Het piepgeluid in Kimswerd

Tot het gereedschap van juristen behoren enkele belangrijke rechterlijke uitspraken. Zo kennen zij ‘de Zutphense juffrouw’, ‘de Meppelse Ree’, ‘de Hoornse taart’ etc. Door kennis te nemen van die arresten kunnen zij het recht leren te begrijpen.

Welnu, dat geldt ook voor een wedstrijdleider. Als een wedstrijdleider alleen maar de regels leert, weet hij nog maar weinig. De regels beginnen pas te leven aan de hand van voorvallen. Dan gaat hij de FIDE-regels beter leren begrijpen. Met als geval dat als hij met een geschil wordt geconfronteerd hij steunt vindt in eerdere beslissingen. Die zijn voor hem ankerpunten.

De volgende zaak behoort tot de basiskennis van een wedstrijdleider. Het heeft zich voorgedaan in Kimswerd.

Ah, Kimswerd! Greate Pier! (Grote Pier) In 1515 plunderden Saksische huurlingen zijn boerderij in Kimswerd en staken die in brand. Pier’s vrouw, familieleden en dorpsgenoten werden gedood. Pier nam zijn zwaard op en begon de strijd tegen de bezetters. Onder zijn leiding veroverden de Friezen tijdens een zeeslag op de Zuiderzee 28 Hollandse schepen, daarbij werden alle Hollanders gedood, 500. In Kimswerd staat een herberg ‘Greate Pier’.

Vijfhonderd jaar later vindt in Kimswerd in de competitie van de Friese Schaakbond een schaakwedstrijd plaats in de promotieklasse tussen Schaakcombinatie De F-Pion te Harlingen/Franeker en de Drachtster Schaakclub uit Drachten. Vrij in het begin van de wedstrijd hoort iedereen het piepgeluid van een mobiele telefoon. Het begin van een

Zoals elke Fries Greate Pier kent, zo hoort elke wedstrijdleider de beslissing van de commissie van beroep van de Friese Schaakbond te kennen inzake het piepgeluid in Kimswerd. Hierna volgt eerst de beslissing van de competitieleider van de FSB, daarna het beroepschrift van de F-Pion, gevolgd door de beslissing van de commissie van beroep. Wellicht dat ik in een of meer artikelen aandacht zal schenken aan enkele aspecten van deze zaak.

Overzicht van aantekeningen:

  1. De beslissing van de competitieleider FSB
  2. Het beroepschrift
  3. De beslissing van de commissie van beroep FSB

1. De beslissing van de competitieleider FSB

Hierna volgt de beslissing van de competitieleider van de FSB van 21 november 2014.

DSC heeft bezwaar aangetekend tegen de uitslag van de partij aan het vierde bord.

Ik heb kennis genomen van:

Het bezwaar van DSC op het wedstrijdformulier.

De toelichting per e-mail van de teamleider DSC van 11-11-2014.

Een toelichting per telefoon van de teamleider F-Pion van 19-11-2014.

De toelichtingen per e-mail van de door F-Pion aangestelde wedstrijdleider van 8-11-2014 en 12-11-2014.

Het betreft de partij op 7 november 2014 tussen een speler van F-Pion met wit en een speler van DSC met zwart.

Belangrijkste feiten:

In de beginfase van de wedstrijd, rond de achtste zet, gaat de telefoon van de witspeler. Tijdens het incident was de arbiter niet in de speelruimte. De spelers gaan verder met de partij. Noch de zwartspeler, noch de teamcaptain van DSC maakt gewag van het gebeurde bij de arbiter. Naar eigen zeggen is de teamcaptain in opperste concentratie voor zijn eigen partij en wil zich verder niet laten afleiden. De partij eindigt uiteindelijk in winst voor de witspeler, die uitslag wordt genoteerd op het wedstrijdformulier.

Aan het eind van de avond gaat de teamcaptain van DSC huiswaarts, hij moet de volgende ochtend vroeg op, en hij draagt zijn taken over aan een vervangend teamcaptain. Na afloop van de wedstrijd bij het ondertekenen van het wedstrijdformulier geeft de vervangend teamcaptain aan bezwaar te maken tegen de uitslag van de partij aan bord 4. De arbiter geeft aan tijdens de wedstrijd niet op de hoogte te zijn geweest van een voorgevallen incident. Hij werd pas op de hoogte gesteld toen de vervangend teamcaptain het wedstrijdformulier ging ondertekenen.

