In de schijnwerpers: Paul van der Sterren

Van alle Nederlandse topschakers kwamen er maar weinigen heel ver in de strijd om het wereldkampioenschap. Euwe werd natuurlijk kampioen en ook Jan Timman reikte ver. Maar lang niet iedereen weet dat Paul van der Sterren een eervolle ‘derde plaats’ inneemt. Via het bijzonder sterk bezette Interzonale Toernooi in Biel (1993) plaatste Paul zich voor de kandidatenmatches. Daar strandde hij helaas op Gata Kamsky.

Uiteraard was dat lang niet zijn enige prestatie. Paul begon tamelijk laat met schaken. Hij maakte pas op dertienjarige leeftijd kennis met het koninklijke spel. Daarna ging het snel bergop. Hij werd onder andere viermaal kampioen van Limburg. Na zijn schooltijd ging hij rechten studeren in Amsterdam.

Hij maakte deze studie echter nooit af. Hij behaalde nog wel zijn kandidaatsexamen maar zijn deelname aan de hoofdgroep van het Hoogovenstoernooi 1978 betekende definitief het einde van zijn universitaire aspiraties. Hij eindigde in dit loodzware toernooi op de laatste plaats, maar won wel een fraaie partij van Viktor Kortchnoi. Viktor de Verschrikkelijke verkeerde destijds op het hoogtepunt van zijn carrière en was in het hetzelfde jaar de uitdager van wereldkampioen Anatoli Karpov.

In 1979 behaalde Paul de titel Internationaal Meester en in 1989 werd hij benoemd tot Internationaal Grootmeester. In de jaren tachtig en negentig behoorde hij tot de sterkste schakers van Nederland. Hij won diverse toernooien en nam deel aan acht Olympiades. Legendarisch was de 28e Olympiade in Thessaloniki. Nederland eindigde daar op een gedeelde tweede/derde plaats samen met Engeland achter de Sovjet-Unie. Het team bestond uit: Van der Wiel, Sosonko, Van der Sterren, Piket, Kuijf, Douven

In 2001 zette van der Sterren een punt achter zijn schaakcarrière. Daarna legde hij zich toe op andere zaken, zoals het schrijven van boeken. Bij NewInChess verscheen eind 2011 het enerverende verslag van Paul’s carrière. Sinds kort is er een nieuwe versie van dit prachtige boek uitgegeven. Deze autobiografie ‘Zwart op Wit’ is een échte aanrader. Het is nu hoog tijd om het woord aan Paul te geven.

Je zegt over jezelf ‘ik ben geen schaker meer!’ Hoe definieer je de term schaker dan en hoe zit dat precies? Eens een schaker is toch altijd een schaker?
Je kunt van een auto die al dertien jaar op een schroothoop staat ook zeggen dat het nog steeds een auto is, totdat die wordt verwerkt tot een nieuwe. Maar voor mij is een schaker iemand die met volle toewijding bezig is en niet zoals veel amateurs het er bij doen. Schaken is ook niet het ‘half doen’. Zodra je geen enkel ander antwoord kunt geven op deze vraag, ben je een schaker. Dat ben ik dus niet meer. Ik heb in 2001 mijn laatste toernooi gespeeld. Dat was het eindpunt.

Maar schaken blijft in je systeem zitten. Ik heb zeven jaar helemaal geen stukken aangeraakt. En toch had ik daarna weer zin om een beetje voor Caïssa competitie te spelen en geleidelijk aan ben ik ook in de journalistiek gerold. Ik begon columns en boeken te schrijven. Ik ben er steeds meer mee bezig geraakt.

Wat doe je dan in het dagelijks leven?
Eigenlijk leef ik al een paar jaar het leven van een gepensioneerde. Ik doe dingen die ik leuk vind om te doen. Ik ben dus wel met schaken bezig, maar het is totaal anders dan dat het vroeger was.

Je hebt een mooie carrière achter de rug en bent een heel eind gekomen in de wereldkampioenscyclus. Dat was geen toeval. Naast een beetje geluk spelen er toch ook andere factoren een rol, zoals hard werken?
Inderdaad heel hard werken en vooral ook doorgaan. Want je krijgt continu teleurstellingen die je moet verwerken. De glamourkant van het schaken is dat je een mooie partij wint. Maar de realiteit is dat je dan de volgende dag altijd weer een mindere partij speelt. Ik denk dat je vooral moet leren van de teleurstellingen die je moet verwerken en dat je daardoor niet wordt afgeremd en toch gewoon doorgaat.

