Ulf the Wolf

Vanavond is het Open Kampioenschap van Utrecht begonnen. Dit door Paul Keres altijd met verve georganiseerde toernooi, kent wederom een interessant deelnemersveld. Toen ik de lijst aanklikte, zag ik daar tot mijn verbazing de naam van de Zweedse grootmeester Ulf Andersson, bijnaam “Ulf the Wolf”, staan. Een weekendtoernooi lijkt me nu niet direct iets dat hem op het lijf geschreven is, maar hij is op papier natuurlijk wel een grote gegadigde voor de eindoverwinning. Hij ondervindt onder meer concurrentie van de sterke Russische grootmeester Vyacheslav Ikonnikov.

Ulf Andersson (Foto: Ab Scheel)

Voor mij is Andersson een soort ‘cultheld’ binnen het schaken. Met zijn zeer eigen en typische stijl wist hij zich lange tijd te handhaven bij de wereldtop. Het is lastig te omschrijven waar Andersson zo goed in was, zijn stijl had veel weg van die van ex-wereldkampioen Tigran Petrosian. Veel draaide bij hem om profylaxe, het pareren van dreigingen van de tegenstander, soms zelfs voordat ze werkelijk actueel zijn. Hij was een meester in het verdedigen, ook van scherpe stellingen. Zo bleek hij in zijn goede tijd ook in scherpe Sicilianen nauwelijks te kloppen. Zijn eindspelbehandeling was fenomenaal. Met engelengeduld slaagde hij er vaak in om de kleinste voordeeltjes uit te bouwen tot wat tastbaars en niet zelden ging de tegenstander er na eindeloze manoeuvres onderdoor. Partijen van Andersson, waarin hij wint, duren vaak lang!

Ook staat hij bekend om zijn positionele offers, waarbij hij vooral het kwaliteitsoffer tot wapen heeft verheven. Zeer bijzonder zijn ook zijn ontdekkingen in de zogenaamde drierijensystemen. Deze ontstaan vaak uit de Engelse opening of uit andere flankspelen, maar hebben eigenlijk het kenmerk van het Maroczy Siciliaans. Er is een witte d-pion tegen een zwarte c-pion geruild en wit heeft pionnen op c4 en e4. In de tijd van Tarrasch dacht men dat wit dan al bijna gewonnen stond omdat met het gigantische ruimtevoordeel het binnenhalen van de winst slechts een kwestie van tijd zou zijn. Hoe zeer heeft men zich vergist. Vrijwel alle wereldtoppers hebben zich wel eens teruggetrokken op de onderste drierijen. Andersson was een van de eersten die de flexibiliteit van de “Egel” (zoals de Engelsen het systeem noemen) onderkende. De ideeën en originele manoeuvres die hij heeft bedacht, zijn nog altijd gemeengoed onder veel spelers. Het leek me een leuk idee om van Andersson wat fragmenten uit zijn “oeuvre” aan de bezoekers van Schaaksite voor te leggen. In de hoop dat we dit weekend weer iets mogen meemaken van zijn speelkracht. Hieronder treft u slechts fragmenten van zijn bijzondere concepten aan. Hoe de volledige partijen verlopen kunt u in de viewer naspelen.

en

Kwaliteitsoffer

Andersson was, net als de meeste strategen, de man van de positionele kwaliteitsoffers. Twee sprekende voorbeelden:

Andersson – Adorjan, Szirak 1987.

Hier speelde Andersson het geweldige 17. e4! Daarmee offert hij de toren op d4 in ruil voor de verdedigende loper van g7. De verzwakte diagonaal bracht hem (meer dan) voldoende compensatie. Na 17… Lxd4 [17… Lc6 18. Txd7] 18. Txd4 Lc6 19. Dd2! slaagde hij erin een gevaarlijk initiatief te ontwikkelen dat uiteindelijk tot de overwinning leidde.

Een sterk staaltje vind ik nog altijd het volgende offer:

Kasparov – Andersson, Moskou 1981.

Hier speelde Andersson het moedige 13… Txe3?! Ik geef je het maar te doen, tegen de sterkste speler ter wereld en dan keurig remise maken daarna! De compensatie bestaat uit het bezit van de zwarte velden, het loperpaar en het sterke veld op e5. De zet wordt overigens afgekeurd door commentator Belov van wie het dubieusteken is. Hij beveelt 13… g6 aan. Na 14. O-O Lg7 15. Ld4 += staat volgens Belov (die dit kennelijk uit de mond van Kasparov heeft opgetekend) wit iets beter. Er volgde 14. fxe3 g6 en zwart bleek de nodige positionele compensatie voor de geofferde kwaliteit te hebben.

Gary Kasparov (Foto Jos Sutmuller)

Wurging

De wijze waarop hij de stelling in zijn goede tijd wist te controleren en zijn streven naar het inperken van de mogelijkheden van de tegenstander, leidde in sommige gevallen tot het volledig insnoeren van de arme en nietsvermoedende opponent. Dit soort verwurgingen was hem bepaald niet vreemd. Ik denk dat er velen zijn die zo door hem op de pijnbank zijn gelegd. Een mooie aanblik biedt de stelling aan het eind van de volgende partij:

Andersson – De la Villa Garcia, Pamplona 1998.

43. Pd5! Met deze zet creëert wit een totale dominantie. Omdat zwart geen vin meer kan verroeren en ook nog materiaal moest inleveren gaf hij het hier op. 1-0

Veel van zijn tegenstanders zullen soms de machteloosheid hebben gevoeld waarmee zij door hem zijn klem gezet. Het uitbuiten van stellingen waarin de tegenstander niets meer kan doen, vervulde hem met een bijna ‘satanisch’ genoegen, zo lijkt het als je dit naspeelt.