Het protest:

DSC protesteert tegen de bereikte uitslag aan bord 4.

Overwegingen:

In artikel 11.3.b FIDE-reglement staat o.a.:

“Tijdens de wedstrijd is het een speler verboden om een mobiele telefoon of andere elektronische communicatiemiddelen in het spelersgebied bij zich te hebben. Als geconstateerd wordt dat een speler zo’n apparaat meegenomen heeft naar het spelersgebied, dan verliest die speler de partij. De tegenstander wint. Het wedstrijdreglement mag een andere, minder zware straf opleggen.”

In artikel 16.4 FSB-competitiereglement staat:

”Als ten aanzien van artikel 11.3.b van De FIDE-Regels geconstateerd wordt dat een speler een mobiele telefoon of andere elektronische communicatiemiddelen meegenomen heeft naar het spelersgebied, dan krijgt hij een waarschuwing. De wedstrijdleider heeft het recht te onderzoeken of het apparaat aanstaat. Als een dergelijk apparaat, zonder toestemming van de wedstrijdleider, aan staat, dan verliest die speler de partij, tenzij de wedstrijdleider anders beslist.

Wanneer een mobiele telefoon gaat, dan staat deze aan. In de verklaringen van de arbiter, noch van de teamleiders blijkt dat er toestemming was verleend dat de mobiele telefoon aan mocht staan.

In artikel 12.3 FIDE-reglement staat:

”De arbiter houdt de partijen in het oog, in het bijzonder als de spelers weinig tijd hebben. Hij moet erop toezien dat door hem genomen beslissingen worden uitgevoerd, en de spelers zonodig bestraffen.”

De arbiter had in de speelzaal moeten blijven, of een assistent moeten aanwijzen. Dan was het incident opgevallen, en had er conform de reglementen gehandeld moeten worden.

Wanneer een mobiele telefoon gaat, dan beëindigt dat de partij onmiddellijk. Verlies van een partij vanwege het aanstaan van een telefoon betekent niet een reglementaire nederlaag, het is een reguliere nederlaag. Derhalve telt de uitslag van een partij die op deze wijze tot een einde komt, als een resultaat voor de ratingverwerking.

Besluit:

Het protest van DSC wijs ik toe. De uitslag van de partij wordt veranderd in 0-1 en de uitslag van de wedstrijd F-Pion – DSC wordt vastgesteld op 4-4.

Hoogachtend,

De competitieleider FSB

2. Het beroepschrift F-Pion

Aan de Commissie van Beroep van de Friese Schaakbond

Franeker, 1 december 2014

Betreft: beroep tegen beslissing inzake F-Pion – DSC

Hierbij teken ik namens het bestuur van F-Pion beroep aan tegen de beslissing van de competitieleider van 21 november 2014 in de zaak F-Pion – DSC. Een kopie van die beslissing treft u bijgaand aan.

Hierna schets ik eerst de relevante feiten. Daarna geef ik de beroepsgronden en eindig met het verzoek de beslissing van de competitieleider te vernietigen.

De feiten

Op 7 november 2014, tijdens de wedstrijd tussen F-Pion en DSC in de promotieklasse van onze bond, klinkt er om 19.56 uur – enkele minuten na het begin van de wedstrijd – een kort piepgeluid. Iedereen in de speelzaal kan dit horen. Hierop haalt de heer A van F-Pion zijn telefoon uit zijn zak. Zijn tegenstander, de heer B, neemt aan dat de telefoon van A dat geluid heeft veroorzaakt. B geeft in woord en gebaar aan te willen doorspelen en schenkt verder geen aandacht aan het voorval. Ook de andere teamleden van DSC reageren niet. Zonder te verifiëren of het zijn mobiele telefoon was die het piepgeluid maakte, legt A daarop zijn telefoon op de piano die in de speelzaal aanwezig is. Dit alles gebeurt buiten de aanwezigheid van de wedstrijdleider, de heer C, die namelijk op dat moment buiten de speelzaal een kop koffie haalt. Bij terugkomst in de zaal roept niemand zijn tussenkomst in om een nul te claimen, of om hem te informeren over het voorval. Gedurende de gehele wedstrijd weet de wedstrijdleider dan ook niets van dit voorval. Pas wanneer de partij van A is geëindigd in winst voor A, stelt A vast dat het zijn mobiele telefoon was die het piepgeluid had gemaakt. De wedstrijd F-Pion – DSC eindigt vervolgens in 5–3 voor de thuisclub. De partijen van de teamleider van DSC de heer D, alsmede van zijn teamgenoot de heer E, waren al enige tijd voor de einduitslag afgelopen. Nadat de achtste, tevens laatste partij is geëindigd in winst voor F-Pion, vertrekt de teamleider van DSC. Hij vergeet – zoals ook andere teamleiders wel eens overkomt – het wedstrijdformulier te ondertekenen. Een speler van DSC, de heer E, kan zich kennelijk niet verenigen met de opvatting van zijn teamleider en die van B, en benoemt zichzelf eigenmachtig tot waarnemend teamleider. De wedstrijdleider weet van deze waarneming niets. De waarnemend teamleider ondertekent het wedstrijdformulier en tekent bezwaar aan bij de uitslag van A – B (1–0). Bij beslissing van 21 november 2014 wijzigt de competitieleider van de FSB de uitslag van deze partij in 0–1, met als einduitslag van de wedstrijd F-Pion – DSC: 4–4. Dit is de beslissing waartegen het onderhavige beroep gericht is.

