Tata in de media (2): Jorden van Foreest voelt zich niet kansloos

Jorden van Foreest verloor zijn eerste partij van Viswanathan Anand, dat kan gebeuren. Vervolgens won hij van Jan-Krzystof Duda, dat was een aangename verrassing. Van tevoren had hij tegen Jan-Cees Butter (Trouw) gezegd dat hij zich niet kansloos voelde. Hieronder enkele citaten.

Foto: Harry Gielen

Kop:

“Het wordt genieten. Tot er een paar partijen verloren gaan.”

Over zijn wildcard en op de vraag wanneer hij tevreden zal zijn:

“In het begin zal ik zeker genieten. Dit is voor mij een droom die uitkomt. Maar zodra ik een paar partijen achter elkaar verlies, wordt het minder genieten en slecht slapen. Dan wordt de druk vervelend.”

Over zijn speelstijl:

“Ik zie mezelf graag als een universele speler, iemand die alles wel redelijk kan. Impulsief ben ik nog steeds. Dat heeft ook te maken met mijn karakter en persoonlijkheid. Ik heb wel eens wat gelezen om te kijken of ik daar iets aan kan doen maar vaak is het gewoon nutteloos, omdat je zwakke punt tegelijkertijd ook je sterke punt kan zijn. Af en toe impulsieve zetten doen, kan ook betekenen dat ik mijn tegenstander ineens hevig onder druk zet. Ik probeer er gewoon goed mee om te gaan.”

Over het zijn van de laagst gerate speler:

“De hele wereldtop is hier en ze willen allemaal van mij winnen. Tenzij ik er heel snel van af word gemept, kan ik hele lange partijen verwachten, waarbij ik elke keer onder druk sta. Dat kost veel energie.”

Over zijn kansen:

Lees meer >

Tata in de media (1): Carlsen niet blij met WK-match

Magnus Carlsen heeft meer plezier in het Tata-toernooi in Wijk aan Zee dan in november in de WK-match in Londen. Dat zei hij voorafgaand aan het toernooi in een ontmoeting met journalisten. Dat hij zich thuisvoelt in het schaakdorp, zal niemand verbazen.

Magnus Carlsen heeft zin in zijn favoriete toernooi.

Jeroen Haarsma, chef-sport van het Noord-Hollands Dagblad en andere regionale kranten: “Hij neemt het woord meerdere keren in de mond: ‘Pressure’. De druk, altijd maar weer die druk. Eerst was er dat stempel van wonderkind, tegenwoordig wordt hij als de Messi van het schaken neergezet. De allergrootste.”

Ook de WK-match gaf hem te veel druk en hij overwoog nooit meer om het wereldkampioenschap te spelen. Carlsen houdt niet van het format: “Geef mij maar een veld met meer deelnemers, met meer snelheid en de wetenschap dat je wedstrijden moet winnen in plaats van vooral niet verliezen.”

Volgens Haarsma beschouwt Carlsen Wijk aan Zee als zijn tweede huis, waar hij op dertienjarige leeftijd doorbrak. Hoewel: “Donderdag was er geen wind en geen regen! Dat zijn totaal nieuwe omstandigheden. Maar gelukkig, vandaag is alles zoals vanouds.”

Als kind van dertien wilde Carlsen vooral veel schaken en had hij geen grote ambities. Dat vond hij relaxed en dat mist de wereldkampioen nu.

Wijk aan Zee heeft op Carlsen een therapeutische werking op zijn geest, zo meent de journalist. Carlsen: “De vertrouwde geluiden en de lucht hier, ze zijn in vijftien jaar niet veranderd. Het mooie aan dit toernooi is dat het me herinnert aan makkelijkere tijden.”

Lees meer >

Wie zijn deze Haarlemse Heren?

Een verrassende vondst deed Casper Woudenberg bij Schaak- en Gowinkel Het Paard, aan de Haarlemmerdijk in Amsterdam. Casper schaakt bij HSG (Hilversum) en werkt op zaterdag bij Het Paard. Groot was dan ook zijn vreugde toen hij deze foto zag, van een HSG-team dat in het seizoen 1951-52 naar de hoofdklasse promoveerde.

