Een eigenzinnig schaakdidacticus

Recensie van Alexey Dreevs Improve Your Practical Play in the Middlegame (2018).

Een eigenzinnig schaakdidacticus

Toen ik voor het eerst de titel Improve Your Play in the Practical Middlegame (2018) zag, wist ik dat de auteur van het werk, Alexey Dreev, uitermate creatief moest zijn geweest. Niet alleen verraadt de titel een eindeloos interessant onderwerp – want over het eindspel en de opening is al veel te veel in omloop –, maar de titel was ook dermate oncreatief, dat de inhoud er wel voor móest compenseren. Toegegeven, de titel is dan wel een niet echt pakkende beschrijving, ze heeft wel een enorme aantrekkingskracht. Recht voor z’n raap. Praktisch middenspel: dat gaan we leren.

De kracht van het boek is haar eigenzinnigheid. De methode van schaakdidactiek heeft wat Dreev wat betreft te veel rond esthetiek gehangen. We zien veel mooie en unieke varianten en stellingen, zodat daarvan de toepasbaarheid minder snel duidelijk is. Het wekt de suggestie, stelt Dreev, dat schaken vooral uit mooie combinaties bestaat. Dat kan helpen om iemand voor het spel te interesseren, maar het kan tegelijk teleurstelling opwekken als de speler geconfronteerd wordt met de werkelijkheid van het schaakspel. Die werkelijkheid is vaak tergend: hard werken voor kleine voordeeltjes. Schaken, zegt Dreev, is vaak work in progress.

 

En ik denk dat we hem daarin gelijk moeten geven. Anderszins is het wel een specifiek probleem van de materie in dit boek. Het lijkt erop dat Dreev zijn behandeling van deze stof wil rechtvaardigen door erop te wijzen dat goed schaken aankomt op details. Dat klopt, maar wat werkverdeling betreft kunnen de mindere goden zich misschien liever eerst over ander werk buigen dan over dit boekje van Dreev. Dat gevoel wordt onderstreept door de indeling van de hoofdstukken. We beginnen gelijk met twee zeer abstracte hoofdstukken: die over zetten naar achteren, en die over verdediging. Dreev heeft gelijk dat we een bias hebben om naar vóren te denken en te willen zetten. Maar om de lezer bij de hand te nemen kan hij daarom zijn boek juist misschien beter beginnen met minder tergende, tegen-intuïtieve of simpelweg lastige onderwerpen. Verderop komen we namelijk het hoofdstukje pionoffers tegen – dat is nog eens pittig! Dat wil zeggen: lastig, maar óók spannend.

 

De opbouw, met voorbeelden

Sterk aan het boek is verder dat het weliswaar tegendraads is, maar toch universele stelregels probeert te formuleren. Elk hoofdstuk wordt ingeleid met een stukje waarin de relevantie ervan wordt toegelicht en de precieze bruikbaarheid van een onderwerp in het praktische middenspel (het hoofdconcept in het boek, waarmee Dreev verwijst naar de situatie waarin de speler aan zichzelf is overgeleverd nadat de bekende of minder bekende openingszetjes gespeeld zijn). Verderop in het hoofdstuk worden dan antwoorden geformuleerd op de vragen die men zich aan de hand van die introductie zou kunnen stellen. Oké, zetten terug zijn niet-standaardoplossingen die tonen dat het schaken niet volkomen met voorbedachten rade tot een glorieus einde kan worden gebracht, bijvoorbeeld door almaar stukken toe te voeren richting hun einddoel – de vijandelijke koning. Maar zijn die zetten dan altijd goed als ze mogelijk zijn? En welke verschillende rollen kan een zet terug spelen? Laten we een voorbeeld bekijken.

 

Dreev bespreekt deze stelling, die hij tot twee keer toe bereikte tegen de Franse grootmeester Romain Edouard, als een mooie casus voor het nut van zetten naar achteren.]

 

1.Pe1?! een zet terug op het verkeerde moment! Nu kan zwart op tijd ingrijpen om te voorkomen dat wit actief wordt. Nu had zwart de kans om 1…Pg4! te spelen. Na 2.f3 (op 2.Pd3 komt Pb4) volgt 2…Pe3 en zwart kan paarden ruilen, zodat wit geen momentum kan opbouwen, terwijl zwart de ietwat actievere stelling overhoudt.

 

1…Lb4?! was het vervolg van de eerste ontmoeting tussen de meesters. Dreev won, ondanks dat hij zijn zet in de volgende ontmoeting bijstelde. 2.Pc4 Lxe1 3.Pxb6 Lxf2+ 4.Dxf2 cxb6 5.Df5 Dd6 6.La3 Dxa3 7.Txc6 en 1–0 na 29 zetten. Dreev,A (2697)-Edouard,R (2600) Aix les Bains 2011.

 

Terug naar de beginstelling. Juist was het logische 1.Pc4. 1…Tbb8 2.Pe1! nu wordt het paard na 2…Pg4 gewoon teruggeschopt met 3.f3. 2…Tfe8 3.f3! sowieso een bekrachtigende zet, maar in verband met het plan om het paard naar d3 te brengen is deze zet aardig, omdat ze het veld f2 voor het paard vrijmaakt. (3.Pd3?! Pb4) 3…h6 4.Pd3 Pb4 5.Pf2 de paardmanoevre is sterk, omdat het zwarte paard nu naar b4 ‘gelokt’ is, zodat wit kan gaan uitbreiden op de damevleugel. Als zwart afwacht verbetert wit langzaam zijn stelling om alsnog uit te gaan breiden 5…Db5 6.a3 Pc6 7.b4 Lf8 8.Pd3.