Beroepsgronden

1. Strijd met de FIDE-regels

‘Wanneer een mobiele telefoon gaat, dan beëindigt dat de partij onmiddellijk,’ schrijft de competitieleider. Echter, er is geen onzichtbare hand die de uitslag noteert op het wedstrijdformulier. Het moet altijd gaan om een vaststelling – al dan niet zelf waargenomen – door de wedstrijdleider. Als een wedstrijdleider aldus vaststelt, is het gevolg daarvan dat op grond van de regels de partij onmiddellijk is beëindigd. De beslissing heeft dus terugwerkende kracht tot het moment van afgaan van de telefoon.

Ter illustratie het voorval op het Fries Kampioenschap 2014 waar een mobiele telefoon afging. De wedstrijdleider stelde vast dat het geluid kwam van het toestel van A (ja, dezelfde) die namelijk op dat moment zijn telefoon tevoorschijn haalde om na te gaan of dit het apparaat was geweest dat geluid maakte. Dat was niet zo. Toch gaf de wedstrijdleider hem de nul. Toen een andere speler de wedstrijdleider bekende dat het niet de telefoon van A was geweest, maar dat het zijn telefoon was geweest die afging, wijzigde de wedstrijdleider zijn beslissing. A kreeg geen nul, de andere speler evenmin.

Nog een ander voorbeeld. Het komt (nogal) voor dat een wedstrijdleider hoort dat tijdens een partij een mobiele telefoon afgaat. Omdat de tegenstander niet reageert, durft de wedstrijdleider niets te doen. En wordt rustig verder gespeeld. Sommige wedstrijdleiders kennen namelijk wel de regel, maar kunnen die niet toepassen. Zij durven geen negatieve beslissingen te nemen. Ook in dat geval zijn er geen kaboutertjes die de reglementaire nul op het wedstrijdformulier noteren. Het is de uitslag van de inspanningen van de schakers zelf die bepalend is. En niet artikel 11.3 van de FIDE-regels.

In de zaak F-Pion-DSC heeft de wedstrijdleider niet vastgesteld dat de mobiele telefoon van A is afgegaan. Er is dus geen sprake geweest van een geval van artikel 11.3 van de FIDE-regels in verband met artikel 16 van het FSB-competitiereglement. Daarbij komt dat na het piepgeluid de tegenstander van DSC zich sportief heeft gedragen en uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven te willen doorspelen. Zo’n gedrag komt in het dagelijks leven meer voor, bijvoorbeeld in het verkeer. Maar ook in de schaakwereld, zie het andere voorbeeld zojuist genoemd. Daarbij moet worden bedacht dat de speler van DSC zich niet zo genereus had hoeven op te stellen. Hij had zonder problemen de wedstrijdleider erbij kunnen halen en de winst kunnen claimen. De wedstrijdleider had dan alsnog kunnen vaststellen wat er was gebeurd, enzovoorts. Maar dat deed de speler van DSC willens en wetens niet. Dat geldt ook voor de overige spelers van dat team, inclusief teamleider D en diens teamgenoot E die later als waarnemend teamleider zou optreden. Zij allen laten niets van zich horen. En dat in een fase van de wedstrijd waarin een onderbreking nog niet zo storend is; het voorval vond plaats ongeveer tien minuten na het begin van de wedstrijd. Dan geldt het beginsel: een man een man, een woord een woord. Belofte maakt schuld. Dat is sportiviteit, zo gaan spelers met elkaar om. Op grond van artikel 12.2 onder a van de FIDE-regels had de competitieleider hierop moeten letten.