Heel veel jonge schakers haken af om allerlei redenen, maar vooral omdat ze die teleurstellingen niet kunnen verwerken. Doorzetten is heel belangrijk en dat heb ik dan ook gedaan.

Wanneer dacht je zelf “Hier ben ik goed in en ga ik meer mee doen?”
Ik denk onmiddellijk zo’n spel pakt je ogenblikkelijk bij de keel. Ik heb ook een paar hele sterke herinneringen aan mijn aller-, aller-, allereerste schreden op het schakerspad. Bijvoorbeeld in een partij tegen een vriendje van me.

We leerden samen schaken en hadden nog niet eens alle spelregels onder de knie. Ik herinner me dat ik een bepaald plan wilde maken. Nog niet iets als strategie of zoiets, maar dacht “als ik met mijn dame zijn loper aanval en hij ziet het niet dan kan ik dat stuk slaan.” Dat deed ik. Nadat ik gezet had, drong het plotseling tot me door dat ik mijn dame op de diagonaal van de loper had gezet en hij de dame zo kon slaan. Gelukkig deed hij dat niet en kon ik de loper slaan. Dat was de eerste keer dat ik een zet deed met een plan.

Hoe zat het met je intrinsieke motivatie als opkomend talent? Wat vond je belangrijker: de schoonheid van het spel of de resultaten?
Allebei, het zijn parallelle drijfveren. Om zo goed mogelijke prestaties neer te zetten is het nodig dat je het steeds beter begrijpt. Als je het beter leert begrijpen ga je ook steeds meer de schoonheid van het spel inzien. Als je niet die waardering voor de schoonheid van het spel inziet, bijvoorbeeld bij het naspelen van een partij van een sterke schaker of een combinatie, ben je geen echte schaker.

Maar tegelijkertijd als je geen ambitie hebt “van ik wil dit ook kunnen” of “ik wil dit beter kunnen” en het gevoel dat je dat kan, dan word je op beide sporen naar boven getrokken. Wat mij betreft hangen die twee sporen heel nauw samen.

Hans Bouwmeester is een trainer van je geweest?
Toen ik een jaar of vijftien was. Ja dat was in de tijd dat hij Bondscoach was. Hij harkte toen in het hele land spelers bij elkaar die op de een of andere manier opvielen. Hij gaf groepslessen in Utrecht en later ook individueel kwam ik regelmatig bij hem thuis in Vleuten. Hans is een fantastische leraar. Hij kon je niet alleen enthousiast maken, maar hij had ook een ontzaglijk goed begrip van het spel. Bouwmeester was een hele goede schaker. Er staat maar IM achter zijn naam, maar in de verhoudingen van toen zou je hem nu een hele sterke grootmeester noemen. Hij was bij vlagen één van de beste spelers van Nederland.

Wat me opviel bij het bekijken van je carrière was dat er een vrij lange periode zat tussen het behalen van de meestertitel en de grootmeestertitel. Heb je daar een verklaring voor?
Jazeker, heel lang. Met alle respect voor de schakers van tegenwoordig, destijds was het veel moeilijker om een titel te bemachtigen. Lang niet alle toernooien of competities telden mee. Je was feitelijk aangewezen op uitnodigingen voor gesloten toernooien. Die kreeg je niet vaak. Tegenwoordig moet je nog steeds een heel hoog niveau hebben, maar het aantal kansen is flink toegenomen.

Die meestertitel duurde ook vrij lang. Ik was toen al 23 en dacht iets van dit is dan mijn niveau en dat is het dan. Maar gaandeweg de jaren tachtig werd ik toch steeds beter. Je blijft continu doorgroeien. Dat gaat vanzelf als je er serieus mee bezig bent. Op een gegeven moment kwam toch die grootmeestertitel in beeld en ging ik er ook echt naar kijken. Toen is het gelukt. Ik was een langzame groeier en altijd een beetje wisselvallig.

