Begrijp wat u doet: Het Engels 1

De Engelse opening (kortweg Het Engels) mag zich de laatste jaren verheugen in een toenemende belangstelling onder de topspelers. Als de wereldkampioen het gaat spelen, volgen er snel meer spelers. In ons land hebben we onze wereldkampioenskandidaat Anish Giri die ook regelmatig het Engels op het bord brengt.

1. c4

Het begin van de Engelse opening. Uiteraard kan het spel altijd nog terecht komen in een andere opening, maar de laatste jaren zien we in de wereldtop dat zwart met

1…e5

kiest voor het Siciliaans met verwisselde kleuren. Dat lijkt eigenlijk vreemd omdat het Siciliaans met zwart tegen 1. e4 een goede reputatie heeft. Dat het met een tempo meer dan nog beter zou zijn, blijkt niet waar te zijn. Sterker nog: als zwart niet te veel wil, kan hij vaak vrij comfortabel stelling krijgen.

Het symmetrisch Engels. 1…c5 Omdat dit zo afwijkend is van de varianten na 1… e5 behandelen we dit in de volgende aflevering.

A) Hier is de zogenaamde Grünfeldmethode met ..d5 is niet onbelangrijk. 3. cxd5 Pxd5  (zie analysediagram)

analysediagram

Anish Giri (foto Frans Peeters)

Behalve 4. g3 kan wit nu ook overgaan naar een soort Grünfeldstelling met 4. e4 en nu ontstaat er een splitsing waar wat vreemde stellingen tussen zitten.

A1) De stelling na 4…Pb4!? is een vreemde eend in de bijt.

1) 5. d3 heeft iets weg heeft van een Svesnikov met verwisselde kleuren.

2) 5. Lc4 en nu:

2a) 5…Pd3+ 6. Ke2 Pe5 7. Lb5+ c6 kan ook voor zwart;

2b) Hier werd ooit 5…Le6!? geprobeerd. Na 6. Lxe6 Pd3+ 7. Kf1 fxe6 heeft wit de rokade moeten opgeven en het paard op d3 valt bijna niet te verdrijven.

A2) 4…Pxc3 5. bxc3 kan een Grünfeld-Indiër worden. (5. dxc3 Dxd1+ 6. Kxd1 was een tijdje mode onder de strategen. Maar wit blijkt toch vrij weinig te kunnen ondernemen als zwart zich opstelt met … e7-e5 en … f7-f6.)

 

B) Een zelfstandige betekenis heeft het systeem na 1…Pf6 2. Pc3 e6 Meestal antwoordt wit nu met 3. e4  (zie analysediagram)

analysediagram

 

B1) 3…c5 leidt tot een pionoffer waar wit enorme compensatie voor krijgt. 4. e5 Pg8 5. Pf3 Pc6 6. d4 cxd4 7. Pxd4 Pxe5 8. Pdb5 Zwart heeft een pion verdiend, maar de prijs die hij ervoor betaalt is dat hij veld d6 (én zijn zwartveldige loper) moet inleveren. 8…a6 ( 8…f6 9. Le3 a6 10. Pd6+ Lxd6 11. Dxd6 Pe7 12. Lb6 Pf5 13. Dc5 is bekend uit een oude, maar zeer leerzame partij Kasparov-Beliavsky, 1991.)

 

B2) Principiëler is 3…d5 4. e5 d4 5. exf6 dxc3 6. bxc3 Dxf6  (zie analysediagram)

analysediagram

  1. d4 [De laatste jaren speelt men 7. Pf3 e5 8. Ld3!? Ld6 ( 8…Pa6 9. O-O Ld6 10. Lc2 Lg4 11. d4 Aronian-Naiditsch, 2013.) 9. O-O O-O 10. Le4 Pc6 Bareev-Rozentalis, 2000.]