De partij van A – B wordt vervolgd en eindigt in winst voor F-Pion. Op grond van artikel 5 van de FIDE-regels was daarmee de partij onmiddellijk beëindigd. Die uitslag werd ook op het wedstrijdformulier genoteerd. Rijst de vraag of na afloop nog een beroep kan worden gedaan op een onregelmatigheid tijdens de partij. Artikel 7 van de FIDE-regels geeft daarvoor een speciale voorziening. Er kan in dat geval alleen worden opgetreden tijdens een partij. Niet na afloop. Na afloop kan geen beroep worden gedaan op een ongeregeldheid. Zou dat anders zijn, dan ware dat wedstrijdbederf. Tijdens de wedstrijd hielden de overige spelers immers geen rekening met een reglementaire nul als uitslag.

Er geen verschil van mening in de schaakwereld dat alleen tijdens een partij kan worden geclaimd voor een onregelmatigheid. De conclusie is dan ook dat in deze zaak op grond van de FIDE-regels er geen plaats is voor de achteraf toegekende nul. De uitslag van de spelers is bepalend.

2. Strijd met FSB-competitiereglement

Voorts is de opvatting van de competitieleider in strijd met artikel 16 van het FSB-competitiereglement. Op grond van de laatste volzin van dat artikel heeft de betrokken wedstrijdleider een vrije beoordelingsruimte, een beoordelingsvrijheid. Dat artikel is identiek aan artikel 20, vijfde lid, van het KNSB-competitiereglement. Daarbij moet ook worden gelet op de Richtlijn van de KNSB, die luidt als volgt:

‘Richtlijn bij artikel 20.5 van het KNSB-competitiereglement over de mobiele telefoon of andere elektronische communicatiemiddelen Zowel in de FIDE-regels die vanaf 1 juli 2014 van kracht zijn, als in de wijziging die per 1 oktober 2014 in zou moeten gaan, als deze door de FIDE General Assembly 2014 is goedgekeurd, zegt artikel 11.3.b dat de straf bij meegenomen apparatuur (of apparatuur die je bij je draagt) die uit staat verlies van de partij is, maar dat het wedstrijdreglement een minder zware straf mag opleggen. Dat gebeurt in het KNSB-competitiereglement in artikel 20.5: de straf bij

apparatuur die uit staat is geen nul, maar een waarschuwing. Volgens artikel 12.9 van de FIDE-Regels is dat de lichtste straf. Ook als bij een speler vaker wordt geconstateerd dat deze in het spelersgebied apparatuur bij zich heeft die uit staat, moet het bij een waarschuwing blijven. Alleen als een speler betrapt wordt met een telefoon of een ander elektronisch communicatiemiddel dat aan staat verliest de betreffende speler de partij, tenzij de arbiter anders beslist. Wel wordt iedere betrokkene geadviseerd om zo weinig mogelijk apparatuur bij zich te hebben, meegenomen apparatuur eventueel in bewaring te geven, maar in elk geval uit te schakelen.’

Het artikel is een typisch compromis-artikel. Het bevat een uitdrukkelijk verbod, maar voegt er in één adem aan toe dat overtreding van dat verbod wordt gedoogd. Een wedstrijdleider kan waarschuwen tot hij een ons weegt, een speler hoeft zich daar niets van aan te trekken. In wezen knipoogt het KNSB-competitiereglement naar de spelers: neem gerust een mobiele telefoon mee in de speelzaal. De laatste volzin van het artikel – die een ‘tenzij’-clausule is – geeft een wedstrijdleider een vrije beoordelingsruimte, een beoordelingsvrijheid. Die vrijheid is ruim, en omvat ook de situatie van het afgaan van een mobiele telefoon. Hoe de wedstrijdleider zou hebben beslist, is speculeren achteraf. Het is mogelijk – maar misschien ook niet – dat de wedstrijdleider in dat geval die ‘tenzij’-clausule had toegepast. In de eerste plaats betrof het geluid een piepje, voorts wilde de tegenstander doorspelen, en tot slot zwegen de teamgenoten van DSC en stemden daarmee dus toe in de voortzetting van de partij.

