Het keerpunt van Hans Ree

Het Nieuw Archief voor Wiskunde is het tijdschrift voor de leden van het Koninklijk Wiskundig Genootschap, de vakvereniging van Nederlandse wiskundigen in de breedste zin van het woord. Het genootschap is in 1778 opgericht onder het motto “Een onvermoeide arbeid komt alles te boven”, en is ‘s werelds oudste nationale wiskundevereniging. Daan Mulder schrijft mooie artikelen voor dit tijdschrift in zijn serie ‘Het keerpunt van …’. Het gaat over Nederlandse wiskundigen die een andere afslag in hun carrière namen.

Deze week herlas ik zijn interview uit december 2018 dat ging over Het keerpunt van Hans Ree en dit riep bij mij de herinnering op aan mijn ontmoeting met Hans Ree, nu al weer tien jaar geleden. Dit was ter gelegenheid van het verschijnen van Mijn Schaken. Een mooi boek met een bijzondere actie op onze site. Ik hoopte toen dat er rond de 75ste verjaardag van Hans weer een nieuw boek van hem zou zijn. Met iedere week een mooie schaakrubriek op onze site, en dit al ruim tien jaar lang, mogen we natuurlijk niet klagen.

Geniet van het interessante interview dat Daan Mulder had met Hans Ree. Beiden bedankt voor de spontane medewerking!

 

Daan Mulder

mulderdaan@live.nl

 

 

Het keerpunt van Hans Ree

‘Ik beschouw wiskunde wel als een hoger iets dan schaken, aanzienlijk hoger’

Als ik schaakgrootmeester en schrijver Hans Ree (1944) mail met de vraag of hij zich wil laten interviewen, antwoordt hij dat vrijdagmiddag hem goed uitkomt. Niet te vroeg, want hij moet ’s ochtends zijn schaakcolumn in NRC nog afmaken. Het komt handig uit dat we allebei in Amsterdam wonen. “Om drie uur in café Welling?”, stel ik voor. Hans verbetert me; Welling is om die tijd nog niet open. Het wordt café Wildschut, vlak om de hoek bij het appartement waar hij met zijn vrouw Lien woont. Niet alleen studeerde Hans zelf wiskunde aan de Universiteit van Amsterdam, ook is Lien de dochter van Arend Heyting, de ‘kroonprins van het intuïtionisme’ na L. E. J. Brouwer. Een gesprek over wiskunde als ideaal en schaken als hartstocht.

Waarom koos je voor schaken in plaats van wiskunde?

Bij het schaken ben je aan niemand iets verschuldigd. Dat leven beviel me beter. Het idee dat je iedere ochtend een bepaalde tijd uit je bed zou moeten komen, dat stond me heel erg tegen. En het reizen is natuurlijk fijn, in een tijd dat verre reizen naar andere werelddelen helemaal nog niet zo gangbaar waren. In 1966 gingen we naar Cuba omdat daar een olympiade was, daar kwam geen mens, behalve schakers. De bedevaartstochten van Mulisch en zijn geestverwanten, die waren er nog niet. Dat was een paar jaar later.

Er waren een paar mensen die in mijn jaar zaten, waarvan ik meteen merkte, en iedereen wist, dat waren lui die ademden wiskunde. Dat was zoals een ander de Donald Duck las, zo lazen zij artikelen. Eentje daarvan was — misschien zegt de naam je iets, hij is later hoogleraar geworden — Peter van Emde Boas. Dat was een van die talentvolle mensen. Dat was iets totaal anders. Ik was, nou ja, redelijk bekwaam, maar verder niks. Maar zoals zij tegenover wiskunde stonden, zo stond ik tegenover het schaken.

Als ik een schaaktijdschrift had, hoefde ik geen tekst of diagrammen te hebben, ik las de zetten en zag de partij voor me. En dan had ik ook niet het idee dat ik een inspanning verrichte. Zoals iemand die de Donald Duck leest ook niet het idee heeft dat hij een inspanning verricht.

Schaken deed ik vanaf mijn zesde, maar vanaf mijn elfde jaar pas intensief. Lid van de schoolschaakclub, een jaar later lid van de jeugdschaakclub, met de boeken die ik kon vinden, schaakrubrieken van Lodewijk Prins uit Het Parool knippen. Dat was hartstocht, en wiskunde was niet een hartstocht. Hoewel ik het wel heel erg mooi vond. Ik had eigenlijk zelfs het idee: wiskunde is het mooiste wat er in de wereld is.