Wat is volgens jou het belangrijkste verschil tussen een IM en een GM?
Ik zie het niet als twee totaal verschillende categorieën. Het zijn verschillende treden op de ladder. Als ik terugkijk naar de jaren zeventig, dan was zelfs voor hele talentvolle schakers de IM titel het hoogst haalbare. Het was helemaal niet abnormaal als je het niet haalde. Neem Eddy Scholl. Hij was Nederlands kampioen in 1970 en leverde een fenomenale prestatie aan het eerste bord op de Olympiade van hetzelfde jaar, maar hij heeft nooit de meestertitel gekregen. Men vond dat destijds helemaal niet gek. De meestertitel was voor velen het hoogst haalbare. De grootmeestertitel was toen voorbestemd voor de absolute wereldtop. Dat begon in de jaren tachtig en negentig te veranderen. Tegenwoordig kan iedereen die vanaf zijn jeugd serieus met het schaken bezig is en talent heeft meester of grootmeester worden als hij heel erg zijn best doet.

Mis je nog iets uit je tijd van het professionele schaken?
Ja, iedere dag. Alles. Het hele leven. De spanning van de toernooien. De opwinding, het reizen, het avontuur, maar ook thuis altijd bezig zijn met schaken. Dat mis ik nog steeds iedere dag. Het gevoel van met iets geweldigs bezig te zijn.

Als het echt routine gaat worden, een baan om geld te verdienen, dan is voor een type als ik de lol er af. Ik maakte net het vergelijk met treden op een trap. Dat is voor mij altijd belangrijk geweest. Het gevoel en de opwinding hebben dat je nog hoger kunt reiken. Jezelf naar boven werken.

Wat vond je minder plezierig als professional?
Je hebt altijd slechte periodes. Of als de omstandigheden niet goed zijn. Dan kun je depressief worden. Er zijn wel fases geweest waarin ik tegen een depressie aanzat. Gelukkig ben ik er wel altijd weer uitgekomen.
Olympiades waren soms moeilijk. Dan ben je eigenlijk als professional in een amateuromgeving. De organisatie stopt je in hotels en zorgt voor het eten. Maar dat is allemaal ver onder het niveau wat je in toptoernooien gewend bent. Daar werd ik wel eens somber van. Dan moet je een heel leuk team om je heen hebben of de resultaten moeten goed zijn om jezelf dan zo lang, vroeger was dat drie weken, overeind te houden.

Aan welke olympiade heb je goede herinneringen?
Dat was Thessaloniki 1988 toen het Nederlands team derde werd. Gedeeld tweede eigenlijk. We hadden toen een fantastisch team en zelf behaalde ik ook goede resultaten. We hielden samen de uitputtingsslag van de eerste tot de laatste dag vol.

Wie is de schaker in de historie waar je het meeste gevoel bij hebt?
Ik denk dat je onwillekeurig met de kampioenen waarmee je opgroeit de meest sentimentele binding hebt. Dat zijn voor mij Spasski en Fischer. Daarna heb ik de groei van Karpov en Kasparov meegemaakt. Ik heb zelf Kasparov de allerbeste ter wereld gevonden. Maar nu constateer ik dat Carlsen hem wel eens naar de kroon zou kunnen steken. Achtergrond is wel dat ik zulke vergelijkingen eigenlijk niet mogelijk acht. Ik zou ook nooit meedoen aan het maken van ranglijsten of zo. Je moet gewoon de betrekkelijkheid van al dat soort vergelijkingen inzien.

Foto: Harry Gielen

Wat is de leukste anekdote uit je carrière?
(Moet heel diep nadenken) Het was tijdens een toernooi in München. Het was een prima georganiseerd toernooi, maar de arbiter was een wat oudere man en je had het idee dat hij zat te slapen. Ik was daar samen met Jeroen Piket. Jeroen speelde tegen Mišo Cebalo. Cebalo zat niet aan het bord toen Jeroen een zet deed en wegliep. Waarschijnlijk om even naar het toilet te gaan. Toen hij terugkwam, zag hij tot zijn grote verbazing dat de arbiter alle stukken had opgeruimd. De arbiter verkeerde kennelijk in de veronderstelling dat de partij was afgelopen. Gelukkig konden ze de zaak nog op tijd herstellen. Cebalo heeft van het hele voorval niets gemerkt. Hoe de partij is afgelopen weet ik niet meer.