Zoals gezegd, is dit speculeren achteraf, wat volstrekt niet van belang is. Omdat niemand zijn tussenkomst heeft ingeroepen, heeft de wedstrijdleider niet kunnen beslissen. Er mag niet worden gespeculeerd hoe wedstrijdleider C had moeten handelen. Het is bovendien geen vrije bevoegdheid van een ander, zoals een teamleider, een eigenmachtig benoemde waarnemend teamleider, een competitieleider of een commissie van beroep. Op die manier is de systematiek van de regel dezelfde als onder 1 hierboven: na afloop van een partij kan artikel 16 van het FSB-competitiereglement niet worden toegepast.

3. De eigenmachtig benoemde waarnemend teamleider

De teamleider van DSC heeft de genoteerde uitslag van de omstreden partij gezien, en deze niet voorzien van een aantekening van protest of bezwaar. Bovendien was hij bekend met de einduitslag waartegen hij eveneens geen bezwaar had. Dan geeft het geen pas dat een willekeurige teamspeler bij het vertrek van de teamleider zichzelf eigenmachtig benoemt tot waarnemend teamleider om bezwaar aan te tekenen. Hij was dus niet bevoegd bezwaar aan te tekenen tegen de uitslag van de partij A – B.

Conclusie

Om deze redenen verzoek ik u de beslissing van de competitieleider van 21 november 2014 te vernietigen en de uitslag A – B vast te stellen op 1–0, met als einduitslag F-Pion – DSC: 5–3.

Indien u dit wenst ben ik ertoe bereid uw nadere vragen te beantwoorden. In afwachting van uw beslissing verblijf ik,

Hoogachtend,

namens het bestuur van F-Pion

3. De beslissing van de commissie van beroep van de FSB

Beroep ingesteld door: de Schaakcombinatie De F-Pion te Harlingen/Franeker

Tegen: het besluit van de competitieleider van de FSB d.d. 21 november 2014

De commissie heeft kennis genomen van de volgende stukken:

– Het besluit van de competitieleider d.d.21 november 2014

– Het beroepschrift van De F-Pion d.d. 1 december 2014

– De reactie van DSC op het beroepschrift d.d. 8 december 2014

– De door de competitieleider overgelegde correspondentie die hij voerde naar aanleiding van het incident.

Ontvankelijkheid

In het kader van de FSB-competitie werd op 7 november 2014 gespeeld de wedstrijd De F-Pion- DSC. Op het wedstrijdformulier werd een aantekening gemaakt waaruit bleek dat DSC het niet eens was met de vastgestelde uitslag aan bord 4. Binnen de daartoe door het competitiereglement van de Friese Schaakbond gestelde termijn (artikel 17 lid 5), diende de teamcaptain van DSC –per mail van 11 november 2014- bij de competitieleider van de FSB een bezwaarschrift in tegen de door de arbiter vastgestelde uitslag. De competitieleider nam het bezwaarschrift in behandeling. Op 21 november 2014 nam hij een besluit en maakte dit bekend. Het beroep tegen het besluit van de competitieleider werd ingesteld op 1 december 2014. Onder verwijzing naar artikel 3 lid 3 van het competitiereglement van de Friese Schaakbond – waarin staat dat de beroepstermijn vijftien dagen bedraagt- verklaart de commissie Schaakcombinatie De F-Pion ontvankelijk in haar beroep (en verwerpt daarmee het beroepsmiddel zoals aangedragen door de F-Pion onder d. Zie hierna.)

De feiten

Op 7 november 2014 wordt in het dorpshuis Pier ’s Stee te Kimswerd in het kader van de promotieklasse der FSB-competitie gespeeld het duel De F-Pion I- DSC I.

Voor aanvang van de wedstrijd is de heer C aangesteld/ aangewezen als arbiter in de zin van artikel 17 lid 1 van het competitiereglement van de FSB.

Niet lang na aanvang van de teamwedstrijd klinkt – terwijl de arbiter de speelruimte tijdelijk heeft verlaten- in de speelruimte een geluid dat door aanwezigen wordt herkend als zijnde het geluid van een mobile telefoon.

De vierde bordspeler van De F-Pion- de heer A – haalt kort nadat het geluid heeft geklonken een mobile telefoon uit zijn binnenzak (althans zijn kleding) en legt dit apparaat voor iedereen zichtbaar op de piano die zich eveneens in de speelzaal bevindt.

Noch op het geluid dat klinkt, noch op de actie van de vierde bordspeler van De F-Pion volgt van de zijde van DSC enige reactie richting de arbiter, ook niet als deze zich na verloop van tijd weer in de speelruimte vertoont.

De wedstrijd verloopt verder zonder bijzonderheden.

