De koning is een lafaard

Vrouwen houden niet van schaken, want de koning is een lafaard. Dit schreef H.J. van der Eerden uit Den Haag in december 1956 in de Haagsche Courant. Met zijn goedvinden werd het overgenomen in het tijdschrift van de KNSB. Op mijn zoektocht naar historische gegevens voor de Canon kom ik veel leuke dingen tegen, die te uitgebreid zijn om daarin te publiceren. Daarom hierbij apart dit verhaal.

Lafaard

Dikwijls heb ik mij als verwoed schaakspeler afgevraagd, wat toch de reden kan zijn, dat het schaakspel zo weinig aantrekkingskracht uitoefent op de vrouwelijke sekse. Ook weer toen ik het verslag in het KNSB-tijdschrift van december 1956 had gelezen over ‘Het eerste internationale Damesschaaktoernooi’ te Amsterdam, waarin de hoop werd uitgesproken, dat telkenjare te Amsterdam een damesschaaktoernooi zal worden verspeeld en dat dit zal uitgroeien tot de vrouwelijke tegenpool van het Hoogoventoernooi! Maar waarom zegt het schaakspel zo weinig voor de vrouwelijke sekse? Sterker integendeel: waarom staat zij er in feite afwijzend, om niet te zeggen vijandig tegenover? Waarom toch?

Ik geloof dat ik het weet!

Ons spel is zo weinig ridderlijk. Een spel waarin De Koning zich als een lafaard gedraagt en zijn Koningin het gevaarlijke werk laat opknappen. Hij kruipt zo vlug mogelijk in een hoekje en omringt zich met een lijfwacht. Zij moet ten aanval.

Hij beweegt zich als een oud, jichtig en afgeleefd mannetje, voetje voor voetje over het bord. Zij gaat met grote en dus voor een dame weinig elegante passen.

Als hij wordt aangevallen verwacht hij nog dat hij gewaarschuwd wordt en het komt gewoon niet in hem op om een roemvolle dood te sterven, maar hij kruipt opzij, of roept een ander te hulp, zelfs zijn koningin, die hij als een schild voor zich plaatst! Zij verwacht geen waarschuwing, en als het voor het heil van de koning is zal zij ook opzij gaan of een bescherming zoeken, maar zij is ook bereid zich te offeren en het goed te vinden als een andere koningin haar plaats inneemt of met een andere samen te werken.

Zou hij het goed vinden zich door een ander te laten vervangen? Of als zijn koningin een tweede koning aan haar zijde plaatst?

Als het gevaar veel minder is geworden en velen van zijn getrouwen zijn gesneuveld, kruipt hij uit zijn schuilhoek, maar gaat nog steeds op de vlucht als hij wordt aangevallen. Een lijf-aan-lijfgevecht met zijn koning-tegenstander gaat hij zorgvuldig uit de weg, want er moet altijd een niemandsland tussen hen liggen. En zij? Hoe dikwijls plaatst zij zich niet vlak voor de vijandelijke majesteit, de vijand van haar koning, kijkt hem aan en schijnt te zeggen: “Ga je weg of ik sla je weg.” Als hij niet meer weg kan, dan neemt zij hem gevangen! Een man die zich door een vrouw gevangen laat nemen! Een fraai gezicht. Of hij gaat languit aan haar voeten liggen; nu ja, daar zit tenminste nog iets romantisch in.

Dan die trots van ons, mannelijke schakers, als wij aan vriend en vijand een prachtig koninginneoffer kunnen laten zien. Kannibalen, vrouwenmoordenaars moeten wij wel in de ogen van ‘de vrouw’ zijn en hoe kunnen wij verwachten dat onze Eva’s met zo’n spel sympathiseren?

Voor de dames die zich toch voor ons spel interesseren kan ik slechts diepe bewondering hebben, omdat zij, ondanks alles, de schoonheid van het schaken laten prevaleren. En toch zou ik graag meer, heel veel meer dames op onze schaakfestijnen zien. Maar hoe dat te bereiken?

Ik weet het… laten wij de koning en de koningin van taak en plaats verwisselen. Ernst of luim? Dat moet de lezer zelf maar uitmaken!

Vrouwen blunderen

Tot zover het verhaal uit de Haagsche Courant. Er zijn vrouwen die schaken en voor hen worden soms speciale wedstrijden gehouden, al kunnen ze natuurlijk ook gewoon met de mannen meedoen. De eerste Olympiade voor vrouwen werd in 1957 in Emmen gehouden, zie daarvoor de Canon. In het verslag in het bondsblad was het volgende te lezen.

De bewering dat de gemiddelde kwaliteit van het damesschaak ver bij die van het topschaak door heren ten achter staat moge weinig hoffelijk schijnen, ze is helaas juist. Maar daar staat tegenover dat men het damesschaak niet moet beoordelen naar mannenmaatstaven. Intussen spruit uit dit lagere niveau en uit de grotere spreiding der krachtsverschillen een zeer eigenaardig verschijnsel voort, dat wij op mannentoernooien van dit kaliber maar betrekkelijk zelden tegenkomen: de frequentie van de ‘blunder’. Wij zullen ons te deze niet aansluiten bij de opmerking van een cynicus, die beweerde dat het bij damesschaak helemaal niet gaat om de stelling (analyseren achtte hij dan ook volmaakt nutteloos), maar altijd om de voor-voorlaatste fout. In gematigd en gezond Nederlands uitgedrukt zou men kunnen zeggen dat een damestoernooi rijker is aan verrassingen: men kan – een bepaalde stelling beziende – nooit voorspellen hoe het afloopt. Pas als de matzet gedaan is of een van beiden de partij heeft opgegeven is men zeker van de uitslag ener partij: eerder niet. Hieruit volgt dan weer dat het volgen van een dameswedstrijd veel boeiender is dan het bijwonen van een heren-dito.

Hm, sluit de redactie zich hier nu niet of juist wel bij aan?

Donner en Giri

Aan Donner worden de meest verschrikkelijke uitspraken over vrouwen toegeschreven. Niet zo bekend is dat hij in 1977 in het tijdschrift Hollands Diep schreef:

Vrouwen kunnen niet schaken omdat het schaakspel het tegenovergestelde is van het menselijk contact. Schaken is vereenzaming. Vrouwen houden daar niet van.

Anish Giri voegde daar op zijn website het volgende aan toe, wat deze week werd geciteerd in de Volkskrant. Over het geringe niveau van het WK voor vrouwen:

De oorzaak daarvoor is misschien wel dat vrouwen slim genoeg zijn om zich te realiseren dat er veel belangrijkere dingen in het leven zijn dan schaken.

Johan Hut

Alleen geregistreerde kunnen een reactie achter laten.