Wat zie je zelf als de toekomst voor het schaken en de rol van de computer daarbij?
De computer is duidelijk niet het graf van het schaken geworden. De computer is de nieuwe speelomgeving van het schaken. Het ziet er hartstikke goed uit. Schaken via internet is waanzinnig populair. Het ziet er dus beter uit dan sinds lange tijd. Het groeipotentieel is nog niet bereikt.

Ook de top heeft er geen moeite mee dat de computer aantoont dat hun partijen toch niet zo goed zijn als ze misschien wel dachten. Ze zijn na afloop razend nieuwsgierig om te weten wat de computer er van vindt. Ze ervaren het niet als een vernedering of zo.

Wat vind je zelf je meest gedenkwaardige of bijzondere partij?
Er zijn er meerdere waar ik met veel plezier op terugkijk. Maar dat was toch wel de partij tegen Korchnoi in het Hoogovenstoernooi van 1978. Toen was ik 21 en Korchnoi de nummer twee van de wereld. Tijdens die partij raakte ik in een soort trance en rees boven mijzelf uit. Het was een hele goede partij en een zwaar bevochten overwinning. Dat was een uniek moment.

Bij mij waren het altijd twee kanten. Ik was natuurlijk heel blij maar ik realiseerde me ook direct “dit niveau ga ik nooit meer halen!” Het was een hele intense ervaring waar veel kanten aan zaten. Het was voor mij een unieke ervaring waarvan ik er maar een paar heb meegemaakt.

Over Viktor Korchnoi gesproken. Hij maakte net zo als alle anderen het menselijke aftakelingsproces mee. Maar bij hem ging dat zo langzaam. Dat was uniek. Ik heb nog van hem verloren toen hij 66 jaar oud was. Ik kwam heel goed te staan, maar verloor vooral van hem omdat hij in de tijdnoodfase nog zo’n ongehoorde kracht had. De intensiteit en de energie en het niet willen verliezen van die partij. Zelfs op die leeftijd had hij het nog. Na de partij had ik heel sterk het idee: “Ik ben niet een generatie jonger dan deze man, maar een generatie ouder!”

Wat was voor jou de reden om te stoppen met actief schaken?
Het is een geleidelijk besluit geweest. Ik voelde dat ik niet meer omhoog kwam. Sterker nog, ik had het gevoel dat ik trede voor trede omlaag ging. Dat tastte mijn motivatie aan. Je gaat om je heen kijken en je ziet dat je van jouw generatie nog zo’n beetje de enige bent die is overgebleven. Iedereen is twintig jaar jonger. Het is een proces dat alle sporters meemaken. Ik had geen zin om het te rekken en een langzaam proces door te maken. Kortom: liever een snel en pijnlijk einde dan het eindeloos blijven rekken van de doodstrijd.

Hoe zie je jouw rol als bestuurder? (Paul is voorzitter van het Max Euwe Centrum)
Ik doe dat niet in mijn eentje. We doen het met een hele groep. Het bevalt me heel goed. Ik ben er nu ruim een jaar mee bezig. Het lijkt me een hele natuurlijke stap. Wat ik doe, is de expertise die ik in mijn jonge jaren heb opgebouwd op een hele andere manier inzetten. Enerzijds om zelf nog van het schaak te genieten als toeschouwer, maar anderzijds ook om het propageren van het schaken en het naar een groter publiek over te brengen zowel binnen- als buiten de schaakwereld.

Je geeft ook trainingen?
Ja, dat doe ik ook met veel plezier. Ze moeten niet de deur plat lopen, maar dat doen ze gelukkig ook niet. Ik wil wel blijven genieten van mijn leven als pensionado. Ook al zou ik voor de rest van mijn leven geen partij meer spelen, ik beleef gewoon heel veel plezier om erover te lezen en het te volgen.

