Brief van een schakersvrouw

Beste mijnheer Schaaksite,

Omdat ik wanhopig ben richt ik mij tot u. Mijn man Jaap is bezeten van de duivel of beter gezegd van 32 duiveltjes die hem dagelijks kwellen, hem in bezit nemen en hem in de war brengen. De vorm waarin die duiveltjes zich dag en nacht aan hem openbaren zijn kleine houten stukjes op een groot houten bord en op het internet. Deze vorm van verslaving, zoals ik het zie, moet gekomen zijn door de beoefening van uw sport, de schaaksport. U zou hiervoor net zoals bij tabak, alcohol en drugs moeten waarschuwen op uw site. Maar nee, u moedigt het juist aan! Maar eerst wil ik u meer achtergrondinformatie geven.

Toen ik Jaap voor het eerst leerde kennen via een datingprogramma, dat heette vroeger nog niet zo, vertelde hij mij enthousiast over zijn hobby: het schaakspel. En als het iets zou worden tussen ons wilde hij zijn hobby beslist niet opgeven. Ik was daar mee akkoord gegaan daar ik dacht dat het een soort ‘scrabble’ was, daar hebben de houtjes ook een waarde.

Toen we getrouwd waren wilde hij lid worden van een schaakclub waar hij één avond in de week naar toe wilde gaan. Ik vond wel goed dat hij iets voor zichzelf had. Maar in de loop van de tijd bespeurde ik dat hij zich zenuwachtig gedroeg vlak voor en na de schaakavond. Ik kon mij niet voorstellen dat zijn ‘scrabble’ zo inspannend en spannend was. Hij wilde graag een nieuwe pyjama met een schaakbord op z’n rug. Nergens te krijgen natuurlijk, heb ik van arren moede zelf maar een schaakbord op zijn nieuwe pyjama genaaid. Soms werd hij ‘s nachts plotseling wakker als hij jeuk had. Dan gilde hij: ‘krabbel even op c5’.

Op een dag kwam hij met een mooi boek thuis, een boek dat leek op een roman. Maar het ging over leren schaken voor de winteravonden. Toen ik het boek inkeek dacht ik dat het gewone puzzeltjes waren met mooie plaatjes en een korte uitleg erbij. Alle plaatjes leken op elkaar met eenzelfde achtergrond. Bij scrabble had je dit soort puzzels ook, een soort Ruzzle avant la lettre.

Jaap besteedde steeds meer tijd aan het spel en minder aan mij. Soms zat hij uren voor zich uit te staren zonder een poppetje aan te raken. Ook voor andere zaken kreeg hij steeds minder aandacht zoals voor Japie, ons enig zoontje. Hij wilde ons zoontje bij de geboorte Max noemen, maar dit wilde ik niet. De naam is van zijn vader en  ook van zijn opa. Vroeger kwam hij eens thuis met een kadootje voor de kleine. Leuk, dacht ik, een Ark van Noach met leuke speelgoed dieren. Was het een goedkoop Amerikaans checker’s bordje dat je ook als schaakbord kon gebruiken. Onze kleine was snel op dit malle damspelletje uitgekeken met de witte en zwarte rondjes. Je merkte ook dat als je Jaap iets vertelde dit helemaal langs hem heenging. En op mijn vragen gaf hij de meest rare antwoorden. Hij luisterde gewoon niet en was te druk met zichzelf bezig.

De volgende verrassing was dat er steeds meer vreemde vogels over de vloer kwamen die dezelfde afwijking hadden als Jaap. Ik kreeg nauwelijks aandacht van ze behalve als ik met de drank en rokerij langs kwam. Ze werden steeds rumoeriger en het was wel vermoeiend met die saaie gasten die een eigen onbegrijpelijke taal spraken. Ze maakten nooit aanstalten om weg te gaan. Maar daar had ik snel iets op gevonden.

Jaap wilde ons een keer verrassen. Hij had twee weken besproken in een klein badplaatsje in Noord-Holland. Een goed hotel in de duinen bij mooie stranden. Een geweldig vooruitzicht of toch niet? Wat bleek? Het was niet in de zomer maar in de winter, in de maand januari. Zijn schaakmaten hadden hem overgehaald mee te doen aan een toernooi dat daar jaarlijks wordt gehouden. Natuurlijk wil je je man aanmoedigen, maar het was wel een opgave want er waren nauwelijks andere schakersvrouwen. Die afwezigen waren verstandiger dan ik, denk ik nu. Ook merkte ik dat er nauwelijks vrouwen meededen alhoewel het een open toernooi was. Misschien zijn vrouwen toch verstandiger. Jammer dat Donner dit niet meer kan lezen.