De arbiter vult de afzonderlijke uitslagen van de acht partijen in op het wedstrijdformulier en vermeldt bij bord 4 een uitslag van 1-0 in het voordeel van De F-Pion zijnde de uitslag die hem doorgegeven wordt door beide spelers.

De heer A onderwerpt na afloop van de partij zijn telefoontoestel aan een onderzoek en constateert dat het geluid dat in de speelruimte klonk door zijn toestel werd geproduceerd.

De arbiter stelt als uitslag van de wedstrijd vast een 5-3 overwinning voor De F-Pion, vermeldt die uitslag op het wedstrijdformulier en overhandigt het formulier ter ondertekening aan de tweede bordspeler van DSC, de heer E, die zegt als de plaatsvervangend teamcaptain te zijn aangewezen door de eigenlijke teamcaptain de heer D die eerder de speelruimte heeft verlaten.

De heer E ondertekent het formulier doch plaatst daarbij de volgende opmerking: “Ondergetekende tekent bezwaar aan omdat de telefoon van A afging tijdens de partij.”

De arbiter stelt de competitieleider op 8 november per mail in kennis van het protest.

De competitieleider kwijt zich vervolgens van zijn taak door -nadat de aantekening op het wedstrijdformulier is gevolgd door een bezwaarschrift van de teamcaptain van DSC – de nodige informaties in te winnen en vervolgens een uitspraak te doen. De competitieleider kent het protest toe en bepaalt de uitslag van het duel op 4-4. Voor de argumentatie van de competitieleider wordt kortheidshalve verwezen naar diens uitspraak n.a.v. het ingediende protest, maar komt ook hierna nog aan de orde.

Tegen dit besluit van de competitieleider gaat De F-Pion in beroep.

De middelen van beroep

De F-Pion kan zich niet verenigingen met de uitspraak van de competitieleider en voert daartegen het volgende aan:

Artikel 11.3 van het Fide-reglement is niet van toepassing omdat de wedstrijdleider niet in de speelzaal aanwezig was toen het piepgeluid hoorbaar was. Ook artikel 16 van het FSB-competitiereglement is derhalve niet van toepassing. De wedstrijdleider had bij terugkomst in de speelzaal in kennis kunnen worden gesteld van het incident, maar dat is niet gebeurd. In tegendeel de DSC-speler van het vierde bord maakte met woord en gebaar kenbaar dat hij verder wilde spelen. Dat is op te vatten als ‘sportief gedrag’, iets waarmee de arbiter rekening heeft te houden/ op toe dient te zien.

Het Fide-reglement, in het bijzonder artikel 7, gaat er van uit dat onregelmatigheden tijdens de partij moeten worden gemeld/ geclaimd en niet na beëindiging van een partij.

De competitieleider interpreteert artikel 16 van het competitiereglement niet goed. Hij miskent ten onrechte dat de arbiter een vrij beoordelingsruimte toekomt. Die ruimte heeft een arbiter wel en dat volgt uit de woorden : ‘ tenzij de arbiter anders beslist’.

Alleen de teamcaptain van een team is bevoegd om bezwaar aan te tekenen tegen bijvoorbeeld een vastgestelde uitslag, niet een willekeurig teamlid.

De F-Pion verzoekt de commissie van beroep het besluit van de competitieleider ongedaan te maken en de uitslag van het duel De F-Pion- DSC te bepalen op 5-3.

DSC reageerde schriftelijk op het beroepsschrift van De F-Pion. In de reactie wordt samengevat het volgende gesteld.

Het staat vast dat tijdens de wedstrijd de telefoon van de heer A is afgegaan.

De wedstrijdleider was op dat moment niet in de zaal; gedurende de wedstrijd kwam dat vaker voor. DSC heeft hier overigens begrip voor.

De teamcaptain van DSC heeft de heer E verzocht zijn taken als teamcaptain over te nemen. Dit is gebeurd.

DSC nuanceert het besluit van de competitieleider door te stellen dat het nodig is dat de wedstrijdleider het ‘afgaan’ van de telefoon constateert en hij (de wedstrijdleider) de partij beëindigt.

De speler van DSC kon niets anders doen dan doorspelen. Hij had niet het recht om de klok stil te zetten en op zoek te gaan naar de wedstrijdleider. De wedstrijdleder had immers het feit toch niet zelf geconstateerd. Doospelen was bovendien in het belang van de spelers aan de andere borden.

