Boekenrubriek

Recensie: 100 partijen uit de schaakgeschiedenis door Tom Smit

Jarenlang gaf ik les aan clubschakers. Het waren cursussen die ik zelf organiseerde in mijn toenmalige woonplaats Eindhoven. Een zaaltje was zo geregeld, maar vervolgens begon de werving en dat was – dacht ik – niet zo eenvoudig. Achteraf bleek dat, zeker in het begin, mee te vallen omdat er juist bij veel clubschakers een grote behoefte bestaat aan het krijgen van schaaktraining. Dus toen ik de aankondiging voor een schaaktraining op een paar websites had gezet en er ook in geslaagd was om flyers bij de grote verenigingen te verspreiden, bleken er snel zo’n 20-25 schakers bereid te zijn om naar Eindhoven te komen voor een doordeweekse trainingsavond van 2½ uur waarin uiteraard de nodige interactie en diverse oefenvormen op het menu stonden. Voordat ik mijn leerplan voor acht avonden en de specifieke invulling (inclusief werkvormen) begon uit te werken, nam ik contact op met de KNSB om er eens achter te komen wat nou de gemiddelde rating was van de bij de bond aangesloten leden. Normaal delen zij dit soort gegevens niet (en terecht!) maar er kon mij meegedeeld worden dat de speelsterkte tussen 1500 en 1600 zat. Ik had daar al zo’n vermoeden van, maar het was een duidelijk signaal dat veel trainers veel te moeilijke stof aanbieden aan het gros van de mensen. Dat ging ik anders doen! Moeilijke onderwerpen makkelijker maken en uiteraard differentiëren in de oefeningen. Voor de betere schakers tijdens dit soort cursussen had ik aparte kaartjes of bladen met oefeningen klaarliggen. De intentie was wel om de groep op de gemiddelde speelsterkte te bedienen tijdens de instructie. Deze cursussen heb ik zo’n 20 jaar volgehouden met afwisselende bezettingen.

Vorig jaar tijdens het toernooi van Hoogeveen stapte er voorafgaande aan een ronde ineens een heer op mij af, stelde zich voor, vertelde dat hij een kleine serie schaakboeken in eigen beheer aan het ontwikkelen was, of ik een recensie wilde schrijven over (of meer) van deze boeken. Hij had al een eerste boek “100 fouten in de opening die je moet kennen” op zijn naam staan en wilde daar nog een vervolg aan geven.

Ik kreeg onmiddellijk een uittreksel van zijn nog te verschijnen boek “100 eindspelen” aangereikt, de laatste in de serie van drie. Ondertussen wilde hij het boek “100 partijen uit de schaak­geschiedenis” afronden. Dat boek is inmiddels verschenen en heeft hij naar mij opgestuurd en dat heb ik met veel plezier doorgekeken.

Wanneer gebeurt het dat een clubschaker die precies in de speel­sterkte­range van 1500-1600 het initiatief neemt om een schaakboek te schrijven? Bij mijn weten vrijwel nooit!

Maar het is Tom Smit (geboren 1948) uit Ede, want over hem hebben we het, toch gelukt. Smit is lid bij twee schaak­verenigingen, te weten ESV en schaakvereniging De Cirkel allebei uit Ede. Bij de laatste club geeft hij als schaaktrainer les aan de jeugd, terwijl hij dat ernaast ook nog op diverse basisscholen doet. Dat hij een echte liefhebber is van ons koninklijke spel, blijkt uit het feit dat zijn naam opduikt bij vele schaak­toernooien in binnen- en buitenland. Het is dan niet meer dan logisch dat hij zijn eigen spelvreugde en didactische capaciteiten gebruikt om boeken samen te stellen over onderwerpen die hem aan het hart liggen. Wie is eigenlijk Tom Smit? Op 11-jarige leeftijd leren schaken van zijn vader, jeugd­kampioen van Breda geweest, systeemanalist van beroep, na zijn huwelijk niet meer geschaakt maar dat 18 jaar geleden weer opgepakt.

Lees meer >

Een inhoudsopgave of een code?

