Begrijp wat u doet: Het Nimzo-Indisch 2

Opening: Het Nimzo-Indisch 2

We bespreken in dit tweeluik de belangrijkste principes van het Nimzo-Indisch, genoemd naar Aaron Nimzowitsch (1886-1935). Een bijzonder complexe opening waarin diepe strategische gedachten aan ten grondslag liggen. Zoals in de vorige aflevering al duidelijk werd, kunnen we ons strategisch inzicht verbeteren door ons in deze opening te verdiepen.

1. d4 Pf6 2. c4 e6 3. Pc3 Lb4

De voor het Nimzo-Indisch kenmerkende zet. Een blik in de database leert dat de oudste (geregistreerde) partij met deze stelling gespeeld werd in 1851 (Cochrane-Mahescandra). De eerste partij van Nimzowitsch was die tegen Janowsky, in 1914 in St. Petersburg. Helaas zijn er geen partijen bekend met het Nimzo-Indisch tussen de aartsrivalen Tarrasch en Nimzowitsch, want die hadden we natuurlijk graag gezien! De vorige maal hebben we gekeken naar het Rubinsteinsysteem met 4. e3 en naar het Sämischsysteem met 4. a3, ook in combinatie met 4. e3.

4. Dc2

Een van de belangrijkste moderne bestrijdingswijzen tegen het Nimzo-Indisch. Wit wil voorkomen dat hij met een dubbelpion komt te zitten. Zijn strategie is er op gebaseerd om met a2-a3 de loper op b4 tot een verklaring te dwingen om na … Lxc3 met de dame op c3 te kunnen terugnemen. Hij beschikt dan over het loperpaar zonder dat daar een verzwakking in zijn pionnenstructuur tegenover staat. De witte opzet is logisch maar het kost de nodige tempi. Zwart ontwikkelt snel en probeert soms gebruik te maken van de wat geëxponeerde positie van de witte dame.

Een neutrale zet, waarbij wit veel mogelijkheden in petto houdt. 4. Pf3 Omdat er nu veel overgangen zijn naar andere varianten, die elders besproken worden of die we buiten beschouwing houden, laten we hier ook een verdere opsommig van de mogelijkheden achterwege.

4. f3 Een populair systeem dat grote affiniteit heeft met het Sämischsysteem (4. a3) dat we in de vorige aflevering summier hebben besproken. Wit staat natuurlijk klaar voor de opbouw van een sterk centrum met e2-e4. Het nadeel van deze opzet is echter dat het paard niet naar het natuurlijke veld f3 meer kan. 4…d5 Zwart slaat nu terug in het centrum omdat hij geen zin heeft een dergelijk sterk pionnencentrum toe te laten. 5. a3 Lxc3+ 6. bxc3 We hebben nu een analoog zetverloop als met de Sämischvariant. 6…c5 7. cxd5 Pxd5 Met het terugnemen met het paard geeft zwart zijn tegenstander de vrije hand in het centrum. Toch is de gedachte niet zo gek: hij verstoort de ontwikkeling van wit en hij probeert tegelijkertijd wanorde aan te brengen in het witte kamp. Merkwaardig genoeg is dit wits beste kans op voordeel!

[Een logisch antwoord is om terug te nemen met de pion met 7…exd5 Zwart houdt meer grip op het centrum en hij bevrijdt zijn loper. Toch blijkt in de praktijk dat de hele opzet op de lange termijn in wits voordeel kan werken. Behalve het feit dat hij in het bezit is van het loperpaar zal zwart op de lange duur niet kunnen verhinderen dat wit tot e4 komt. Daarmee brengt wit de meerderheid op de koningsvleugel in beweging. In veel partijen komt hij ook tot e4-e5 gevolgd door f3-f4-f5. De Engelsen noemen een dergelijk plan zo mooi ‘a pawnroller’. Dit alles kan leiden tot een voor zwart levensgevaarlijke koningsaanval. Dat bleek 8. e3 O-O (8…c4 9. Pe2 Pc6 10. g4 O-O 11. Lg2 Pa5 12. O-O Pb3 13. Ta2 b5 14. Pg3 a5 15. g5 Pe8 16. e4 in Anand-Carlsen-2013. In deze scherpe stelling lijkt het erop dat beide spelers hebben gekregen wat ze graag zouden willen. Wit heeft een mooi pionnencentrum opgebouwd en aanvalskansen op de koningsvleugel. Zwart heeft de meerderheid op de damevleugel en hij kan snel met … b5-b4 een vrijpion creëren waarna hij hoopt op een gunstig eindspel. Deze partij eindigde dramatisch met een grove blunder van Anand in een spannende stelling die nog alle kanten op kon. Achteraf bleek wits aanval bijzonder gevaarlijk te zijn en had zwart zich slechts kunnen verdedigen met een paar geniale zetten.)]