DSC vraagt zich af of de opvatting ‘ alleen claimen tijdens de partij’ ook op gaat als de wedstrijdleider niet in de zaal aanwezig is.

Relevante artikelen uit de verschillende reglementen

Artikel 11.3.b Fide-reglement

Tijdens de wedstrijd is het een speler verboden om een mobiele telefoon of andere elektronische communicatiemiddelen in het spelersgebied bij zich te hebben. Als geconstateerd wordt dat een speler zo’n apparaat meegenomen heeft naar het spelersgebied, dan verliest die speler de partij. De tegenstander wint. Het wedstrijdreglement mag een andere, minder zware straf opleggen.

Artikel 16.4 FSB-competitiereglement

4. Als ten aanzien van artikel 11.3.b van De FIDE-Regels geconstateerd wordt dat een speler een mobiele telefoon of andere elektronische communicatiemiddelen meegenomen heeft naar het spelersgebied, dan krijgt hij een waarschuwing. De wedstrijdleider heeft het recht te onderzoeken of het apparaat aanstaat. Als een dergelijk apparaat, zonder toestemming van de wedstrijdleider, aan staat, dan verliest die speler de partij, tenzij de wedstrijdleider anders beslist.

Weging

Ter beoordeling van de commissie van beroep staat het besluit van de competitieleider om het bezwaar van DSC toe te wijzen. De commissie van beroep stelt vast dat de competitieleider zijn besluit als volgt beargumenteert: “ Wanneer een mobiele telefoon gaat, dan staat deze aan. Uit de verklaring van de arbiter, noch uit die van de teamleiders blijkt dat er toestemming was verleend dat de mobiele telefoon aan mocht staan. In artikel 12.3 Fide-reglement staat: “ De arbiter houdt de partijen in het oog, in het bijzonder als de spelers weinig tijd hebben. Hij moet er op toezien dat door hem genomen beslissingen worden uitgevoerd, en de spelers zo nodig bestraffen. “ De arbiter had in de speelzaal moeten blijven, of een assistent moeten aanwijzen. Dan was het incident opgevallen en had er conform de reglementen gehandeld moeten worden. Wanneer een mobiele telefoon afgaat dan beëindigt dat de partij onmiddellijk”.

De competitieleider is van oordeel dat de arbiter niet correct heeft gehandeld door de speelzaal te verlaten zonder een plaatsvervanger aan te wijzen. De commissie vraagt zich af of die stelling houdbaar is. Het reglement kent niet het begrip ‘speelzaal’ maar spreekt over ‘spelersgebied’. Naast de speelruimte wordt daaronder onder meer verstaan de toiletten, de koffieruimte en de rookruimte. De arbiter heeft de verantwoordelijkheid over alle vertrekken die tot het spelersgebied behoren en dus kan het voorkomen dat zich in de ene ruimte een incident voordoet dat zich aan de waarneming van de arbiter onttrekt omdat hij juist een andere ruimte inspecteert.

De competitieleider stelt in de visie van de commissie van beroep onterecht dat het afgaan van een telefoon een partij onmiddellijk beëindigt. De commissie leest dat niet in het reglement. Het reglement geeft wel een duidelijke sanctie: “Als een dergelijk apparaat zonder toestemming van de wedstrijdleider aanstaat dan verliest die speler de partij, tenzij de wedstrijdleider anders beslist.”

De commissie trekt met name uit de laatste vijf woorden – en in lijn met het door De F-Pion aangedragen middel onder c- de conclusie dat het afgaan van een telefoon niet automatisch tot een uitslag van een partij leidt ( namelijk verlies voor de eigenaar van de telefoon die aan staat) maar in alle gevallen – ook als bij het afgaan van de telefoon de arbiter wel aanwezig is- dient te leiden tot een beslissing van de arbiter. De arbiter moet vaststellen a. van wie de telefoon is; b. of hij de betreffende eigenaar toestemming heeft verleend om de telefoon aan te laten staan en tenslotte (c ) zal hij een blik moeten werpen op het bord om te beoordelen of de partij mogelijk al niet op basis van een andere bepaling uit het reglement is beëindigd bijvoorbeeld wegens mat of pat. Na het onderzoek en de weging (waarbij ook de reactie van de betrokkenen een rol dient te spelen) zal de arbiter een beslissing moeten nemen die in beginsel slechts twee consequenties kan hebben: of de partij wordt voortgezet of de partij wordt niet voortgezet. In dat laatste geval zal hij een uitslag op het wedstrijdformulier moeten invullen zodat alle betrokken teamgenoten kennis kunnen nemen van de uitslag.

