Top 40 Nederlandse schakers

Top-40 Nederlandse schakers. 17: Dimitri Reinderman

Zijn NK-debuut was spectaculair, hij brak zijn schaakcarrière vroeg af, wat hij zelf anders zag, maar na zijn comeback, die je van hem niet zo mocht noemen, won Dimitri Reinderman meer toernooien dan daarvoor. Op zijn veertigste werd hij zomaar kampioen van Nederland.

Wijk aan Zee 2000. Foto: Johan Hut

Dimitri Reinderman (geboren 12 augustus 1972) werd bij de jeugd op het Europees kampioenschap derde (samen met Kramnik) en tweede en bij het wereldkampioenschap gedeeld derde. In 1995 kreeg hij een wildcard voor het Nederlands kampioenschap, waar hij debuteerde met een derde plaats achter Sokolov en Piket, voor Van Wely. Het jaar 1998 werd zijn grote doorbraak. In Wijk aan Zee won hij, achtste op rating, de tweede groep, samen met Rustam Kasimdzjanov. Dat gaf hem het recht een jaar later tussen Kramnik en Anand op het hoogste niveau te spelen. Reinderman won het open toernooi van Hoogeveen en vervolgens het zonetoernooi in Andorra, samen met velen, maar voor Piket en Van der Sterren. Het leverde hem een vierde plaats op de Nederlandse ranglijst op, achter het supertrio Timman, Piket en Van Wely. Een jaar later werd hij weer derde op het NK, achter Nikolic en Piket, samen met zijn leeftijdsgenoot Van Wely (die hij versloeg) en voor Sokolov. Hij won op dat toernooi een paar spectaculaire aanvalspartijen die publiekscommentator Lex Jongsma vertwijfeld deden uitroepen: “Reinderman wint natuurlijk de schoonheidsprijs, maar voor welke partij?”

 

Toernooiwinsten

Intussen werkte Reinderman bij een internetprovider, in het pionierstijdperk van het net. Na zijn enorme succes in Wijk aan Zee 1998 stemde zijn trotse werkgever in met een halvering van zijn dienstverband naar twintig uur per week, zodat hij meer kon schaken. Omdat hij evengoed een mooi inkomen had, ging Reinderman vanaf 2002 vooral leuke toernooien over de hele wereld spelen in plaats van toernooien in Nederland waar hij wat meer geld zou kunnen verdienen. Na zes NK’s in acht jaar deed hij voor die van 2003 tot en met 2007 geen moeite zich te plaatsen.

Lees meer >

Top-40 Nederlandse schakers. 18: Salo Landau

Statistici kennen hem als de enige andere schaker dan Max Euwe die tussen 1921 en 1952 kampioen van Nederland werd, namelijk in 1936, toen Euwe niet meedeed. Over Salo Landau is natuurlijk wel veel meer te vertellen.

 

Salo Landau werd op 1 april 1903 geboren in Bochnia, voorheen Polen (nu ook), maar destijds geannexeerd door Oostenrijk. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vluchtten zijn ouders voor de Russen, naar Nederland. Zij lieten Salo in Antwerpen opleiden tot diamantwerker, maar hij werd beroepsschaker.

In 1929 werd Landau op het Nederlands kampioenschap samen met Weenink tweede achter Euwe, met 7 uit 9. In 1936 werd hij bij afwezigheid van de grote meester kampioen. In 1939, toen het NK een kandidatentoernooi was geworden, won Landau dat, waarna hij de NK-match tegen Euwe verloor met 7,5-2,5. Zo groot waren de verschillen in de jaren dertig en veertig tussen Euwe en de rest.

 

 

Wereldtopper

Op de Olympiade van 1930 speelde Landau aan het vierde bord. In 1937 aan bord twee achter Euwe, waar hij 9 uit 15 scoorde. Een enorm succes boekte hij in 1931, toen hij in Rotterdam een dubbelrondige vierkamp won voor Colle, Tartakower en Rubinstein. Was Salo Landau een potentiële wereldtopper?