Ook vanuit een soort snobisme. Want wij, ik, een paar wiskundevrienden, wij wilden wiskunde die helemaal niks met het gewone leven te maken had. Toepasbare wiskunde, dat vonden wij niks, en toegepaste wiskunde al helemaal niet. Zuivere wiskunde, dat was het rijk van de geest. Dat was trouwens, maar dat wisten wij niet, zoals Brouwer er ook over dacht. Ingenieurs en zo, dat waren eigenlijk een soort apen. Goed, ik heb later wel ingezien dat het flauwekul was. Maar zo dachten wij toen wel, toen we tweedejaars waren.”

Lag schaken daar nog in het verlengde van?

“Ja, dat is ook nergens goed voor behalve voor zichzelf, net zoals de wiskunde. De zuivere wiskunde, als je ervan uitgaat dat het nergens goed voor is, wat dus niet juist is, dan heeft het nog een waarde op zichzelf, net als muziek een waarde op zichzelf heeft. En die is niet mis. Je kan zeggen: muziek is ergens voor, weet ik veel, om mensen in een vrolijke of juist een droevige stemming te brengen. Dan doe je muziek onrecht. Daar gaat het niet om, of de mensen er vrolijk van worden. Muziek is op zichzelf iets belangrijks. En zo zagen wij de wiskunde ook, en het schaken ook. Ik beschouw wiskunde wel als een hoger iets dan schaken, aanzienlijk hoger. Maar iets anders is wat je met je leven gaat doen.

Ik had lang gedacht dat ik als wiskundige zou gaan werken. Ik ben eerder bijvoorbeeld nog bij de Hogeschool Twente langsgegaan. Eerdergenoemde Lodewijk Prins organiseerde daar het studium generale en hij vond het wel leuk als ik ook naar Twente zou komen. Maar ik deed dat uit beleefdheid, want hoewel ik in Amsterdam nog wel aan een promotie zou willen beginnen was er toch eigenlijk geen haar op mijn hoofd die eraan dacht daarvoor naar Twente te gaan. Dat liet ik niet merken. Het moment van verlichting kwam voor mij in 1968 op de Schaakolympiade in Lugano. Ik stond onder de douche te piekeren en besefte dat ik het helemaal geen prettige gedachte vond om als wiskundige te werken. En toen dacht ik: ‘Niemand dwingt je toch?’

Met schaak was ik in staat om, weliswaar op bescheiden schaal, mijn inkomen te verdienen. Dat was op een kleine studentenkamer, een auto kwam helemaal niet bij me op. Je had ook niet veel nodig omdat je wel zo’n vier maanden in buitenlandse hotels zat, waar alles voor je betaald werd. Mijn inkomsten werden ook wel meer toen ik erover ging schrijven. In 1968 kreeg ik een wekelijkse rubriek in de Haagse Post. Ik weet nog dat ik daar 150 gulden in de week voor kreeg. Een Haagse Post zelf kostte in de kiosk een gulden. Nou ja, als het nog zou bestaan, zou dat weekblad nu zo’n 6 euro kosten. Als je dat maal 150 neemt, dan is het wel een groot bedrag. Het is niet een goede vergelijking, maar het was toch een heel aanzienlijk bedrag, waar alle vaste lasten makkelijk door gedekt waren. En daarnaast had ik nog de inkomsten van het schaken zelf.

Toch was ik vanaf 1970 als hobby aan een proefschrift aan het werken, of vooral niet aan het werken, in slakkentempo, bij professor Johannes de Groot, in de topologie. Het had nog niet veel voorgesteld, hoewel ik toch wel van plan was om het te doen. Maar ja, dan is er weer dit toernooi, dan is er weer dat toernooi. En toen plotseling overleed die De Groot.

Later, dat wist ik toen niet, hoorde ik van Lien — die kende hem ook, want De Groot woonde in Laren, en Lien woonde in Laren, en zij had ook een wiskundeprofessor als vader en zij speelde af en toe bij hen thuis met het dochtertje van De Groot — dat het was gekomen doordat hij zo lang was, en dat hij met zijn hoofd in zijn eigen huis tegen de deurpost was aangelopen, en daardoor stierf. Heel plotseling. Ja, dat was eigenlijk iets waardoor ik toch met wiskunde ben gestopt. Ik was wel aan hem gehecht, het was een heel aardige man en bijzonder enthousiast over zijn vak. Hij was ook in staat om mij, terwijl ik er voor het grootste deel buiten stond, toch binnenboord te houden. Maar ik zag er niks in om dat dan bij iemand anders een soort van opnieuw te gaan proberen.”