In het onderhavige geval is er geen besluit door de arbiter genomen om de simpele reden dat dat niet van hem werd gevraagd. Dat had wel gekund. De teamcaptain van DSC of de speler van het vierde bord had – onder stilzetting van zijn klok- de arbiter zodra die weer terug was gekeerd in de speelzaal van het voorval in kennis kunnen stellen. De arbiter had dan een onderzoek in kunnen stellen, een afweging kunnen maken en een besluit kunnen nemen. Het middel zoals door de F-Pion onder a is aangedragen treft derhalve doel. Het verweer van DSC (genoemd onder e.) wordt nadrukkelijk verworpen.

De competitieleider heeft gemeend de arbiter te moeten corrigeren. De commissie ziet daar geen aanleiding toe. De arbiter heeft niet de kans gekregen om op het moment dat het incident zich voordeed of onmiddellijk daarna een onderzoek in te stellen, een afweging te maken en een beslissing te nemen. De arbiter valt dan ook niets te verwijten. DSC daarentegen is onnodig lang passief gebleven en heeft tot na afloop van de partij, sterker nog, zelfs tot na afloop van de wedstrijd gewacht om bezwaar te maken tegen de uitslag en een scheidsrechterlijk oordeel te vragen omtrent de gang van zaken rond bord 4.

De commissie is van mening dat het reglement tendeert naar het maken van bezwaar / indienen van claims tijdens de partij en niet na afloop van een wedstrijd. Hiermee onderschrijft de commissie middel b van De F-Pion.

Ook vindt de commissie het van groot belang dat teamwedstrijden zo correct mogelijk verlopen. De passieve houding van DSC draagt hier niet aan bij en kan dan ook niet worden ‘beloond’.

Uitspraak

De commissie verklaart het beroep van De F-Pion gegrond.

De commissie vernietigt daarmee de uitspraak van de competitieleider van 21 november 2014 zodat de oorspronkelijke uitslag van het duel De F-Pion-DSC blijft gehandhaafd, namelijk 5-3 in het voordeel van De F-Pion.

Aldus vastgesteld op 10 januari 2015 door E.Denissen, Tj.Wiersma en H.J.Dijkstra, leden van de Commissie van Beroep van de Friese Schaakbond en namens de commissie ondertekend door H.J.Dijkstra.

4 Comments

  1. Avatar
    Paul-Peter Theulings januari 17, 2015

    De vileine truc van DSC heeft niet gewerkt.

    Eerst doen alsof je gewoon wil doorspelen en achteraf

    alsnog claimen is een poging om de tegenstander naar een overwinning af te laten wikkelen waarbij ze betere stellingen remise geven voor de matchpunten, en dan met de claim komen.

  2. Avatar
    Lucas januari 17, 2015

    Het is niet best gesteld met onze eens zo mooie schaaksport.

  3. Avatar
    Avdg januari 17, 2015

    Commissie van beroep heeft juist gehandeld.

    DSC had moeten claimen als het echt volgens het reglement had willen winnen. Dat de scheidsrechter op dat moment niet aanwezig is in de speelzaal lijkt mij geen reden om geen claim te kunnen maken.

    Natuurlijk is het wel erg sportief om door te spelen als een telefoon afgaat, maar later de winst claimen als je toch de partij verloren hebt kan natuurlijk niet.

  4. Avatar
    Lucas januari 19, 2015

    Het is onbegrijpelijk dat er zulke grote lappen tekst nodig zijn om zo’n onbenullig voorval te bespreken. Die vervangende teamcaptain van DSC, die achteraf bezwaar maakte tegen de uitslag van een partij, moet gewoon een draai om zijn oren krijgen.

    Deze minderwaardige gang van zaken doet afbreuk aan het schaakspel. Het is onmogelijk om nieuwe mensen te interesseren voor het schaken wanneer allerlei pietluttigheden zo belangrijk worden gemaakt.

    Ik weet wel dat de telefoonregel ons is opgelegd door de vreselijke FIDE, maar wij zouden dit als leden van de onafhankelijke KNSB gewoon soeverein naast ons neer moeten leggen.

    Bedrog bestrijden – ja natuurlijk, zo streng mogelijk. Iemand die wordt betrapt op vals spel mag van mij levenslang worden geschorst.

    Maar s.v.p. geen gezeur over een piepje of tingeltje.

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.