Landau behaalde vele goede toernooiresultaten in Engeland. Zo won hij een paar keer de tweede groep van Hastings en mocht hij in 1938 meedoen aan de hoofdgroep. Daar werd hij met Pirc derde achter Euwe en Szabo.

Lees meer >

Top-40 Nederlandse schakers. 19: Jan Smeets

Als kind won hij alles wat er te winnen was, als jong-volwassene werd hij twee keer kampioen van Nederland, maar Jan Smeets besloot ook al heel jong dat er belangrijker zaken waren dan schaken.

Jan Smeets in 2016. Foto: Harry Gielen.

Jan Smeets (geboren 5 april 1985) werd Nederlands kampioen in de leeftijdscategorieën zeven, acht, negen, tien, twaalf en veertien jaar. In 2002 behaalde hij vijf meesternormen binnen acht maanden (voor de titel zijn er maar drie nodig), in 2003 drie grootmeesternormen binnen een halfjaar. Met achttien jaar was hij daarmee tijdelijk de jongste Nederlandse grootmeester aller tijden. Op het wereldjeugdkampioenschap werd Smeets vijfde in de categorie tot en met achttien jaar en vervolgens vijfde in de oudste categorie.

 

Nederlands kampioen

In 2005, dus niet eens heel jong, debuteerde Smeets op het Nederlands kampioenschap, waar hij vijftig procent scoorde. Toen had hij al succes geboekt in Wijk aan Zee, waar hij in de B-groep tweede werd achter Karjakin.

Van de volgende acht NK’s was hij er zeven keer bij. In 2008 werd hij verrassend kampioen, voor Reinderman, Stellwagen en Tiviakov. Twee jaar later werd hij opnieuw eerste. Nu liet hij titelverdediger Giri achter zich, alsmede Van Wely. Dat mag je het grootste succes uit zijn carrière noemen. Na dat kampioenschap stond Smeets eenmalig eerste op de Nederlandse Elo-lijst. Dat hele jaar bleef hij in de top honderd van de wereld staan, met plaats 66 als hoogste.

Na beide titels speelde hij aan het tweede bord van het Olympiadeteam, achter Van Wely. Hij scoorde niet goed, maar in 2012 revancheerde hij zich met 7,5 uit 10 aan bord vier. Dat jaar was voor Smeets een topjaar. Hij werd (met velen) gedeeld tweede op het Europees kampioenschap en won het Open kampioenschap van Nederland in Dieren.

Lees meer >

Top-40 Nederlandse schakers. 20: Nico Cortlever

Wie in de jaren dertig en veertig aan de Nederlandse top stond, kon geen kampioen worden, want dat werd Max Euwe. Van zijn achtervolgers verdient Nico Cortlever een hoge plaats op deze lijst. Hij behoorde tot de sterksten van 1936 tot 1970.

Nico Cortlever in 1939

Nico Cortlever (geboren 14 juni 1915) debuteerde op zijn 21e, in 1936, op het Nederlands kampioenschap met een zevende plaats. Twee jaar later (het NK werd niet ieder jaar gespeeld) werd hij in een uitzonderlijk sterk bezet kampioenschap tweede achter Euwe. De volgende vier NK’s waren kandidatentoernooien, waarvan de winnaar een match tegen Euwe mocht spelen. In 1942 won Cortlever samen met De Groot en Van den Hoek, maar verloor hij de barrage. In 1947 werd hij tweede achter Theo van Scheltinga, zijn grote rivaal en medestrijder gedurende zijn hele carrière.

Lange tijd was Euwe onaantastbaar, maar in 1954 werd hij onttroond door Donner. Die versloeg hem echter niet, Donner heeft nooit een partij van Euwe gewonnen. Euwe verloor van Cortlever, die samen met hem tweede werd achter de nieuwe kampioen. In 1958 werd Cortlever opnieuw tweede achter Donner. Let wel: dat was dus twintig jaar nadat hij tweede werd achter Euwe!

 

Bescheiden

Ook de Olympiades wijzen erop dat Cortlever als een van onze grootsten werd gezien. Hij maakte deel uit van de opeenvolgende teams van 1939, 1950, 1952 en 1954. De eerste keer aan het tweede bord achter Van Scheltinga, met een kleine plusscore. In 1950 behaalde hij met 8,5 uit 11 een zilveren medaille aan bord vier.

