Begrijp wat u doet: Damegambietstructuren 1

Damegambietstructuren 1

Vaak wordt gesproken over spelers met een ‘klassieke’ achtergrond. Men heeft dan bijvoorbeeld toppers als Karpov, Kramnik en Leko in het achterhoofd. Allemaal spelers met een superieur strategisch inzicht die hun speltype hebben afgestemd op hun goede techniek. Om te zien hoe zij spelen en om middenspelstrategieën goed te gaan begrijpen is de bestudering van het orthodox Damegambiet een mooi middel. Vrijwel alle wereldtoppers hebben zich zowel met wit als met zwart wel eens ingelaten op deze opening.

Een belangrijke “klassieke” uitgangsstelling ontstaat na 1. d4 d5.

Zoals grootmeester Paul van der Sterren in zijn eerste deel van de voortreffelijke driedelige serie "Wereld van de schaakopening" schrijft, dacht men tot 1920 dat op 1. d4 het symmetrische antwoord 1… d5 de enige goede zet was. Later zou Tarrasch zelfs opmerken dat zwart het niet zonder zijn damepion in het centrum kan stellen. Na zwarts laatste zet, waarmee hij als het ware ‘een blok’ in het centrum heeft gezet, zal wit gaan proberen dit blok aan te vallen of te ondermijnen. Zijn (indertijd) grote rivaal Nimzowitsch bestreed deze gedachte door het centrum onder controle te willen nemen met stukken zoals met 1… Pf6 2. c4 e6 3. Pc3 Lb4 om zo wits centrumvorming met e2-e4 te verhinderen. Het kreeg ook zijn naam: het Nimzo-Indisch.

In het Grünfeld-Indisch (1. d4 Pf6 2. c4 g6 3. Pc3) tast zwart het centrum op zet 3 aan (met 3… d5)

En in het Konings-Indisch (1. d4 Pf6 2. c4 g6 3. Pc3 Lg7 4. e4 d6 5. Pf3 0-0 6. Le2) pas op zet 6 (met 6… e5).

In dit artikel nemen we de stelling na 1. d4 d5 2. c4 e6 3. Pc3 als uitgangspunt, van waaruit we diverse varianten aan de orde zullen laten komen.

Eerst zullen we kort ingaan op de Tarraschverdediging (a), de Noteboomvariant (b), de Afruilvariant (c), het Orthodox Damegambiet (d) en de Anti-afruilvariant (e) behandelen. De eerste drie komen in deze aflevering aan bod, de rest wordt behandeld in de volgende aflevering. Pas daarna Vervolgens zullen we twee hoofdsystemen uitgebreider behandelen. Dat zijn de Tartakowervariant en het Catalaans. Van al deze systemen zal ik in een overzicht kort de problematiek proberen weer te geven, waarbij ik enkele illustratieve partijen zal noemen, die na te spelen zijn via de viewer.

a) De Tarraschverdediging

Als zwart direct in het centrum wil terugslaan, kiest hij voor 3… c5 hetgeen de Tarraschverdediging wordt genoemd. De bedenker, Siegbert Tarrasch (1862-1934) was niet alleen een sterke speler, maar ook heeft hij een grote bijdrage aan de theorie in die tijd geleverd. De belangrijkste gedachte is dat zwart zijn stukken snel en naar de meest natuurlijke en ook agressiefste velden kan ontwikkelen. Daarvoor accepteert hij een geïsoleerde pion op d5. De ideeën van Tarrasch bleken in de loop van de tijd aan slijtage onderhevig te zijn. Zijn opvattingen over geïsoleerde pionnen zijn inmiddels achterhaald. Het ligt allemaal wat genuanceerder. Het bezit van zo’n geïsoleerde pion blijkt ook een kwestie van smaak te zijn. Vooral bij spelers die van actief spel houden, bleek “De Tarrasch” een geliefd wapen te zijn.

4. cxd5

De meest principiële zet: zwart wordt onmiddellijk met een (potentiële) geïsoleerde pion opgescheept.

4… exd5 5. Pf3 Pc6 6. g3

De beste strijdwijze tegen in dit type stelling. Wit speelt zijn loper naar de lange diagonaal waar hij druk tegen d5 kan uitoefenen.

6… Pf6

Als zwart geen zin heeft in een geïsoleerde pion, gaat hij verder met 6… c4 hetgeen de zoge-naamde Zweedse variant wordt genoemd. Wit kan echter met b2-b3 of ook met Lg2, Pe5 en een goed getimed e2-e4 grip krijgen op de zwarte structuur.

7. Lg2 Le7 8. 0-0 0-0

Dit is de uitgangsstelling van de Tarraschverdediging, waarin vele speelwijzen door wit op tafel zijn gebracht. Zonder ze verder uit te diepen geef ik de mogelijkheden aan. Bij een daarvan een modelpartij voor wit en voor zwart.

9. Lg5

De variant na 9. dxc5 Lxc5 10. Lg5 d4 11. Lxf6 Dxf6 12. Pd5 Dd8 13. Pd2 werd in de jaren zeventig en tachtig door strategen als Timman en Andersson gespeeld. Alternatieven zijn verder 9. Le3, 9. Lf4 en 9. b3.

9… cxd4 10. Pxd4 h6 11. Le3 Te8

In de partij Kasparov-Illescas, Linares 1994 ging de witspeler over naar een stelling met de zogenaamde ‘hangende pionnen’ (op c6 en d5) die hij wist te blokkeren. Vervolgens won hij een pion en tikte hij het resterende eindspel vlekkeloos uit. In de partij Zhao Xue-Petrosian, Tiayuan 1995, krijgt zwart in ruil voor zijn zwakke pionnenstructuur aanval tegen de witte koning met een hoogst originele combinatie.

b) De Noteboomvariant

Met 3… c6 gaat zwart over naar de Noteboomvariant, ge¬noemd naar de talentvolle Nederlandse schaker, Daniël Noteboom (26 februari 1910 – 12 januari 1932) helaas al vroeg gestorven.

