die ook voor Schaaksite zeer lezenswaardige stukjes schrijft; zie bijvoorbeeld zijn laatste bijdrage over Saveedra .

In zijn database selecteerde ik een groot aantal stellingen waarin er sprake is van een paard dat het moet opnemen tegen de randpion. Bij het doorspelen van al deze studies probeerde ik diverse wetmatigheden van het eindspel te ontdekken. Een daarvan wil ik de lezers van Schaaksite graag voorleggen. Laten we eens naar de volgende diagramstelling kijken:

Selman 1998.

De witte koning staat bijzonder ver weg, de zwarte randpion is bijna aan de overkant. Die wordt ook nog ondersteund door de koning. Kansloze zaak zou je zeggen. Toch maakt wit remise!

1. Pd3+! Niet 1. Pd1+? wegens 1… Kb3 en zwart wint! 1… Kb3 Op 1… Kb1 volgt 2. Pb4. 2. Pc1+ Kc2 Wat de zwarte koning ook doet: het paard blijft ronddraaien op de velden d3-c1-a2-b4. 3. Pa2 Kb2 4. Pb4 Kb3 5. Pd3 En als zwart nu 5… a2 speelt volgt er 6. Pc1+ gevolgd door 7. Pxa2 met remise. 1/2-1/2

Het paard kan het dus in zijn eentje af! Het heeft geen hulp nodig van de eigen koning om de remise af te dwingen. Dat ronddraaien doet denken aan een carrousel, vandaar dat ik dit maar de paardcarrousel noem. Dit gegeven heeft componisten natuurlijk geïnspireerd om er iets moois mee te gaan doen. Van eigen bodem vond ik een studie van Rob Bertholée; toen hij de studie produceerde heette hij zelfs nog Nio Bertholée.

Nio Bertholee 1978.

1. Kb5! De koning dient een steunpunt voor het paard te creëren, zoals weldra duidelijk wordt. Andere varianten verliezen, zoals de componist laat zien: [1. Pc7+? Ke5! 2. Pa6 [2. Pb5 h4 3. Kc5 h3 4. Pd4 Ke4! 5. Pe2 h2 6. Pg3+ Kf3] 2… h4 3. Pc5 [3. Pb4? Ke4!] 3… Kf4 4. Pd3+ [4. Pe6+ Kg4!] 4… Kg3 5. Pc1 h3 6. Pe2+ Kf2] 1… h4 2. Pb6+ Ke4 Een van de critici die studies op hun correctheid toetsen (daar hoort dan ook bij of er nevenoplossingen zijn is meneer Cook. Die heeft gevonden dat 2… Ke6! ook tot een puntdeling leidt: 3. Pa4 h3 4. Pc5+ Kf5 5. Pd3 h2 6. Pf2 Kf4 7. Kc4 Kf3 8. Ph1 met remise. Dat doet in mijn ogen niets af van het fraaie idee dat Bertholée had. 3. Pc4 Hoe belangrijk dit veld is, gaan we in andere studies hieronder nog zien. 3… Kf3 4. Pe5+

Zo kan het paard ook op de een van de vier velden van de carrousel terecht komen. [4. Pd2+? Ke2 5. Pe4 h3] 4… Kg3 5. Pc4 h3 [5… Kf3 6. Pe5+ Kg3 7. Pc4] 6. Pe3 h2 [6… Kf3 7. Pf1 Kf2 8. Ph2] 7. Pf1+ 1/2-1/2

Ooit was ik tijdens een toernooi bezig met een paar sterke schakers om studies op te lossen. Een van hen, ik ben vergeten wie, zette de anderen de volgende stelling voor.

Grigoriev 1952.

Hij vertelde erbij dat de oplossing zo paradoxaal was dat drie ex-wereldkampioenen het niet hadden kunnen vinden. Die waren tijdens een of ander toernooi ook gevraagd om de juiste weg naar remise te zoeken. Maar toen zij het na zo’n tien minuten niet hadden kunnen vinden, hadden zij om de oplossing gevraagd. Het ging – als ik het me goed herinner – om Smyslov, Petrosian en Tal. O ja, en Fischer had de oplossing desgevraagd wel gevonden, in slechts twee minuten!

Bobby Fischer (foto onbekend)

Of dit verhaal klopt heb ik niet kunnen verifiëren, maar zoals een bekend schaakjournalist uit Best altijd pleegde te zeggen: “de waarheid mag een mooi verhaal nooit in de weg staan!”. Ondertussen bent u koortsachtig naar de oplossing gaan zoeken. De eerste twee zetten liggen voor de hand:

1. Pb4! h5 2. Pc6! [2. Pd5+? Kf3!] [2. Pc2+? Kf2! [2… Ke4? 3. Pa3! h4 [3… Kd4 4. Pb5+] 4. Pc4]]

Maar dan heeft u uiteraard ook gevonden dat zwart zich verdedigt met 2… Ke4! [2… h4 3. Pe5 Kf4 4. Pg6+] Nu blijken alle normale zetten niet te werken. Maar hier komt de paradoxale oplossing: 3. Pa5!! Die krijgt in de “studiebase” slechts één uitroepteken, maar ik heb er toch maar een tweede aan toegevoegd. Het paard gaat ogenschijnlijk de ‘verkeerde’ kant op. Het is echter de enige manier om de pion af te stoppen. Als u de studie van Bertholée goed heeft begrepen dan heeft u onderkend dat veld c4 het sleutelveld is voor het paard. Van daaruit kan het via d2 naar f1 of via e5 naar g4. In beide gevallen komt het precies op tijd om op de ‘carrouselvelden’ te komen, waardoor het de pion op veld h3 kan afstoppen. In varianten uitgedrukt:

[3. Pd8? h4 4. Pe6 Kf5 5. Pd4+ Kg4] 3… h4 4. Pc4! Kf3! [4… h3 5. Pd2+ Ke3 6. Pf1+] 5. Pe5+ [5. Pd2+? Ke2 6. Pe4 h3 7. Pg3+ Kf2] 5… Kg3 6. Pc4! h3 7. Pe3 Kf3 [7… h2 8. Pf1+] 8. Pf1 Kf2 9. Ph2 Kg2 10. Pg4 Kg3 11. Pe3 1/2-1/2

Een fraai geheel!

P.S. Overigens kwam ik een tweede studie (namelijk van Mees ook uit 1952) in de database tegen met exact dezelfde stelling van een andere componist. Wie heeft nu van wie gejat?

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.