Lees meer >

Top-40 Nederlandse schakers. 21: Hans Bouwmeester

Leraar wiskunde, dat was de professie van Hans Bouwmeester. Die baan weerhield hem ervan meer dan drie maal deel te nemen aan het Nederlands kampioenschap. Hij was wel een veel grotere schaker dan je uit die drie toernooien kunt afleiden.
Hans Bouwmeester (geboren 16 september 1929) debuteerde in 1952 op het NK met een vijfde plaats. Bijzonder was dat hij Euwe zijn eerste nederlaag op een NK toediende sinds 1924. Vijf jaar later werd hij gedeeld tweede achter Donner. Pas in 1967 speelde Bouwmeester zijn derde NK. Samen met Ree werd hij eerste, voor Scholl, Donner, Kuijpers, Langeweg en Zuidema, alle groten van de jaren zestig. De beslissingsmatch verloor hij met 2,5-1,5.
Al in 1954 had Bouwmeester het Hoogoventoernooi gewonnen, samen met Pirc, voor de Nederlandse toppers Prins en Van Scheltinga. Een jaar later werd hij tweede, achter Milic, samen met Donner en voor Prins. Hoewel hij niet veel speelde, mag je Bouwmeester ongeveer van 1954 tot 1967 een Nederlandse topper noemen.

 

Schoolmeester en schaakmeester
Dat mag je ook afleiden uit zijn deelnames aan de Olympiade. Van 1956 tot en met 1970 was hij er zeven van de acht keer bij, meestal aan bord drie. Hoogtepunt was de Olympiade van 1966, toen hij 71% scoorde aan het eerste bord. In totaal is Bouwmeester met 63% een van onze grootste Olympiadespelers.

Lees meer >

Top-40 Nederlandse schakers. 22: Coen Zuidema

Vier keer werd Coen Zuidema eerste bij het Nederlands kampioenschap. Drie keer moest hij die eerste plaats delen en verloor hij de barrage. Van 1965 tot en met 1973 (zeven toernooien) werd hij daarmee op Hans Ree na wel de meest succesvolle NK-deelnemer.

Coen Zuidema (geboren 29 augustus 1942) werd in 1961 en 1962 jeugdkampioen van Nederland. Ook in 1959 werd hij eerste, maar samen met Frans Kuijpers, die daarmee zijn titel behield zonder een barrage te hoeven spelen. Eigenlijk waren ze het in vijf jaar tijd dus allebei drie keer.

In 1961 verraste Zuidema bij het wereldjeugdkampioenschap in Den Haag. In de laatste partij van de voorronde versloeg hij favoriet Vlastimil Hort in een partij van tien en een half uur, terwijl de wedstrijdleiding al op de indeling van de finalegroepen zat te puzzelen. Zuidema ging naar de kampioensgroep, Hort had geen zin meer in groep B en trok zich terug met de mededeling dat hij overschaakt was. Zuidema kreeg in allerijl Hans Bouwmeester als secondant aangewezen voor de finalepoule, waarin hij tot het laatst meedeed om de medailles. In de laatste ronde werd hij teruggewezen naar een gedeelde vierde plaats, samen met Helmut Pfleger, achter kampioen Bruno Parma.

Vier keer eerste

Na een goed debuut op het Nederlands kampioenschap van 1963 werd Zuidema in 1965 eerste, samen met Lodewijk Prins. Hij verloor de beslissingsmatch met 1,5-2,5. In 1970 deelde hij de eerste plaats met Eddie Scholl. Bij een stand van 3-3 ging de beslissingsmatch over in ‘sudden death’ en verloor Zuidema de eerstvolgende partij. Twee jaar later werd hij kampioen, voor Jan Timman, Kick Langeweg en Hans Ree. Een voor die tijd zeer sterk bezet NK. In 1973 werd hij weer eerste, maar moest hij die plaats delen met Bert Enklaar en de pas in Nederland gevestigde Genna Sosonko. De ex-Rus won de beslissingsdriekamp, Zuidema werd tweede.