Personalia

  • Naam: Paul van der Sterren
  • Woonplaats: Amstelveen
  • Geboortedatum: 17 maart 1956
  • Website: PaulvanderSterren.nl

Erelijst (met onder andere):

  • Nederlands Kampioen (1985 en 1993)
  • Interzonale toernooi Biel, 2e plaats (1993)
  • Kwartfinale kandidatenmatches
  • Hoogste FIDE-rating: 2605 (1994)

Over Michel Hoetmer

Michel schaakt al sinds begin jaren '70. Hij speelde bij schaakclub Utrecht (2e klasse KNSB) en hij was ook redacteur van het clubblad. Tegenwoordig is hij lid van sv Zukertort in Amstelveen. In het dagelijks leven is hij verkooptrainer en publiceerde diverse boeken en artikelen over verkopen en marketing. Sinds kort mag hij zichzelf ook gediplomeerd schaaktrainer (2) noemen.

8 Comments

  1. Avatar
    Hendrikom februari 18, 2021

    Ik herinner me nog dat ik rond de tijd van dat toernooi in Biel in Denemarken het Europees Jeugdkampioenschap speelde. Een klein beetje op de toon van McEnroe (zoals destijds bij die andere Paul, Haarhuis) werd mij daar te Vejen opeens gevraagd: ‘ Who the hell is Van der Sterren’ . Als clubgenoot kon ik dat natuurlijk haarfijn uitleggen!

  2. Avatar
    Wim Weehuizen februari 18, 2021

    Mijn petje af voor Paul van der Sterren wat hij als grootmeester bereikt heeft in het schaken. ik heb het no gevolgd, toen hij voor Caïssa in de competitie speelde en ook zijn analyses op hun website gaf. En hij heeft helemaal gelijk over het behalen van de grootmeestertitel. Tegenwoordig zijn er speciale titeltoernooien, zoals op Kreta met in 2018 veel Griekse schakers, een Oost-Europeaan en twee Britse schakers. Eén Griekse grootmeester komt net boven de 2500 uit, de rest van de schakers zit daar (ruim) onder. Maar het lukt een Indiaas joch van 12 jaar wel om een grootmeesterresultaat te behalen. Die Britten waren gezien de reglementen nodig en zullen zeker van hun zonvakantie hebben genoten. Op de website werd het sterke spelersveld nog uitdrukkelijk genoemd.

  3. Avatar
    Derk Dekker februari 18, 2021

    Mooi interview.

    Als aanvulling: de video-serie over de eerste wereldkampioenschapsmatch van Euwe, gepresenteerd door Paul van der Sterren, is zeer de moeite waard. www.youtube.com/user/MaxEuweCentrum

    Als we allemaal donateur worden van het Max Euwe centrum, komt er wellicht een tweede serie over de revanche-match.

  4. Avatar
    Caesar64 februari 18, 2021

    Idd goed interview. Ik vind het ook wel interessant om te weten welke spelers een grootmeester als van der Sterren goed lagen en welke minder en waarom.

    • Avatar
      Peter Huisman februari 18, 2021

      Paul van der Sterren heeft ooit eens in een interview verteld dat hij een enkel keertje van Gert Ligterink verloor, en daarna nog een keer, en dat werd het begin van een reeks. Toen moest hij van zijn partner Hanneke van Parreren iedere ochtend hardop zeggen “Ik ben minstens net zo goed als Gert!” en daarna ging het een stuk beter. Verder is natuurlijk wel bijzonder dat hij niet alleen in Wijk aan Zee 1978 van Korchnoi won, maar ook een paar jaar later in de KNSB competitie.

    • Avatar
      Henk Smout februari 18, 2021

      Dat is de variant van twee partijen Euwe – Capablanca 1931.

  5. Avatar
    Wim Weehuizen februari 18, 2021

    Inderdaad speelde Euwe dit met wit in zijn match tegen Capablanca in de 8e en 10e partij, toen hij eerst een 1-0 achterstand en later een 2-0 achterstand moest goedmaken. Maar Capablanca liet zich niet beetnemen en hield beide partijen remise. Deze match, die in de zomer van 1931 in Nederland werd gespeeld, werd door Capablanca met 6-4 gewonnen. Hij had daardoor officieus het recht Aljechin uit te dagen, maar die ontliep Capablanca.

Alleen geregistreerde kunnen een reactie achter laten.