 

Wat kunnen we concluderen? Chapeau als je de zet vindt, maar de onmiddellijke uitvoer is niet altijd de beste. Elk plan, ook die met zetten naar achteren, moet afgestemd zijn op de mogelijkheden van je tegenstander.

 

Een ander voorbeeldje, ditmaal uit het hoofdstuk over vergelijken van schijnbaar gelijkwaardige alternatieven.

 

Deze stelling komt uit Nguyen – Dreev (2013) en wordt gebruikt onder het hoofdstukje over de vergelijking. De vraag is: welke toren moet naar c8 en hoe bepaal ik dat? 1… Tfc8?! niet deze! Hoewel de zet logisch lijkt, omdat zwart op de damevleugel wil spelen, werkt de zet om een tactische reden niet. Dat zien we aan de manoeuvre die wit in het vervolg uitvoert. 2. a3 om Pb4 eruit te halen. 2…h6!? 3. Pa4 dit is de genoemde manoeuvre. Zwart moet nu zijn stelling verzwakken. 3…b6 veld a6 wordt nu zwak en daar kan wit gelijk gebruik van maken. 4. La6 Tc7 5. Pc3 +/=.

 

Terug naar de beginstelling. 1… Tac8 is de juiste! 2. Pa4?! wil wit nu dezelfde variant uitvoeren, dan faalt dat op: 2…Pxd4! nu heeft zwart een tussenzet na Txc8 – in de andere variant stond zwart dan schaak! 3. Lxh7+ □ Kxh7 4. Dxd4 Lxa4 5. Dxa4 a6=.

 

Om de juiste keuze te maken, heeft zwart dus een inschatting moeten maken van de witte plannen en zijn eigen middelen om tegen dergelijke plannen te verdedigen, inclusief een tactische mogelijkheid van de stelling.

 

Opgaven

Elk hoofdstuk eindigt dan ook nog eens met opgaven, waarvan de antwoorden ook gegeven zijn. Hierover moeten we eerst sceptisch zijn; als Dreev juist heeft gezegd dat de stellingen vaak onduidelijk zijn, dat schaken work in progress is, hoe kunnen we dan opgaven maken die genoeg uitsluitsel geven om van didactisch nut te zijn? Inderdaad. Sommige opgaven zijn duidelijker dan andere. Maar dit hoeft geen probleem te zijn, Dreev kan het argument gebruiken dat dit nu eenmaal de aard van het schaken is, en dat we juist ook die lastige stellingen moeten bestuderen zonder dat er een vastomlijnd antwoord is. Oordeelt u voor uzelf of dat uw tijd op dit moment in uw schaakcarrière waard is. Ik zou zeggen dat het boek in ieder geval een lezing waard is om haar tegendraadsheid en de hoeveelheid praktische voorbeelden.

 

Twee voorbeelden waarmee u zelf mag worstelen:

 

Hoe kan wit hier zwarts laatste zet, 30… De7-g5, afstraffen? Uit: Mamedov – Lopez Marinez, hoofdstuk pionoffers.

 

Zwart gaat b6-b5 spelen, waarna de stelling doodbloedt. Kan wit de zaak nog opschudden met een leuk offer? Uit: Tiviakov – Van der Weide, hoofdstuk gevaar en initiatief.

 

Conclusie

De voorbeelden zijn niet altijd even helder, de analyses niet altijd even uitgebreid toegelicht. Dat komt onder meer omdat Dreev échte schaakvoorbeelden wil, dat wil zeggen, die het schaken tonen in haar zijn als work in progress. Stellingen zijn gewoonweg niet altijd even duidelijk. Het is juist de opdracht van een praktisch schaker om ingewikkelde stellingen enigszins naar de hand te zetten, zonder dat de engine daarbij altijd direct moet omslaan. Zoals Dreev zegt: “chessplayers of a high level understand that it is not necessary to make only the strongest moves” (2018, 74). Veel belangrijker is het dat je je tegenstander aan het denken zet. Natuurlijk gebeurt dat vaak door de sterkste zetten te spelen, maar niet altijd. En daarom kan de keuze voor een zet meerdere overwegingen de revue laten passeren dan alleen maar de vraag of een zet inderdaad ‘de sterkste is’, aangenomen dat een mens ooit dat oordeel zou kunnen vellen.

 

Om te herhalen: lees dit boek vooral, pak er eens een onderwerp uit en maak een enkele opgave. Dan haal je het meeste uit het werk. Een bekendmaking met atypisch studiemateriaal – over typisch lastige schaakstellingen!

 

____________________________________________________________________________________________

DREEV, Alexey (2018), Improve Your Practical Play in the Middlegame (Landegem: Thinkers Publishing).

Een fragment: www.newinchess.com/media/wysiwyg/product_pdf/7839.pdf

Verkrijgbaar via Thinkers Publishing voor slechts €25,50: www.thinkerspublishing.com/webshop/2018/39-improve-your-practical-play-in-the-middlegame.html

Het overzicht van alle recensenten met hun recensies staat hier.

Over Daniël Zevenhuizen

Student Filosofie in Nijmegen en Rotterdam, gestationeerd in de eerste. Gediplomeerd trainer, redacteur boekenrubriek, liefhebber van het spel. Vooralsnog gestrand op de zandbank tussen 2100 en 2200 elo.

Alleen geregistreerde kunnen een reactie achter laten.