Lees meer >

Top-40 Nederlandse schakers. 23: Frans Kuijpers

Nadat Hein Donner in 1954, 1957 en 1958 drie keer op rij kampioen van Nederland was geworden, lukte het hem niet net als zijn voorganger Max Euwe een hegemonie te vestigen. In 1961 was er Hoan Liong Tan, in 1963 Frans Kuijpers. Vanaf 1967 zat Hans Ree Donner in de weg, totdat in 1973 Jan Timman wel een nieuw tijdperk vestigde.

Frans Kuijpers (geboren 27 februari 1941) werd vanaf 1958 drie keer op rij jeugdkampioen van Nederland. In 1963 werd hij met zijn 22 jaar de jongste kampioen sinds Euwe in 1921. Weliswaar verloor Kuijpers van Donner, maar met 9 uit 11 bleef hij anderhalf punt op hem voor. Hij werd in de jaren zestig nog derde en twee keer vierde. Met zijn clubteam Rotterdam werd hij als eerstebordspeler kampioen van Nederland in 1966 en 1968.

Kuijpers werd uitgenodigd voor IBM- en Hoogovenstoernooien, waar hij niet heel succesvol was. Wel won hij partijen van wereldtoppers: Gligoric (twee keer), Benkö, Kotov en Uhlmann. Tot en met 1980 nam hij acht maal deel aan het Nederlands kampioenschap. In 1984 werd hij met zijn clubteam Eindhoven (tweede bord) verrassend kampioen van Nederland, voor het machtige Volmac Rotterdam. Je kunt Kuijpers twintig jaar lang een Nederlandse topspeler noemen. Niet zo bekend is dat hij ook een prima snelschaker was. Hij werd open snelschaakkampioen van Nederland in 1962, 1970 en 1971.

 

Olympiades

Kuijpers’ status van Nederlandse topspeler werd ook bevestigd in zijn vier deelnames aan de Olympiade. Daarin maakte hij bovendien grote faam.

Lees meer >

Top-40 Nederlandse schakers. 24: Dirk van Foreest

Was hij de sterkste Nederlandse schaker van de negentiende eeuw? Was hij eigenlijk de eerste ‘echte schaker’ van Nederland? Was hij veel sterker dan zijn broer Arnold? Had hij een wereldtopper kunnen worden als hij geen huisarts was geworden? Deze vragen over Dirk van Foreest zijn na meer dan een eeuw moeilijk te beantwoorden. Misschien zijn de antwoorden op de vier vragen respectievelijk ja, nee, ja en niet te zeggen.

Jonkheer Dirk van Foreest (geboren 3 mei 1862) kwam op negentienjarige leeftijd naar Amsterdam en werd meteen met overmacht kampioen van VAS. In 1885, 1886 en 1887 won hij de bondswedstrijden, die veel later met terugwerkende kracht officieuze kampioenschappen van Nederland werden genoemd. In dezelfde tijd voltooide hij zijn studie geneeskunde, waarna hij huisarts werd, eerst in Heemskerk en later in Oosthuizen (Noord-Holland).

Dat werk kon hij niet combineren met toernooischaak. Wel werd hij nog lang uitgenodigd voor wedstrijden met het Nederlandse team, speelde hij correspondentieschaak en componeerde hij problemen. Volgens Hans Bouwmeester en Bert Kieboom in het negende Prismaboekje was hij geen bijzondere componist, maar wel eentje die er aandacht aan besteedde in een periode dat het probleemschaak in Nederland kwijnend was.

Na zijn pensionering in 1928 vestigde Dirk van Foreest zich in Bussum. Dat was een idee van zijn broer Arnold, omdat Dirk geen stadsmens was en Bussum het enige dorp was met een sterke schaakclub. Voor BSG speelde hij van 1928 tot 1943 (dus tot op hoge leeftijd) nog zeventig partijen, de meeste in de hoofdklasse, met een score van vijftig procent.