7…c5 8. Pf3 h6 9. Ld3 Pc6 10. O-O Ld6 11. Le3

2. Pc3 We laten andere zetten zoals 2. g3 even buiten beschouwing.

2…Pf6

A) Uiteraard is ook hier 3…f5 weer een idee om na 4. Lg2 Pf6 te spelen. De nodige sterke spelers laten zich met wit en met zwart op deze stelling in.

B) Ook mogelijk is ..Pc6 en als zwart kiest voor deze volgorde, heeft hij meestal een ander idee in petto dan het ingaan op het vierpaardenspel. De belangrijkste doelstelling is om de ontwikkeling van Pg8 uit te stellen om eerst … f7-f5 te spelen (zoals in het Hollands). Dat kan soms meteen of na voorbereidende zetten als … g7-g6 en … Lf8-g7. 3. g3 Wit zet, analoog aan het Gesloten Siciliaans met verwisselde kleuren, zijn loper op de lange diagonaal en houdt in het midden welke opstelling hij weldra gaat innemen.

 

Een directere poging om in het voordeel te komen is met 3. Pf3 f5 4. d4 e4 5. Pg5 ( 5. Lg5 speelde ik zelf ooit, maar het blijkt niet zoveel op te leveren.) 5…Pf6 6. e3 (Ook direct 6. Ph3 wordt soms gespeeld. Om het plan met … g7-g5 eruit te halen kan wit ook eerst 6. h4 spelen. Dit leidt vaak tot interessant spel zoals in Inarkiev – Leitao, 2013.) 6…h6 7. Ph3 g5  (zie analysediagram)

analysediagram

In een partij Kortschnoj-Nikolic, 1997 kwam zwart in het voordeel en dat buitte hij fraai uit.

 

  1. C) ..g6 4. Lg2 Lg7  (zie analysediagram)

analysediagram

Dit is opnieuw een sleutelstelling waarin vooral de witspeler een keuze moet maken over zijn opzet. De meest gespeelde zet is 5. e3 maar ook veel andere opstellingen zijn ook mogelijk. De alternatieven zijn: 5. d3; 5. e4 en 5. Tb1.

 

5…d6 6. Pge2 Le6 7. d3 Dd7  (zie analysediagram)

analysediagram

Anish Giri (foto Frans Peeters)

en nu kan de strijd gaan beginnen. Wit speelt in principe op de damevleugel of in het centrum. Wit wil graag met Ta1-b1, b2-b4-b5 ruimte creëren op de damevleugel, vooral om de diagonaal van zijn loper op g2 te verlengen. Wil hij dat inderdaad voor elkaar krijgen, zal hij die loper dus niet moeten laten ruilen! Maar in een aantal partijen zien we ook dat wit beoogt om zijn pionnen op wit te gaan zetten (bijvoorbeeld met e3-e4) en dan is de ruil van die loper juist wel weer goed. Hier zien we een mooi voorbeeld van planmatig schaak: het gaat erom goed te bepalen wat je wilt. Zwart zal zijn heil moeten zoeken op de koningsvleugel. Hij heeft twee type acties tot zijn beschikking. De opmars met … f7-f5 om ooit tot … f4 te komen of met … h7-h5.

Ook 2…f5 waarmee zwart het spel in een soort ‘Hollands banen’ wil gieten, behoort tot de mogelijkheden,

3. Pf3 Pc6

Het zogenaamde vierpaardenspel dat het uitgangspunt is van veel onderzoekingen. In deze stelling kan wit ook voor andere opstellingen kiezen.

4. g3

Het meest populair is de ‘versnelde Draak’ in de voorhand.

Interessant is om er een soort Taimanov met een tempo meer van te maken. De antidote voor zwart ligt verscholen in de op het oog wat merkwaardige afwikkeling na 4. e3 Lb4 5. Dc2 Wit wil de dubbelpion op c3 vermijden, maar daarmee verliest hij tijd. 5…Lxc3 Zwart ruilt vrijwillig op c3! [ In de jaren tachtig was 5…O-O de normale zet. Maar daar had de Britse GM Raymond Keene een prachtig idee op bedacht: 6. Pd5 Te8 7. Df5!?  (zie analysediagram)

analysediagram

Een krankzinnige zet om een verzwakking in het zwarte kamp af te dwingen. Ik heb hier een aardig artikeltje over geschreven: Afscheid van pure schoonheid.