Naast de speelzaal, een provisorisch omgebouwde sportzaal, was een bruin café waar ik ene Ree ontmoette. Ik kwam met hem in gesprek en vroeg hem: ‘Het stinkt hier altijd zo, valt jou dit ook op?’ Hij lachte, het viel hem inderdaad niet meer zo op, maar hij wist wat ik bedoelde. Ree: ‘Het ruikt binnen naar de lucht van op elkaar gehangen jassen, van de erwtensoep die sinds de oorlogsjaren het handelsmerk van deze wedstrijd is, de analysekamertjes waar nog iets hangt van het zweet van de basketballers die zich er in normale tijden in verkleden, het vieze-mannenhok waar de rokers tussen hun zetten troost vinden, de overbelaste wc’s, het hout van de stukken en de borden en de lege stukkenkistjes, de lucht van duizend schakers.’ Ree: ‘Jammer dat er nooit parfums van zijn uitgebracht. Grote Naoorlogse Schaaktoernooien. Succesvolle geurserie. Ik zou me de hele serie aanschaffen.’ Typisch het antwoord van een fervent schaakliefhebber, dacht ik.

Met een zeer teleurgestelde man moesten we, met het openbaar vervoer, weer naar huis. Hij bleef de hele weg zwijgen en voor zich uit staren. Hij had maar één punt uit negen partijen gescoord en in zeven partijen had hij gewonnen gestaan, althans dat dacht hij. In plaats van minder te schaken ging hij meer schaken en meer schaakboeken kopen. Hij speelde op kantoor ook tijdens lunchtijd. Hij ging meer weekenden weg want hij moest het geleerde in praktijk brengen. En soms ook nog op zondag nadat hij naar de kerk was geweest.

Opeens kregen onze twee labradors een andere naam, Philidor en Black Lion. En onze waakhond noemde hij ineens Howard Staunton.

Nieuw was dat hij het tegen een echte schaakgrootmeester mocht opnemen die tegen 40 schaakkneuzen tegelijk speelde. Het werd nog gekker toen hij ook wilde proberen een partij blind te spelen. Wat een onzin!

En toen kwam die vermaledijde computer. Tot diep in de nacht zat hij te schaken op de computer en later commentaar te geven op forums en schaaksites. Hij las van een mevrouw, die er voor had doorgeleerd, dat er heel vroeger in het Midden-Oosten religies waren die schaken verboden omdat dit zou afleiden van het ware geloof. In onze moderne tijd werd dit bevestigd door het uitvaardigen van fatwa’s. Jaap vond dit maar raar en kon het bijna niet geloven. Maar het bracht hem wel aan het twijfelen want hij was tot op zekere hoogte een gelovig man.

Onze zoon is inmiddels afgestudeerd in het vakgebied kunstmatige intelligentie en hij heeft zijn vader uitgelegd dat het nu onmogelijk is om van een computer te winnen met schaken. Jaap wilde dit niet geloven, dit kon toch niet. En tot overmaat van ramp verloor hij met schaken van onze zoon die bij het dispuut op de universiteit de regels van het schaken had geleerd, en ook die van Go, dammen en bridge.

Zijn schaakwereld stortte ineen.

Ik moest denken aan een radio-interview van Coen Verbraak met Tim Krabbé. Aan het einde van het interview vraagt Coen aan de 73-jarige of hij goed is omgegaan met zijn tijd. Tim: ‘Ja en nee, ik heb veel tijd verspild aan schaken en gokken. De uren besteed aan schaken waren niet de best bestede uren in mijn leven, het was eigenlijk niet echt de moeite waard. In het algemeen zijn mensen veel bezig met dingen die niet echt de moeite waard zijn.’

Jaap gaf geen krimp…

‘Ik vervolgde en zei:’ Je hebt het boek gelezen Terug in het tijdperk van grootmeester Van der Sterren en je vertelde over het stukje dat Remco Heite schreef in de Leeuwarder Courant: ‘In zijn tweede schakersleven drong tot hem door hoe weinig begrip de schaker ondervindt van zijn directe omgeving. Van de schakersvrouw, die haar vermoeide man ziet thuiskomen en zich afvraagt waarom hij niet iets leukers gaat doen, tot de collega’s op het werk die informeren ‘hoe het toch gaat met de schakerij’, maar niet geïnteresseerd zijn in het antwoord.’

Toen ik naar Jaap keek bleef hij alleen maar glazig voor zich uitstaren…

Beste mijnheer Schaaksite, ik hoop dat u meer compassie gaat tonen voor schakersvrouwen zoals ik. Wij voelen ons al half-weduwe door die sport van u. Misschien kunt u er eens een serie artikelen aan wijden in plaats van die eindeloze analyses die Jaap toch niet begrijpt.

Met vriendelijke groet,

L…. de G…… uit U……

(om privacy redenen geen volledige naam)

(Naar een idee uit Chess Monthly, an American Chess Serial, december 1859. Met gebruik van o.m. een NRC-column van Hans Ree uit januari 1996, een radio-interview van Coen Verbraak uit juli 2016, een lezing van Remke Kruk uit 2017 tijdens het NK Schaken. Remke Kruk is Emeritus Professor Arabische Taal en Cultuur. En een boekbespreking van Remco Heite in de Leeuwarder Courant in 2014.)

1 Comment

Alleen geregistreerde kunnen een reactie achter laten.