8. dxc5!? Wit accepteert een ruïne in zijn pionnenstructuur, maar hij staat nu klaar voor e2-e4 of ook ooit c3-c4. Tegelijkertijd worden de zwakke zwarte velden in het zwarte kamp blootgelegd.

8…Da5 De oudere hoofdvariant, die echter ook meteen een test is voor wits opzet.

[Ook 8…f5 is geprobeerd door zwartspelers. 9. e4 fxe4 10. Dc2 Pd7 (10…exf3 11. Pxf3 is vrij gevaarlijk voor zwart.) 11. fxe4 P5f6 12. c6 bxc6 13. Pf3 Da5 14. Ld2 O-O 15. c4 Dc7 16. c5 Pg4 17. Tc1 Pde5 18. Le2 en nu kwam zwart met het schokkende 18…La6! te voorschijn in een partij Ding-Zhou, 2011. De witte koning raakte verstrikt in een spervuur van zwarte aanvalsstukken. 19. Db3 (De tactische rechtvaardiging is 19. Lxa6 Txf3 20. gxf3 Pxf3+ 21. Kf1 {21. Ke2 Pd4+} 21…Tf8 22. Kg2 Ph4+ 23. Kg1 Tf2 en het mat is onvermijdelijk.) 19…Lxe2 20. Kxe2 Dc8! en zwart won in de aanval.]

9. e4 Pe7 [Kramnik bedient zich liever van 9…Pf6]

10. Le3 O-O 11. Db3 Dc7 12. Lb5 Wit wil graag … a7-a6 provoceren omdat hij dan veld b6 in handen krijgt.

12…Pec6 Gek genoeg is gebleken dat zwart zich zo het beste kan opstellen. [12…Pbc6 13. Pe2 blijkt toch niet zo geweldig voor zwart zoals in de partij Ganguly-Sadvakasov, 2010 bleek.]

13. Pe2 Pa5 14. Db4 e5 15. O-O Pa6 Het lijkt erop dat zwart zich zo kan verdedigen. Na [In een partij Anand-Wang, 2011 kwam wit na 15…Le6 in het voordeel met het interessante stukoffer 16. Pd4 in het voordeel met 16…exd4 17. cxd4]

16. Lxa6 bxa6 is de zwarte dubbelpion weliswaar ook niet zo fraai, maar de aanwezigheid van de ongelijke lopers garandeert zwart goede kansen op gelijkspel.

De zogenaamde Leningradervariant ontstaat na 4. Lg5. Dit is een variant die in de jaren ’70 zeer populair was. Maar de gesloten stelling, die ontstaat na 4…h6 5. Lh4 c5 6. d5 Lxc3+ 7. bxc3 d6 8. e3 e5 bleek in het algemeen zwart nauwelijks te kunnen verontrusten. Deze stelling heeft wat weg van de Hübnervariant (die we in de vorige aflevering tegenkwamen). Het belangrijkste verschil is dat wit zijn loper van c1 al naar buiten heeft gebracht. Dat voordeel wordt een beetje te niet gedaan door de actie … g7-g5 die je in dit type stellingen vaak ziet gebeuren. De loper wordt opgejaagd met tempo en tegelijkertijd houdt zwart de stelling gesloten, hetgeen zijn paarden ten goede komt. Een mooi voorbeeld van deze strategie zien we in een oude partij Williams-Karpov, 1974.

4. g3 Het fianchetto-systeem. Geen ongevaarlijk idee voor zwart dat vooral na 4…c5 5. Pf3 tot een stelling leidt die ook vanuit de volgorde uit het Engels kan ontstaan. We laten deze variant daarom hier buiten beschouwing.

4…O-O

4…c5 5. dxc5 O-O 6. a3 Lxc5 7. Pf3 b6 8. Lg5 Lb7 9. e4 En er is een soort ‘Drierijensysteem’ ontstaan. In een partij Dreev-Sulskis, 2005 kon zwart gelijkspel bereiken, maar kwam door een andere zet daar toch niet zo goed uit.

4…d5 5. cxd5 exd5 [5…Dxd5 6. Pf3 Df5 7. Dxf5 exf5 8. a3 Le7 9. Lf4 c6 Topalov-Anand, 2005.]

5. a3

Consequent: wit wil zo snel mogelijk het loperpaar veroveren en ondertussen kijkt hij hoe zwart gaat ontwikkelen.