De foto kwam terecht bij Wim van der Wijk en mij, omdat wij in 2012 een boek schreven over de 125-jarige geschiedenis van HSG. Wij waren verbaasd. Weliswaar hebben wij weinig oude foto’s, maar er staat werkelijk niemand op van wie wij een vermoeden hebben wie het is. De broers Van Oosterom leken ons jonger dan de jongelui rechtsboven en we vonden dat die er ook helemaal niet op leken. En wij misten graaf Van den Bosch, die op een foto uit die tijd zeker niet zou ontbreken. Trouwens, HSG drong toch pas rond 1960 door tot de hoofdklasse?

Lees meer >

Schaakhistorie (11) : Polgar-manie in Nederland (1989-1992)

 

Quality Chess, 2012

Judit Polgar zal vast nog door vele schaakliefhebbers gezien worden als een jongedame. Ze is echter 42, in de huidige top tien van de wereld zou ze na Anand en Kramnik de oudste zijn. Het is ook al dertig jaar geleden dat ze de wereldtop binnenkwam. Nederland speelde daarbij een belangrijke rol.
Natuurlijk, ook zonder Nederland zouden de Polgar-zussen zijn ‘ontdekt’ en zou Judit een wereldtopper zijn geworden. Maar het is aardig om de rol te zien van een groep jonge Eindhovenaren. In april 1985 beschreef Leon Pliester dit in het bondsblad.
Een jaar eerder waren Johan van Mil, Herman Grooten en Rudy Douven in Boedapest geweest en hadden kennisgemaakt met de familie. Terwijl ze met elkaar ravotten en voortdurend onder de tafel doken (Judit was zeven jaar) wonnen de meisjes moeiteloos van de Nederlandse meesters. Een halfjaar later ging Pliester zelf naar Boedapest, samen met Filip Goldstern en met Van Mil, die hem bij de familie introduceerde. Pliester hield contact en bracht de familie een paar jaar later in contact met Joop van Oosterom. Die bood de zussen maar liefst honderdduizend dollar per jaar aan voor trainingsdoeleinden. Pliester: “Van Oosterom zei: als jullie iets willen hebben, kom maar naar mij en ik regel het.” Een kleine tegenprestatie was, dat de meisjes een paar keer voor HSG zouden spelen, de Hilversumse club die door Van Oosterom werd gesponsord.

Voorpagina’s
Het eerste optreden van Judit Polgar in Nederland was bij het OHRA-toernooi in 1989 in Amsterdam. In de open groep (er was ook een kroongroep met zes spelers) won ze als dertienjarig meisje in de eerste ronde van Hans Ree. De media rukten massaal uit. De Volkskrant zette haar om die overwinning op de voorpagina en na de achtste ronde nogmaals, nadat ze een grootmeesternorm had gehaald. Het NOS-journaal was aanwezig toen ze in de laatste ronde de toernooizege miste. Samen met Gelfand werd ze derde, achter Azmaiparasjvili en Psakhis.
Judit schrijft erover in haar boek ‘How I beat Fischer’s record’ (2012), deel 1 van haar trilogie ‘Judit Polgar Teaches Chess’. Na een aantal goede resultaten was ze aanvankelijk uitgenodigd voor de kroongroep, maar haar vader oordeelde wijselijk dat dat te hoog gegrepen was. Inderdaad, de groep bestond, in volgorde van eindstand, uit Beljavski, Kortchnoi, Speelman, Gulko, Piket en Van der Wiel. Dat zou te gek zijn, meende vader, die zijn oudste dochter Zsuzsa (nu Susan) ook al eens door het ijs had zien zakken.

Lees meer >

Utrechts raadslid ontwerpt uniek schaakspel

In de gemeente Utrecht verlaat raadslid André van Schie na acht jaar de gemeenteraad, om lid te worden van Provinciale Staten. Bij zijn afscheid, vanavond, bood hij de gemeente een uitzonderlijk schaakspel aan, dat hij zelf heeft ontworpen. Alle stukken refereren aan Utrechtse figuren, namelijk Nijntje (pion), de Dom (koning), de Utrechtse verzetsheldin Trijn van Leemput (dame), paus Adrianus VI (loper), Sint Maarten (paard) en de Utrechtse watertorens (torens).

Het spel is ook in beperkte oplage te koop.