Zoals trouwe Schaaksitelezers vast is opgevallen, houd ik van jubileumboeken. Vaak haalt zo’n jubileum de beste verhalen en het grootste schrijftalent naar boven, wat ik toch prettiger lezen vind dan dat het +0,7 staat na 19. Tac1 (een verbetering t.o.v. 19. Tdc1 +0,5). Onlangs kon ik mijn selectie nog wat uitbreiden, doordat Joop Jansen aan het opruimen is. We troffen elkaar in Wijk aan Zee bij het boekenstalletje van Erika en Robert,

Lees meer >

Petrosian Year by Year Volume II (1963-1984)

Het te bespreken boek is het vervolg op een boek dat ik enige tijd geleden recenseerde Petrosian Year by Year Volume I 1942-1962. Het behandelt de partijen van Petrosian vanaf zijn WK match met Botwinnik in 1963 tot zijn laatste partijen in 1983 – hij overleed op 55-jarige leeftijd in 1984.

Ook dit boek is omvangrijk (meer dan 500 bladzijden) en besteedt aan bijna elke partij een of meer zinnen – aan de toch wel vele korte remises worden gelukkig niet teveel woorden vuil gemaakt.

Lees meer >

Recensie: Under the Surface – 2nd Edition

Hoe kan het toch dat een grootmeester zoveel sterker is dan een gewone clubspeler? Ziet een grootmeester meer mogelijkheden? Kan een grootmeester accurater of sneller rekenen? Kent een grootmeester meer openingen? Tot op zekere hoogte is het allemaal waar. Op elk vlak schiet een clubspeler tekort tegen een grootmeester. Het grootste verschil wordt volgens auteur Jan Markos gemaakt doordat een grootmeester dieper kijkt dan een clubspeler. Een clubspeler kijkt veel te oppervlakkig naar een stelling.

Lees meer >

Recensie: Playing the Nimzo-Indian door Renier Castellanos

Wie opgegroeid is in de jaren 80 of 90 van de vorige eeuw is beslist niet verwend: wij zijn opgegroeid met schaakboeken van zeer bedenkelijk niveau – maar er was niets anders. Natuurlijk waren er positieve uitzonderingen. Wat me zo te binnenschiet: de stappenmethode, Bronsteins Zürich 1953, Fischers My 60 memorable Games, Tals Life and Games. In de jaren waarin een grondig fundament voor het schaakbegrip gelegd moet worden, werden wij vanuit educatief perspectief bestookt met dogma’s (“speel niet met een randpion”, “openingsstudie is irrelevant tot 2300”, “open de stelling alleen als je het loperpaar hebt.”).

Lees meer >

Korte CV: Oele Dijkhuis

Mijn naam is Oele, 23 lentes jong. Ik woon momenteel in Rotterdam en vond schaken al op jonge leeftijd leuk en leerde het spel in Utrecht, nadat mijn broers mij waren voorgegaan. Als hoogtepunt ben ik op mijn vijftiende Nederlands kampioen geworden onder 16 jaar. Ik speelde veel toernooien in het buitenland; dat waren mijn leukste schaakervaringen. Met de Siciliaanse Draak pakte ik vaak punten en ook het Italiaans speel ik graag.

Lees meer >

Recensie: Ulf – the Attacker! door Thomas Engqvist


Als er één speler is die – met zijn bijzondere speelstijl – de aandacht verdient, is het wat mij betreft de Zweedse grootmeester Ulf Andersson. Hij behoorde een tijd tot de wereldtop met zijn zuiver strategische stijl en hij stond bekend om zijn fenomenale eindspeltechniek. Sommige mensen vonden dat zijn spel niet tot de verbeelding sprak, maar dat ben ik grondig met hen oneens.

Inderdaad: het lijkt allemaal dat veel van zijn partijen rond het isgelijkteken (ofwel in de tegenwoordige computertermen 0.00) hangen, maar bij het naspelen van veel partijen blijkt dat toch niet waar. Zo bediende Andersson bijna zijn gehele carrière tegen 1.e4 zich van het Siciliaans dat in de eerste plaats toch een vechtopening is. Voor mij was het altijd speciaal hoe tegen de gevaarlijkste aanvalsspelers ter wereld ook deze ondoorzichtige jungles overeind bleef en vaak ook nog won. Een belangrijke reden waarom ik zijn partijen met verhoogde interesse volgde was omdat hij graag het zogenaamde “egelsysteem” speelde. Ondanks een groot gebrek aan ruimte is opmerkelijk hoe groot de veerkracht is van deze speelwijze. Toen er een boek verscheen met de opmerkelijke titel “Ulf, the Attacker”, keek ik dan ook verwonderd op. Want eerlijk gezegd kende ik hem niet zo, maar grootmeester Thomas Engqist is er wat mij betreft volledig in geslaagd om deze kant in het spel van Ulf mooi te belichten. En eigenlijk durf ik nu te zeggen dat ik begrijp hoe Andersson zijn ontwikkeling naar de top heeft kunnen maken en vooral ook, hoe het komt dat hij tegen de grootste “hakkers” (om zo oneerbiedig te noemen) vaak met een vol punt aan de haal ging. Hij was tactisch ook een geweldenaar, kon goed rekenen en daarom ook zo goed verdedigen! Want in zijn jeugd had hij – als ik Engqist mag geloven – zich de stijl van Paul Morphy eigen gemaakt!