).] 6. Dxc3 De7 Het idee is dat de witte dame wat geëxponeerd is komen te staan waar zwart met 7. a3 d5 8. cxd5 [ Ook 8. d4 is hier een mogelijkheid.] 8…Pxd5 van profiteert. 9. Db3 [ 9. Dc2? e4 is heel slecht voor wit.] 9…Pb6 10. d3  (zie analysediagram)

analysediagram

10…O-O [ Volgens mij is 10…a5 nog nauwkeuriger: zwart kan veld b3 vastleggen met … a5-a4.] 11. Le2 [ Vanuit deze volgorde had wit een soort Drierijensysteem kunnen innemen na 11. Dc2 a5 12. b3 dat in principe niet zo slecht voor hem is, vanwege het bezit van het loperpaar.] 11…a5 en zwart staat zeer comfortabel.

Een oud systeem, niet zonder gevaar voor zwart, is 4. d4 exd4 5. Pxd4 Lb4 6. Lg5

Onder het motto: Siciliaans met een tempo meer kan nooit slecht zijn, wordt hier ook 4. a3 gespeeld.

4…d5

Niet onbelangrijk is 4…Lb4 een zet die op het repertoire van de toenmalige wereldkampioen Karpov stond. 5. Lg2 O-O Er zijn tenminste al drie belangwekkende partijen uit de match tegen Kasparov in 1987 waarin dit systeem op het bord kwam.

Recentelijk vindt men 4…Lc5 aantrekkelijk worden voor zwart. 5. Lg2 d6 6. O-O O-O  (zie analysediagram)

analysediagram

7. d3 Zwart beoogt om zijn zwartveldige loper (na … a6) op te bergen op a7. Vervolgens treft hij voorbereidingen om vuist te maken op de koningsvleugel. Dat kan mogelijk met een keer … f7-f5-f4, maar ook door het paard van c6 via e7 om te spelen naar de koningsvleugel. Terwijl wit zijn heil zoekt op de damevleugel kan zwart soms proberen om met … c7-c6 gevolgd door … d6-d5 ook het centrum in handen te nemen. In sommige partijen komt de loper via a7 en b8 om het hoekje kijken. Een mooi voorbeeld hiervan is de rapidpartij Cvitan-Fedorchuk, 2013.

7.cxd5 Pxd5 6. Lg2 Pb6

De basisstelling van dit systeem dat heel populair is bij de wereldtop. Dat behoeft wel enige uitleg. Want hoewel je als witspeler nu als het ware met zwart zit te spelen, een tempo extra kan op hoog niveau toch een groot verschil uitmaken. Dat blijkt in dit type stelling mee te vallen. De varianten uit de ‘Oude Draak’ zijn volgens de theorie niet zo veelbelovend, dan maakt een extra zet meestal ook niet zoveel verschil. Het betekent wel dat de zwartspelers in deze stelling niet zo heel ambitieus mogen worden. Zwart moet overigens het paard van d5 om twee redenen terugtrekken. Er dreigde Pxe5 en ook d2-d4 moet verhinderd worden. Dat laatste is een belangrijk thema. Als wit (zonder slag of stoot) tot die zet kan komen, heeft zwart een probleem. Een algemene wet in het Siciliaans (met zwart) is: als zwart tot … d6-d5 komt, bevrijdt hij meestal zijn spel en komt dan in het voordeel.

7. O-O

De meest neutrale voortzetting. In deze stelling heeft wit ook van allerlei varianten, die vaak op hetzelfde neerkomen, maar soms toch een zelfstandige betekenis kunnen hebben. Zo zijn er 7. a3, 7. d3 terwijl er achter 7. Tb1 zit een apart verhaal, dat bij de aantekeningen van de volgende zet wordt besproken.