Lees meer >

Top-40 Nederlandse schakers. 25: Gert Ligterink

Van de eenmalige Nederlands kampioenen is er niemand die in de buurt kwam van de formidabele prestatie van Gert Ligterink in 1979. In het sterkste NK tot dan toe bleef hij voor op de ‘grote vier’ van dat moment: Timman, Donner, Ree en Sosonko. De eerste drie versloeg hij, hij verloor alleen van Sosonko. Ook vanwege zijn vol punt voorsprong op de nummers twee was zijn zege overtuigend. Fameus was zijn voorbereiding. Naast het schilderen en behangen van zijn nieuwe woning had hij alleen partijen met analyses nagespeeld uit het inspirerende toernooiboek Zürich 1953 van David Bronstein.

IBM-toernooi 1976. Beide foto’s: Nationaal Archief

Gert Ligterink (geboren 17 november 1949) leerde pas op zijn veertiende schaken, maar debuteerde drie jaar later al met Unitas in de hoofdklasse. In 1969 werd hij jeugdkampioen van Nederland. In 1974 debuteerde hij op het NK, met een lage klassering maar een overwinning op Hein Donner. Van zijn elf tegenstanders had hij maar tegen drie eerder gespeeld. Hij ervoer zijn woonplaats en provincie Groningen als een schaakisolement ten opzichte van de Randstad en kon in regionale wedstrijden niets anders doen dan alles winnen, maar daar schoot hij niets mee op, zei hij in een interview.

 

Tien jaar topper

Na dat eerste NK was hij opeens wel een nationale topper. Van 1976 tot en met 1988 nam Ligterink alle keren deel. Na zijn zege in 1979 werd hij een keer tweede en drie keer derde. In 1985 had hij voor de tweede keer kampioen moeten worden, drie ronden voor het einde stond hij anderhalf punt voor op de nummer twee. Een bizar slot van een half uit drie wierp hem terug naar de vierde plaats.

In die jaren speelde Ligterink dertien keer mee in de Hoogovens- en IBM-toernooien, waarvan zes keer in de grootmeestergroep. In 1975 won hij het Open kampioenschap van Nederland, in 1983 de meestergroep (B-groep) van Hoogovens en een jaar later een sterk toernooi in Oxford. Die jaarlijkse Nederlandse toernooien, naast het spelen voor de sterrenploeg Volmac Rotterdam, noemde hij later als reden dat hij professional kon blijven.

Lees meer >

Top-40 Nederlandse schakers. 26: Erik van den Doel

Misschien is hij wel de Nederlandse schaker met de meeste toernooioverwinningen. Het is niet goed na te gaan, want niemand houdt zijn zeges zo nauwgezet bij als Erik van den Doel. Alleen op de Nederlandse kampioenschappen schoot hij vaak tekort.

foto (2015): Frans Peeters

Erik van den Doel (geboren 15 mei 1979) debuteerde in 1997 op het NK en nam daar vervolgens in negen jaar acht keer aan deel. In 2001 werd hij samen met Loek van Wely eerste, voor Jeroen Piket en Sergei Tiviakov. Hij verloor de barrage van rapidpartijen met 3-0. Het was zijn enige succes in die acht NK’s, maar Van den Doel werd wel structureel tot de Nederlandse top gerekend. Van 1998 tot en met 2006 zat hij vier van de vijf keer in het Olympiadeteam, waarin hij met 58% redelijk scoorde. Ook maakte hij deel uit van het Nederlandse team dat in 2001 en 2005 Europees kampioen werd. Weliswaar als invaller, maar met 6,5 uit 10 over twee toernooien leverde hij een belangrijke bijdrage. Net als zijn teamgenoten werd hij benoemd tot Lid van Verdienste van de KNSB.

Tien topjaren

De toptijd van Van den Doel was 1997-2008. In 1998 won hij het Open kampioenschap van Nederland. In 2007 herhaalde hij dat en in 2007 en 2008 won hij het Leiden Chess Tournament. In deze periode won hij toernooien in Londen (1998, een topprestatie), Duitsland, Griekenland en Zuid-Afrika. Met De Variant won hij acht keer de Nederlandse clubcompetitie. Van 2001 tot 2003 stond hij een paar keer rond plaats 80 van de wereldranglijst.

Lees meer >