5…Lxc3+ 6. Dxc3

6…b6

De meest populaire voortzetting. Zwart beoogt zijn loper op de lange diagonaal te ontwikkelen om daarna met … d7-d6 en … Pb8-d7 zijn stukken zo harmonieus mogelijk in het spel te brengen. Hij houdt nog in het midden of hij met … c7-c5 of met … e6-e5 iets in het centrum gaat doen. De eerste actie ligt meer voor de hand omdat de dame van wit op de c-lijn staat en als zwart een toren op c8 zet, kan die dreigingen over de c-lijn creëren.

Zwart kan proberen het zonder … b7-b6 te gaan spelen en meteen op e5 aansturen. Dat kan bijvoorbeeld met 6…d6 7. Pf3 Te8 8. g3 De7 9. b4 e5 10. dxe5 dxe5 11. Lb2 (zie analysediagram)

hetgeen voorkwam in een partij Karjakin-Alekseev, 2012. Wit heeft zijn zwartveldige loper op b2 een mooie toekomst toegedicht, maar zwart bleek over voldoende tegenspel te beschikken.

Interessant is ook om de witte dame meteen te belagen met 6…Pe4 7. Dc2 f5 8. Ph3 [Uiteraard mag wit het paard niet meteen wegjagen met 8. f3? vanwege 8…Dh4+] 8…d6 9. f3 Pf6 10. e3 Wit gaat eerst zijn ontwikkeling voltooien alvorens hij straks zijn ruimtevoordeel zal proberen uit te breiden. Maar dat geeft zwart de gelegenheid zelf iets in het centrum te gaan ondernemen. [Men kan zich natuurlijk afvragen waarom wit hier niet meteen het pionnencentrum in handen neemt met 10. e4 Het is nog nooit gespeeld (op hoog niveau) en de reden is dat zwart na 10…Pc6! 11. Le3 fxe4 12. fxe4 Pg4! meteen een overweldigend initiatief in handen krijgt. Bijvoorbeeld: 13. Lg1 (13. Lg5 De8) 13…Dh4+! en nu faalt 14. g3 op 14…Txf1+!]

10…e5 11. dxe5 dxe5 (zie analysediagram)

Dit is een stelling die uit veel partijen bekend is. Wit heeft het loperpaar, zwart echter meer ruimte. Daarbij is het plan … f5-f4 om veld d4 te veroveren voor het zwart dame-paard niet onbelangrijk. Daar staat tegenover dat wit zijn zwartveldige loper misschien een belangrijke rol over de lange diagonaal kan laten vervullen. Dit alles belooft een spannend gevecht te worden! Een voorbeeld: Alterman-Gofshstein 1999.

7. Lg5 Lb7

8. f3

Vooral onder invloed van gedegen onderzoekingen van Kasparov werd dit jarenlang de meest principiële zet. De eerste bedoeling is dat zwart geen gebruik kan maken van veld e4 voor een stuk. Zijn loper op b7 staat nu op ‘graniet’ te bijten. De tweede gedachte is dat wit door het tempo e2-e3 uit te sparen met meteen e2-e4 het pionnencentrum in handen kan nemen. Hij neemt het feit dat hij niet meteen kan ontwikkelen op de koop toe, maar juist daarin schuilt voor zwart de enige kans om niet met groot nadeel uit dit openingsgevecht te voorschijn te komen. Want als zwart nu ‘te slap’ speelt is het strategische nadeel te groot als wit zijn ontwikkeling zonder slag of stoot helemaal voltooid zou hebben.

8. Pf3 De wat oudere zet. Wit gaat nu werk maken van het voltooien van zijn ontwikkeling. Het grote nadeel is dat hij in de nabije toekomst minder invloed kan uitoefenen op het belangrijke centrumveld e4. In veel gevallen zien we dat zwart (nadat de dame van de diagonaal d8-h4 is weggespeeld) met … Pf6-e4 gevolgd door … f7-f5 of zelf met … Lb7-e4 en dan … d7-d5 een stevige centrumpositie inneemt. Desondanks heeft wereldkampioen Magnus Carlsen de zet een paar gespeeld. Zijn idee is om het paard naar d2 terug te spelen en dan pas met f2-f3 en e2-e4 te komen. We bekijken 8…d6 9. Pd2 Pbd7 10. f3 h6 11. Lh4 Tc8 [11…c5 komt vaker voor.] 12. e4 c5 13. Ld3 d5 14. exd5 exd5 15. O-O (zie analysediagram)

15…dxc4 [15…cxd4 is door Kramnik gespeeld.] 16. Lxc4 cxd4 17. Dxd4 Pc5 en zwart wist zijn iets mindere eindspel in de partij Carlsen-Anand, 2011 tot een goede einde te brengen.

8…h6 Het is altijd lastig om in te schatten of het inlassen van … h7-h6, Lg5-h4 nu gunstig voor zwart is of niet maar meteen 8…d5 is ook vaak gespeeld.