7…Le7

De meest natuurlijke zet. Wit bevrijdt zijn dameloper en maakt zich op om zijn spel te richten op veld c5. Dat kan bijvoorbeeld door Lc1-e3, Ta1-c1, Pc3-e4 en dan staat hij klaar om een stuk naar c5 te spelen. Ook direct 7…Le6 is mogelijk.

8. d3

Een interessant idee is nu 8. Tb1 bedacht door Julian Hodgson. Wit dreigt onmiddellijk b2-b4 te spelen. Dat komt omdat pion e5 onder omstandigheden gaat hangen. 8…a5 [8…O-O 9. b4 zie Kasparov-Timman. Het grappige is dat een speler als Kortchnoi vond dat een dergelijke vroegtijdige flankaanval hard aangepakt moest worden. En dan liefst met een eigen flankaanval. En dus speelde hij het avontuurlijke 8…g5 De Zwitser was er succesvol mee tegen Serper in 1993.

9. d3 Waarschijnlijk de sterkste zet.

[9. b3 bleek redelijk voor zwart in Agrest-Georgiev; 9. a3 is hier de meest consequente zet, maar zwart kan b4 nu wat makkelijker toelaten. 9…O-O 10. b4 Lf5 11. b5 Pd4 12. d3 Pxf3+ 13. Lxf3 Tb8 bleek bevredigend te zijn in de partij Pevzner-Schwarzman.]

9…O-O 10. Le3 Le6 met een normale stelling. Modelpartij: Gabriel-Georgiev.

Een zelfstandige betekenis heeft de variant na 8. a3 O-O Zwart laat b2-b4 toe. De reden wordt dadelijk duidelijk. [ Zwart kan uiteraard hier b2-b4 verhinderen, maar het heeft ook nadelen om … a7-a5 te spelen. 8…a5 9. d3 O-O 10. Le3 met overgang naar andere varianten.] 9. b4 Le6 10. Tb1  (zie analysediagram)

analysediagram

Deze zet eist een verklaring. Na wits laatste zet staat wit wel klaar voor b4-b5.

[Voor de hand ligt 10. b5 Pd4 11. Tb1 (maar nu faalt 11. Pxe5?? op 11…Lb3 en zwart wint.) 11…f6 en de stelling komt weer terecht in bekende patronen.]

10…f6 11. d3 a5 Zwart tast nu de witte damevleugel aan, de meest populaire speelwijze. 12. b5 Pd4 13. Pd2 [ Niets bijzonders voor wit is 13. Pxd4 exd4 14. Pa4 Ld5 Wit kreeg weliswaar de betere pionnenstructuur in de partij Janssen-Tiviakov, maar zwart de enige open lijn in handen. Die laatste factor bleek beslissend te zijn.] 13…Dc8

[Wat obscuur maar zeker speelbaar is 13…Ld5 14. Pxd5 Pxd5 15. Lb2 a4 Zie Van Hoolandt-Cheparinov. Het is overigens oppassen geblazen! Een bekende tactische blunder is hier: 13…Pd5??  (zie analysediagram)

analysediagram

Kijkt u eventjes zelf. Ziet u hoe wit nu kan winnen? 14. Lxd5! deze opmerkelijke ruil (wit geeft die sterke loper voor een paard) is door veel mensen niet opgemerkt. 14…Lxd5 15. e3 en wit wint een stuk! Ook 13…c6 behoort tot de mogelijkheden.]

14. e3 Pf5 15. Dc2 Td8 16. Lb2 a4 Een belangrijke partij (met analyse en instructieve uitleg van Carlsen zelf) om te bestuderen is de partij Carlsen-Kramnik.  Hoe het ook voor zwart zou kunnen is 16…Ph6 Van Wely-Tiviakov, 2006 die door zwart later gewonnen werd.