Jan Timman schreef het voorwoord voor het boek over zijn goede vriend Ulf (foto Jos Sutmuller)

Voordat ik inhoudelijk inga op wat voor moois er in dit boek allemaal te vinden is, een korte beschrijving van de levensloop en carrière van de sympathieke Zweedse grootmeester:

Ulf Andersson is geboren op 27 juni 1951 in Västerås in Zweden en groeide op in Arboga, een dorp zo’n 200 kilometer ten westen van Stockholm. Hij begon pas op 10-jarige leeftijd met schaken, rijkelijk laat voor een speler die later decennia lang tot de wereldtop zou gaan behoren. Hij vond voetbal en ijshockey leuk in zijn jeugd en het schaken kreeg pas een wat prominenter plek in zijn leven toen hij op zijn dertiende lid van een schaakvereniging in Arboga.

 

Ulf studeerde in 1969 af aan de vakschool als industrieel monteur, nadat hij net had leren draaien en lassen. Toch heeft hij letterlijk daar zijn “draai” niet in gevonden omdat zijn schaakcarrière een vlucht nam vanaf 1970 en hij eind jaren ’70 al bij de elite hoorde. Want vanaf 1979 toen hij nummer 25 was op de ratinglijst, klom hij op tot de 12e plek in 1981. Twee jaar later, in 1983 dus, werd hij zelfs de nummer vier van de wereld, toen met een piekrating van 2640. Kom daar tegenwoordig nog maar eens om. Dan lijkt 2640 niet op de 2776 van Vincent Keymer dat de nummer vier van de wereld nu even in de liveratings heeft.

Lees meer >

Recensie: Botvinnik’s Best Games

Inleiding

Waarom zou je oude partijen van iemand als Botvinnik bestuderen? Voor de wat meer historisch aangelegde schaker, die zijn begrip van openingen en middenspel graag verdiept aan de hand van modelpartijen, is dat geen moeilijke vraag. Toch merkte ik bij mezelf dat het vaak niet lukte om een partijverzameling systematisch door te werken. Het kost veel tijd om een partij echt goed te bestuderen, en soms bekruipt je onvermijdelijk het gevoel: waarom zou ik zo’n oude partij nog analyseren?

Lees meer >

Korte CV: Joeri Piet

Foto privé collectie

Van mijn tiende tot en met mijn twaalfde levensjaar heb ik geschaakt bij de schaakjeugd in het Noord-Hollandse Assendelft. Daarna heb ik het schaken weer opgepakt op mijn 25e in Amsterdam. Inmiddels meer dan 25 jaar verder schaak ik op mijn 51e nog steeds met veel plezier, maar nu in Amersfoort.

Qua openingen heb ik van alles gespeeld en iedere keer als ik mezelf voorneem “Nu is het voorgoed 1.e4”, ga ik toch weer wat anders spelen. Dat is een van de redenen dat het spelletje voor mij leuk blijft en naast het lezen en studeren speel ik natuurlijk ook gewoon graag een potje schaak.

Qua schaaksites vind ik Schaaksite.nl veruit de leukste site om schaaknieuwtjes vandaan te halen en ik hoop met mijn recensies hier dan ook een bijdrage aan te kunnen leveren.

Lees meer >

Petrosian Year by Year Volume 1: 1942-1962

De Engelse uitgeverij Elk and Ruby onderscheidt zich met haar uitgaven met een schaak­historisch karakter, soms ook over hier minder bekende Sovjet schakers. Het onderwerp van te bespreken boek is beroemd: Tigran Petrosian (1929-1984), wereldkampioen van 1963-1969. Daarnaast won hij vier keer het Sovjet kampioenschap en behaalde in 129 Olympiade partijen 78 winsten, 50 remises en slechts één verlies (tegen Hübner). In 2018 schreef Herman Grooten voor Schaaksite een artikel over hem.

Lees meer >