Kende je Lien toen nog niet?

“Nee, ik heb Lien pas in 1982 ontmoet. Wel kende ik haar vader, Arend Heyting. Die was door Brouwer naar Amsterdam gehaald en heeft die intuïtionistische wiskunde van Brouwer toen geaxiomatiseerd. Hij heeft ook een inleidend leerboek over intuïtionisme geschreven, waarover ik nog wel tentamen heb gedaan. Maar Heyting was zelf geen intuïtionist in de zin dat echte intuïtionisten zoals Brouwer vonden dat wiskunde zo moest en traditionele wiskunde verkeerd was. Heyting had dat niet. Voor hem was het een vak zoals er andere vakken zijn. Ik heb tijdens mijn studie een stuk meer met De Groot te maken gehad dan met Heyting. Het is dus niet zo dat hij mij en Lien bij elkaar heeft gebracht. Ik had geen idee dat Heyting kinderen had, laat staan dat hij er elf had. Lien was, toen ik haar ontmoette op kunstenaarssociëteit De Kring, al wel heel lang journalist, en dat was wel mijn wereld. Wiskunde was toen iets dat allang achter me lag.

Er waren veel schakers op De Kring. Donner, Timman, Sosonko, Hartoch, die ken je misschien niet, ook een schaakmeester. En veel mensen die geen beroepsschaker waren maar wel veel schaakten. We zaten vaak de helft van de week tot vier uur ’s nachts in De Kring te kletsen en te drinken. Wij waren vrij prominent daar, hoor. Ik herinner me nog eens dat ik met drie andere schakers aan een grote tafel zat met twee schaakborden en de stukken erop, en toen liep Nelly Frijda langs en die riep: ‘Ik wil aandacht, godverdomme!’, en gooide die hele tafel met alle stukken om, alles op de grond. Kun je nagaan hoe prominent wij daar aanwezig waren.”

Wat dacht je bij de opkomst van de schaakcomputer?

“In de jaren zeventig waren die schaakcomputers er, maar dat was iets waar je om lachte, zo van: ‘Kijk nou eens wat ie voor een malle dingen heeft gedaan.’ Ik weet nog dat — het zal in de jaren tachtig zijn geweest — ik af en toe bij Hein Donner op bezoek kwam. Hij had een hersenbloeding gehad en verbleef in een verpleeghuis van 1983 tot 1988, toen is hij gestorven. Hij had altijd gezegd: ‘Computers kunnen niet schaken, dat zal nooit iets worden.’ Op een gegeven moment, in 1988, kwam ik bij hem, en ik zei: ‘Kijk, Hein, een computer heeft in Amerika gewonnen van een internationale meester bij een echt officieel toernooi, zal ik die partij eens laten zien?’ Hij zei langzaam: ‘Ha-ha-ha,’ want hij kon nauwelijks meer praten, ‘computers kunnen helemaal niet schaken, alleen Ree gelooft dat! Laat maar een partij van Timman zien, dat is beter.’ Dat heb ik toen maar gedaan.”

Op welk van je gespeelde partijen ben je het trotst?

“Ik heb in mijn leven een paar goede partijen gewonnen, en ook tegen heel prominente spelers, wereldkampioen Michail Tal, Viktor Kortchnoi, Bent Larsen. Het winnen van topspelers is wel fijn natuurlijk, maar ik kan niet zeggen dat het nou zo’n enorme indruk op me maakte. De meest gelukkige herinnering heb ik aan de partijen waar ik eigenlijk ten onrechte, terwijl ik glad verloren stond, terwijl ik nog maar een minuut over had voor vijftien zetten, terwijl de tegenstander ruim tijd had, toch remise wist te spelen of zelfs wist te winnen. Die dingen, zo veilig ontkomen terwijl je even in de muil van het beest bent geweest, dat geeft toch het grootste geluksgevoel.”

Goede suggesties voor een Nederlandse wiskundige met een keerpunt in zijn of haar carrière zijn welkom via keerpunt@nieuwarchief.nl.

Alleen geregistreerde kunnen een reactie achter laten.