De immer enthousiaste KNSB-voorzitter Marleen van Amerongen liet onmiddellijk op Twitter weten

Lees meer >

Koningen van het schaakbord – Paul van der Sterren

Toen ik het boek ‘Koningen van het schaakbord’ van Paul van der Sterren in huis kreeg, las ik eerst het hoofdstuk over Max Euwe en toen dat over Magnus Carlsen. Een conclusie van mij was: de schrijver gaat er wel met grote passen doorheen, al zijn de beschrijvingen van de speelstijlen wel heel mooi. Vervolgens las ik de inleiding en zag ik tot mijn genoegen dat Van der Sterren het woord ‘beknopt’ zelf ook gebruikt. Hij schrijft verder: “Aan de hand van korte biografieën, hun beroemdste partijen en een karakteristiek van hun spel, zal ik proberen te laten zien wat deze groten zo groot maakte en wat hun betekenis was voor de schaakwereld. En passant volgen we daarmee ook de ontwikkeling van het schaakspel zelf, dat in de afgelopen tweeënhalve eeuw weliswaar hetzelfde is gebleven, maar tegelijk ingrijpend is veranderd.” Dus als ik de hoofdstukken beknopt noem, kan ik beter zeggen dat ze voldoen aan de opzet die de schrijver voor ogen had. Uiteraard staat er in de 265 pagina’s wel degelijk een heleboel informatie.

Het boek gaat over de zestien officiële wereldkampioenen die we gehad hebben. De eerste hoofdstukken gaan over de periode daarvoor.

 

Van der Sterren laat zien dat je Francois-André Danican Philidor (1726-1795) wereldkampioen zou mogen noemen als die titel toen al had bestaan. Partijen kan hij niet laten zien, er werd in die tijd nog niet genoteerd. Wel laat hij de bekende ‘Stelling van Philidor’ zien, een leerzame eindspelstelling.

 

Van de fameuze match La Bourdonnais-McDonnell in 1834 werden wel alle 85 partijen genoteerd, maar niet door henzelf. Zelf noteren was ‘ongehoord’, daar had men notulisten voor. Hierdoor is bijvoorbeeld (naast veel meer) wel de volgende stelling bewaard gebleven.

Zwart, La Bourdonnais, heeft net 37…e2 gespeeld en McDonnell gaf op, ondanks zijn enorme materiële voorsprong. Deze stelling zegt veel over wat voor fantastische partijen er in de negentiende eeuw werden gespeeld. Van der Sterren geeft die partij overigens niet. Hij laat in het boek wel partijen zien, maar vooral fragmenten. Van der Sterren: “Als iemand mij wel eens vraagt wat er nou eigenlijk zo mooi is aan het schaken, laat ik deze stelling zien.”

Lees meer >

Schaken: sport of geen sport?

Magnus Carlsen won in Londen de WK-match, maar de Engelse sportredacties schreven er niets over. De Britten schijnen gezegd te hebben: schaken is geen sport, want er is geen bal en geen veld. Er zijn meer bezigheden waarvan mensen zich afvragen of het sporten zijn of niet.

Max Euwe bereidde zich ook fysiek voor op de WK-match van 1935.

Jan-Cees Butter, freelance-journalist, schreef er een artikel over in Trouw van vandaag. Hij sprak met Ivo van Hilvoorde, sportfilosoof aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en de Hogeschool Windesheim in Zwolle en met Bettine Vriesekoop, oud-toptafeltennisster. Beiden vinden schaken een sport.

 

Van Hilvoorde: “Wat mensen sport vinden, heeft vaak te maken met de tradities en de geschiedenis van een land. Daarnaast zit er iets opportunistisch in: als we als land ergens goed in zijn, zijn we eerder geneigd iets sport te noemen. Ik sprak laatst een Noorse collega die zei dat er in Noorwegen nooit over schaken werd geschreven, totdat Carlsen wereldkampioen werd. Datzelfde geldt een beetje voor Nederland. Er wordt de laatste jaren veel meer over Formule 1 geschreven vanwege Max Verstappen.”

Schaken is geen fysieke sport, al vindt de filosoof stilzitten wel degelijk een enorme vaardigheid. Als voorwaarden om iets een sport te noemen, noemt hij dat het wereldwijd beoefend moet worden, dat de regels overal hetzelfde zijn, dat er een vaardigheid getest wordt en dat het een wedstrijdkarakter heeft.

 

Vriesekoop: “Schaken is niet zozeer fysiek als wel tactisch en mentaal. Ik denk dat mensen geen idee hebben wat er allemaal bij komt kijken. Datzelfde geldt voor tafeltennis, dat ook wel een ‘campingsport’ wordt genoemd. Terwijl het zo’n complexe sport is. Je hebt je eigen spel, maar ook het spel van je tegenstander.