4. Pf3

Wit kan een gevaarlijk pionoffer lanceren met 4. e4 dxe4 5. Pxe4 Lb4+ 6. Ld2 Dxd4 7. Lxb4 Dxe4+ maar de correctheid daarvan, maar (ook de incorrectheid!) is nooit helemaal bewezen. Spannende stellingen voor avontuurlijke spelers!

4… dxc4 5. e3 b5

Dit is de ware bedoeling van de Noteboomvariant. Zwart gaat als het ware ‘op de pion op c4 zitten’. Hij geeft hem pas terug als daar weer wat anders tegenover komt te staan.

6. a4 Lb4 7. Ld2 Lb7

De toren op a8 dient gedekt te worden.

8. axb5 Lxc3

Een enorme concessie om de mooie loper tegen dit paard te moeten geven, maar het past in het algehele plaatje. We zullen zo zien waar het in deze stelling op uitdraait.

9. Lxc3 cxb5 10. b3 a5

Dit is het diepere idee achter de gehele speelwijze. Zwart gooit ‘alles’ op zijn twee verbonden vrijpionnen op de damevleugel.

11. bxc4 b4 12. Lb2

Wit lijkt te hebben gekregen wat zijn hartje begeert: een sterk pionnencentrum, het loperpaar een mooie vrijpion op de c-lijn. Zwart heeft echter een geducht wapen namelijk zijn verbonden vrijpionnen op de a- en de b-lijn. En in veel partijen bleken die van doorslaggevend belang. Een mooi voorbeeld waarin dat bleek is de partij Sadler-Krasenkow, Bundesliga ‘98/’99. Hoe de zwarte pionnen in bedwang moeten worden gehouden en het witte centrum benut kan worden zien we in de partij Van Wely-Alekseev, Foros 2008.

c) De Afruilvariant

Zoals hierboven al even genoemd kan wit met

3… Pf6 4. cxd5 exd5

kiezen voor de afruilvariant. Vanaf nu ligt de pionnenstructuur voor redelijk lange tijd vast en zijn de diverse plannen mooi in kaart te brengen.

5. Lg5

De meest nauwkeurige zet. Het is voor wit van belang om zwarts ‘bevrijdende’ loperzet … Lc8-f5 te blijven verhinderen of onaantrekkelijk te maken. Zo zou 5. Pf3 c6 6. Lg5 niet zo nauwkeurig zijn vanwege 6… Lf5 en zwart heeft de meeste problemen opgelost.

5… Le7

Slim lijkt 5… c6 om de ‘dreiging’ … Lf5 in de stelling te brengen. Er zijn nu twee belangrijke alternatieven:

I) Interessant is 6. e3 om na 6… Lf5 verder te gaan met 7. Df3!? Lg6 8. Lxf6 Dxf6 (In een beroemde partij Petrosian-Barcza, Budapast 1955 volgde hier 8… gxf6 9. Dd1!

Tigran Petrosian (Foto bron onbekend)

De dame heeft zijn dienst gedaan en keert terug naar haar uitgangsveld, voornamelijk om dreigingen met … Db6 adequaat te kunnen opvangen.) 9. Dxf6 gxf6

Hiervan werd altijd gedacht dat dit eindspel goed speelbaar was. Uit een paar partijen blijkt dat het toch onaangenaam verdedigen is. Een mooi voorbeeld hiermee is de partij Van Wely-Short, Wijk aan Zee 1995.

II) 6. Dc2 Le7 met overgang naar de hoofdvariant.

6. Dc2 c6 7. e3 Pbd7 8. Ld3 0-0

Na deze zet staat wit voor een principiële keuze welk plan hij gaat kiezen.

Er zijn drie belangrijke speelwijzen:

A) Opstelling met Pg1-f3 gevolgd door korte rokade en dan Ta1-b1 en b2-b4 hetgeen de zogenaamde minderheidsaanval wordt genoemd. Zie de partij Karpov–Ljubojevic, Linares 1989.

B) Opstelling met Pg1-e2, korte rokade, daarna Ta1-e1 gevolgd door een goed getimed f2-f3. Met deze actie beoogt wit om e3-e4 door te zetten en zo een centrumactie op touw te zetten. Zie Kasparov–Andersson, Belfort 1988.

C) Opstelling met 0-0-0, mogelijk zowel met een paard op f3 als op e2. De bedoeling is een aanval tegen de zwarte koning op te zetten met ooit g2-g4. Zie de aanvalspartij Timman–Karpov, Bugojno 1978.

Illustratieve partijen:

  • Kasparov–Illescas, Linares 1994.
  • Zhao Xue–Petrosian, Tiayuan 1995.
  • Sadler–Krasenkow, Bundesliga ‘98/’99.
  • Van Wely–Alekseev, Foros 2008.
  • Petrosian–Barcza, Budapast 1955.
  • Van Wely–Short, Wijk aan Zee 1995.
  • Karpov-Ljubojevic, Linares 1989.
  • Kasparov-Andersson, Belfort 1988.
  • Timman-Karpov, Bugojno 1978.

Alle partijen en fragmenten via de viewer:

Belangrijkste geraadpleegde bronnen: De wereld van de schaakopening, deel 1 van Paul van der Sterren en de database van Chessbase.

Reageren? Stuur een e-mail naar .

(wordt vervolgd)

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.