9. Lh4 d5

Het is nu of nooit! Zwart mag de vorming van het sterke pionnencentrum niet toelaten. Kasparov ging nu meestal verder met

10. e3

en hij won hier in 1998 een mooie partij mee van Kramnik. Die ging het systeem toen maar met wit spelen en hij won daar vele partij mee! 10. cxd5 is een tijdlang in de mode geweest. 10…exd5 Wit dwingt min of meer het slaan met de pion af en hoewel f2-f3 nu een lelijke zet lijkt (vanwege de zwakte van veld e3) bereikte wit eind jaren ’80 toch vaak een prettig voordeeltje. Tegenwoordig staat het te boek als ongeveer gelijk. Zie de partij Van Wely-Grischuk, 2007.

10…Pbd7 11. cxd5

En nu dan deze ruil. Waarom het hier beter getimed is, zullen we weldra zien. Ook het wat ‘kromme’ 11. Ph3 is hier ooit geprobeerd.

11…Pxd5

De beste reactie, zo is door schade en schande duidelijk geworden.

11…exd5 12. Ld3 Te8 13. Pe2 c5 14. O-O De7 15. Lf2 Tac8 16. Dd2 Pf8 in een partij Kharitonov-Alekseev, 2005 behaalde zwart wel gelijkspel. [16…Lc6 kwam voor in Kasparov-Timman, 1993 en dat liep niet helemaal goed af voor zwart.]

12. Lxd8

Er is geen alternatief.

12…Pxc3 13. Lh4 Pd5 14. Lf2

14…c5

De meest logische voortzetting. Zwart moet iets doen met zijn ontwikkelingsvoorsprong omdat anders wit snel zijn stukken in het spel brengt en hij mag bogen op het loperpaar. Ook 14…f5 is uitgeprobeerd door de ‘kanonnen’. Zo was Karpov met zwart dichtbij de winst in zijn partij tegen M. Gurevich in 1991.

15. e4 Ook 15. Lb5 is relatief vaak gespeeld.

15…Pe7

Het voortschrijdend inzicht heeft geleid tot deze zet.

16. Pe2

Wit probeert eerst zijn paard naar het strijdtoneel te brengen, alvorens hij zijn koningsloper aan het spel laat deelnemen. De bedoeling is om met Pe2-c3-b5 onrust te stoken in de zwarte gelederen. Het inleveren van het loperpaar met 16. Lb5 Lc6 17. Lxc6 Pxc6 belooft wit heel weinig, zoals ook bleek na 18. Pe2 cxd4 19. Pxd4 Pxd4 20. Lxd4 Tac8 want in Topalov-Leko, 2002 werd het spoedig remise.

16…f5!?

Na zijn debacle tegen Kramnik, speelde Leko deze zet een jaar later in een voorbeeldige partij tegen Gurevich.

Peter Leko: een modelpartij tegen Mikhail Gurevich (Foto Jos Sutmul-ler)

Meer gespeeld werd 16…Tac8 maar na het concept van Kramnik in zijn partij tegen Leko in 2005, worden er nu andere wegen bewandeld. De Rus had het idee opgevat om zijn koning naar de damevleugel te wandelen en daar later met Pc3-b5 de zaak onder druk te gaan zetten. Dat plan voerde hij als volgt uit: 17. Pc3 cxd4 18. Lxd4 Pc5 19. Td1 Tfd8 20. Le3 Txd1+ 21. Kxd1 e5 22. b4 Pe6 23. Kc2 Pc6 24. Kb2 Kf8 25. Lc4 Pcd4 26. Lxe6 Pxe6 27. Pb5 Ta8 28. a4 en nu ging Leko de fout in met 28…La6?! [Krasenkow beweert in zijn analyse dat zwart de schade beperkt houdt met 28…Lc6 om nu het antwoord Pb5-a3-c4 (dat in de partij op het bord kwam) verhinderd is.]

17. Pg3 fxe4 18. fxe4 cxd4 19. Lxd4 Tac8 20. Td1 Tfd8

en hij bereikte moeiteloos gelijkspel.

Belangrijkste illustratieve partijen:

  • Carlsen-Anand, 2013
  • Kasparov-Kramnik, 1998
  • Topalov-Leko, 2002
  • M. Gurevich-Karpov, 1991
  • Kramnik-Leko, 2006
  • M. Gurevich-Leko, 2007

Geraadpleegde bronnen:

– ‘De wereld van de schaakopening’ deel 1 van Paul van der Sterren

– Megadatabase van Chessbase

Reageren? Stuur een e-mail naar .

De illustratieve partijen via de viewer:

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.