Lees meer >

Carlsen-Caruana in de media (10): Hoe nu verder?

Alle twaalf partijen remise in de WK-match, heeft dat gevolgen voor de toekomst? Hans Böhm denkt van wel. Dat zei hij onder andere in het tv-programma Nieuwsuur. Hij kan zich voorstellen dat het speeltempo wordt ingekort, zodat er eerder fouten worden gemaakt. De tiebreakpartijen waren daar al een voorbeeld van, al is het verschil tussen rapidtempo en klassiek tempo natuurlijk wel groot. Een ander idee is dat het WK voortaan in een toernooi wordt verspeeld in plaats van een match. Het zijn suggesties, de FIDE moet het maar beslissen.

Op de vraag hoe Carlsen na twaalf remises opeens wel met 3-0 kan winnen in de snellere partijen, vergelijkt Böhm de Noor met Cruijff of Messi. Zij hebben het supertalent en de intuïtie dat ze ook zonder nadenken de juiste beslissing kunnen nemen. Die voetballers kunnen zomaar opeens het juiste lobje of de juiste dieptepass geven. Carlsen kan dat in het schaken beter dan Caruana. Natuurlijk is Caruana de tweede schaker van de wereld op dit moment, maar Carlsen is net als Cruijff en Messi van een niveau dat zelfs daarboven uitsteekt.

Lees meer >

Carlsen-Caruana in de media (9): De dagbladen

“Alsof hij het ongelijk van zijn critici op ondubbelzinnige wijze wilde aantonen, won Magnus Carlsen de tiebreak van de WK-match in Londen met 3-0. Twee dagen voor zijn 29ste verjaardag stelde de Noor daardoor zijn in 2013 veroverde wereldtitel voorlopig veilig. Pas eind 2020 zal hij die opnieuw verdedigen.”

Zo begon Gert Ligterink zijn slotverslag in de Volkskrant. Cruciaal volgens Ligterink was de eerste rapidpartij, waarin Caruana de grote problemen had opgelost maar in remisestand een simpel zetje over het hoofd zag.

Carlsen was lang niet zeker van zijn stelling in de tweede partij. “Maar na die eerste partij voelde ik me kalm en zelfverzekerd.”

Na afloop zei Carlsen dat zijn spel de laatste jaren niet al te best is geweest, maar dat het in deze tweekamp een stap in de juiste richting vertoonde.

Gari Kasparov had Carlsen nog bekritiseerd over de twaalfde partij, maar zei na de barrage: “Zijn niveau in rapidpartijen is fenomenaal. We zijn allemaal zwakker als we minder bedenktijd hebben, maar Carlsens speelsterkte daalt hooguit met 15 procent.”

Het artikel van Ligterink is hier te lezen.

 

De Telegraaf (niet Hans Böhm) geeft een opmerkelijk citaat van Caruana: „Het was tot het laatste moment een hard gevecht met weinig krachtsverschil. Ik denk dat we samen reclame voor onze sport hebben gemaakt en ik hoop dat we een nieuwe generatie hebben geïnspireerd ook te gaan schaken.”

Lees meer >

Carlsen-Caruana in de media (8): Remises van hoog niveau

Tot en met partij 7 was de WK-match niet de match waarop Hans Böhm had gehoopt. Maar vanaf partij 8 wel. Dat zei hij in het radioprogramma Langs de Lijn en Omstreken.

Nooit eerder begon een WK-match, waarvan de eerste al in 1886 werd gespeeld, met tien remises. Böhm merkt op dat dat niet zo veel zegt. Er zijn saaie remises en er zijn remises na fantastische vechtpartijen. Daartoe behoren de laatste drie partijen. In de achtste partij had Caruana kansen, in de negende Carlsen en in de tiende allebei. Böhm: “Beiden zouden deze partij van menig wereldtopper hebben gewonnen. Carlsen had een winnende aanval, toen stond hij weer verloren, het was een prachtig gevecht.”

Aftasten gebeurt ook in andere sporten, Böhm noemt boksen als voorbeeld. Plaagstootjes, aftasten en de kennis die je daarbij opdoet komt je verderop in het gevecht ten goede.

Lees meer >