8…O-O 9. Le3

Het gangbare idee in deze stelling. Wit maakt zich op om een stuk op veld c5 te posteren. De reden is dat hij over de halfopen c-lijn druk wil gaan uitoefenen. Het paard op c6 kan dan later aan de tand gevoeld gaan worden met de opmars van de b-pion. Daardoor wordt ook de druk in het centrum verhoogt  (pion e5). Als het paard van c6 verjaagd is, gaat de bevrijdende opmars met d3-d4 tot de mogelijkheden behoren. Uiteraard kan ook in deze stelling 9. a3 weer. 9…Le6 10. b4 Pd4 11. Lb2 Pxf3+ 12. Lxf3 c6 geeft een goed beeld van hoe zwart zijn openingsproblemen de baas moet worden. Hij heeft zijn paard van c6 kunnen wegspelen zodat hij een opstelling met … c7-c6 kan innemen, gericht tegen de loper op f3. Modelpartij: Gurevich (zelf een specialist met zwart) tegen Shirov in 2000.

9…Le6 Vermoedelijk is 9…f5 hetgeen vroeger redelijk wat gespeeld werd, iets te ambitieus voor zwart.

10. Tc1

10…f6

De meest gekozen voortzetting. Zwart versterkt zijn eigen centrum, zodat hij de handen vrij krijgt om zijn stukken te spelen. Zwarts belangrijkste plan is om de kracht van de loper op g2 in te perken. Ook dient hij zich te verdedigen tegen operaties van wit die voornamelijk over de c-lijn zullen plaatsvinden. Op de lange termijn kan hij met … f6-f5 en dan mogelijk met … f5-f4 of met … e5-e4 proberen op aanval te spelen of het initiatief te grijpen.

11. a3 Voor de hand ligt nu ook 11. d4 omdat deze belangrijke opmars plotseling mogelijk geworden is. Toch valt het tegen voor wit. Na 11…exd4 12. Pxd4 Pxd4 13. Lxd4 c6 heeft zwart het probleem van zijn probleempaard  (het paard op c6) en de druk over de lange diagonaal h1-a8 opgelost. Zwart staat heel comfortabel hier.

11…Pd4

Het gebruikelijke plan voor zwart. Ook het voltooien van de ontwikkeling met 11…Dd7 behoort tot de mogelijkheden. In een partij Khasin-Smirin, 1997 maakte zwart op zijn sloffen remise.

12. Lxd4 Een alternatief is 12. Pe4 maar na 12…Lb3 13. Dd2 Pxf3+ 14. Lxf3 Ld5 had zwart in Ivanchuk-Kramnik, 2009 het grootste gedeelte van zijn problemen overwonnen.

12…exd4 13. Pe4

kwam op het bord in twee partijen van Movsesian die hij allebei wist te winnen. De een, een rapidpartij tegen Cheparinov, de tweede in een partij met het klassieke tempo tegen Cernousek, allebei in 2013.

 

 

Belangrijkste illustratieve partijen:

  • Kasparov-Beliavsky, 1991.
  • Aronian-Naiditsch, 2013.
  • Kortschnoj-Nikolic, 1997.
  • Kasparov-Karpov, 1987 (3x)
  • Cvitan-Fedorchuk, 2013.
  • Kasparov-Timman 2001.
  • Serper- Kortschnoj, 1993.
  • Agrest-Georgiev, 2003.
  • Pevzner-Schwarzman, 1993.
  • Gashimov-Gelfand, 2011.
  • Gabriel-Georgiev, 1995.
  • Janssen-Tiviakov,  1997.
  • Van Hoolandt-Cheparinov, 2004.
  • Wely-Tiviakov, 2006.
  • Carlsen-Kramnik, 2009.
  • Gurevich-Shirov, 2000.
  • Khasin-Smirin, 1997.
  • Ivanchuk-Kramnik, 2009.
  • Movsesian-Cheparinov, 2013.
  • Movsesian- Cernousek, 2013.

 

Geraadpleegde bronnen:

–        Megadatabase van Chessbase

 

Eerdere afleveringen van deze rubriek, waarbij u de illustratieve partijen interac­tief kunt naspelen en downloaden, treft u aan in dit Overzicht “Begrijp wat u doet”.

 

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.