Andersson – Emms, Bundesliga 2005.

Dit is het type stelling dat je moet vermijden als je tegen de meester in het positiespel speelt. Het is bekend dat de hangende pionnen zwak zijn als er louter zware stukken op het bord staan en ze geblokkeerd kunnen worden. Maar om zo’n stelling in winst om te zetten? Daar moet je dan weer Ulf Andersson voor heten. Hij speelde hier 21. Tc5! waarmee hij de pionnen van zwart onder druk wist te zetten. Veel later leverde dat een punt op.

Het egelsysteem

Het drierijensysteem, ook wel het egelsysteem genoemd, was hem op het lijf geschreven. Andersson mag gezien worden als een van de spelers die “De egel” heeft omgetoverd tot een fantastisch wapen waarbij de zwartspeler in de loopgraven ligt en zijn tegenstander vanuit zijn eigen linies bestookt met ‘mortiergeschut’. Dit manoeuvreren op “de vierkante centimeter” lag hem uitstekend en hij heeft er vele prachtige overwinningen mee binnen gehaald. Ik laat twee stereotiepe fragmenten zien waarbij Andersson op een voor de tegenstander vervelend moment met zijn goed getimede doorbraak in het centrum komt.

Karpov – Andersson, Milaan 1975.

24… d5!? 25. cxd5 exd5 26. exd5 Ld6 27. Pf1 Interessant was 27. Pde4 Pxe4 28. Pxe4 Lxh2 29. g3 Txe4! 30. fxe4 Lxg3 met onduidelijk spel. Nu volgde opnieuw het kwaliteitsoffer waar hij patent op lijkt te hebben met: 27… Txe3!? En na een lang gevecht haalde zwart zelfs de overwinning binnen.

Anatoly Karpov (Foto Jos Sutmuller)

R. Byrne – Andersson, Amsterdam 1979.

In deze stelling vindt Robert Byrne het verstandig om zijn toren maar eens op de c-lijn te plaatsen zodat zwart geen doorbraak in het centrum heeft. 17. Tc1 Ik zou er wat voor over hebben gehad om het gezicht van de Amerikaan te hebben mogen zien, toen de volgende zet werd gespeeld: 17… d5!! Andersson laat zien dat er geen dogma’s bestaan. Hij opent het centrum (en dus ook vrijwillig de c lijn) om gebruik te kunnen maken van de defecten in de witte stelling. Het motief waar alles om draait is het matbeeld op h2 en het wankele paard op d4 dat slechts eenmaal gedekt is. 18. exd5 Wit heeft zich ervan overtuigd dat het alternatief 18. cxd5 slechter is dan de partijvoortzetting eveneens vanwege 18. … Pfg4! 18. … Pfg4! De pointe van de combinatie. 19. Dg3 Wit verzoent zich met (een klein) materiaalverlies. Aanname van het stukoffer met 19. fxg4 leidt na 19. … Pxg4 tot: A) 20. Dg3? Lxd4+ 21. Kh1 Pf2+ 22. Kg1 Pe4+ met damewinst. B) 20. Dh4 Lxd4+ 21. Kh1 Df4! waarmee wit voor onoverkomelijke problemen wordt gesteld. Als de dame het paard blijft dekken met 19. Dd2 wordt wit als volgt opgebracht na 19. … Pxc4! 20. Lxc4 Dxh2+ 21. Kf1 Dh1+ 22. Ke2 exd5+ 23. Kd3 en zwart wint al het materiaal met rente terug. 19. … Pxf3+! Als een wervelwind gaat zwart door de stelling heen. 20. gxf3 Nu faalt 20. Dxf3?? op 20. … Dxh2 mat terwijl na 20. Pxf3 Dc5+ 21. Kh1 Pf2+ 22. Kg1 Pe4+ de witte dame verloren gaat. 20. … Lxd4+ 21. Kh1 Dxg3 22. hxg3 Pe3 Zwart heeft de pion terugverdiend maar wat belangrijker is: zijn stukken zijn de witte stelling binnengedrongen. Essentieel is dat wit geen 23. dxe6 kan spelen wegens 23. … Lxf3+. 23. Ld3 exd5 24. cxd5 Pxd5 Daarmee heeft zwart een pionnetje weten te winnen waarna de partij in technisch vaarwater terecht is gekomen. En dat is een kolfje naar de hand van de zwartspeler. Op zet 41 had hij de vis op het droge.

Juiste stukken overhouden

Het ruilen van stukken is iets waar veel spelers moeite mee hebben. Petrosian zei ooit dat het niet van belang is welke stukken er op het bord staan, maar welke je over moet houden. Ofwel: welke stukken moeten er geruild worden en welke dien je op het bord te houden. In veel partijen zien we dat Andersson het goede paard tegen de slechte loper overhoudt. Een slechte loper wordt gekenmerkt doordat er een of meerdere pionnen op de kleur van de loper zijn vastgelegd. Het volgende voorbeeld is fraai.

Spraggett – Andersson, Novi Sad 1990.

In deze stelling speelde wit nietsvermoedend 21. Lc3 Andersson start nu een grootscheepse ruil waarin hij het goede paard tegen de slechte loper overhoudt. 21… Lxd5 22. Lxd4 Pxe4 23. Ta3 exd4 24. Dxd4 Pf6 25. cxd5 Pd7! En dit voordeel was uiteraard bij hem in goede handen.

Alle informatie van Open Kampioenschap van Utrecht dat dit weekend plaatsvindt is hier te vinden.

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.