Een wonderkind

In eerdere columns (namelijk De Magic Bus en Macho ) heb ik u al deelgenoot gemaakt van enkele belevenissen die ik had in Engeland. Ik ben daar altijd met plezier naar toe gereisd. In eerstgenoemde rubriek nam ik een partij op zonder commentaar die echter wel vraagt om een nadere beschouwing.

Ik speelde tegen de toen 17-jarige Nigel Short, die werd gezien als een soort wonderkind.

Nigel Short in vroeger jaren (Foto Jos Sutmuller)

Op jonge leeftijd bleek hij al een zeer begaafd schaker te zijn die zowel het positiespel als het nodige tactisch vernuft in de vingers bleek te hebben. Dat hij een toekomstig topspeler zou worden was voor elke Britse schaker evident. Toch verliep zijn weg naar de top niet over rozen. Short werd misschien te vroeg voor de leeuwen geworpen. Ik ben de juiste details vergeten, maar ik herinner me dat er een zeer sterk toernooi in Londen werd georganiseerd waarin hij als jong ventje zijn talent zou mogen etaleren. Dat werd een gigantische misrekening. Hij kreeg van de toenmalige wereldtop een pak slaag van jewelste. Dat gaf hem zo’n douw dat het toch enige tijd geduurd heeft eer hij doorbrak als wereldtopper. Ik ontmoette hem in de periode dat hij samenwerkte met John Nunn en dat heeft hem geen windeieren gelegd. Nunn is niet alleen een groot schaker, hij was ook iemand die wel wist hoe hij een speler met het talent van Short moest ‘kneden’. Het lesje in eindspeltechniek dat ik in Manchester van Short kreeg, is me altijd bij gebleven. Ik was onder de indruk van de lichtvoetigheid waarmee hij de hele partij speelde. Snel, geconcentreerd en ijzersterk.

Maar datzelfde jaar nam ik – tot ieders verbazing, niet het minst die van mezelf – toch op een verschrikkelijke manier wraak. Aan het eind van het jaar stond het open toernooi van Ramsgate op de rol. En dat was een ideale gelegenheid voor Nederlandse subtopspelers om voor een norm te spelen. De voorwaarden hiervoor waren om twee redenen gunstig. Allereerst waren er de nodige titelhouders. Ten tweede de idiotie van de organisatoren om de spelers een handje te helpen bij hun ambitie een norm te kunnen behalen. Daartoe waren zij zelfs bereid de hand te lichten met het Zwitserse systeem. Dat kan anno 2011 gelukkig niet meer, want zelfs deze malafide Fide heeft daar in haar reglementen een stokje voor gestoken.

In 1983 begon ik niet al te best, maar door een flinke tussensprint kwam ik na 7 ronden weer ‘onder de mensen’ terecht. Niettemin was een IM-norm nog altijd een utopie, tenminste, dat dacht ik. Zo niet de organisatoren. Zij hadden een computerprogramma dat uitrekende wie er (theoretisch gezien) nog in aanmerking kwam voor een norm en zorgden ervoor dat de indeling zodanig was dat je de juiste tegenstanders kreeg. Zo werden er na de zevende ronde lijsten opgehangen waarin alle kanshebbers met bijbehorende statistische gegevens te zien waren. Op een lijst kon ik terugvinden dat ik nog 2 uit 2 nodig had tegen zo’n 2485 gemiddeld. En daarom hadden ze mij ingedeeld tegen Nigel Short die een rating had die daar iets boven lag. Maar winnen met zwart tegen het wonderkind, dat leek toch vrij onwaarschijnlijk. Gelukkig voor mij had Short helemaal zijn toernooi niet. Hij speelde slecht en had ook de discipline afgezworen. Naar verluidt was hij tijdens de partij soms meer achter de flipperkast te vinden, dan achter het bord. In elk geval behandelde hij het “Nunn-systeem” met 6. f4 tegen de Najdorf abominabel en toen hij er ook nog een fikse blunder bijmaakte, moest hij na 23 zetten zijn koning reeds omleggen. Wie had dat gedacht?

Nu met wit nog een keer winnen en de IM-norm was binnen. ‘Helaas’ kwam ik nu een op papier veel te sterke speler tegen, IGM Kurajica, die toen een rating van 2560 had.

Om een lang verhaal kort te maken: ik kwam een heel eind; ik belandde in een toreneindspel met een goede pion meer, maar ik liet het toch remise lopen.

Er verstreken weer een paar maanden en ik wilde mijn geluk ditmaal eens beproeven in Zwitserland. In het prachtige Lugano (zie de BV Vujovic en consorten) trof ik tot mijn verbazing voor de derde maal Short op het schaakbord. Dit keer had ik eindelijk een keer wit en ik was van plan mijn huid zo duur mogelijk te verkopen. Het zou wel de laatste keer zijn dat ik hem in een gewone partij zou treffen, zo dacht ik. Dat klopte ook. Zijn ster rees snel en de uitnodigingen voor de toptoernooien bleven dan ook niet uit; de open toernooien liet hij daarna links liggen.

Het was duidelijk dat Short er extra op gebrand was om mij te kloppen. Hij was de nul in Ramsgate bepaald niet vergeten en er was geen flipperkast in de buurt, dus kon ik me opmaken voor een echte confrontatie!

Onder invloed van Nunn speelde hij Benoni op mijn 1. d4. Maar hij behandelde de opening als een strateeg en niet als een woest aanvalsspeler. Het was Nunn’s bedoeling om hem tactisch verder te bekwamen, vandaar dat de Benoni ineens op zijn repertoire stond en niet het klassiek Damegambiet dat Short vaak speelde. Ik liep in de strategische val die Short voor mij gespannen had en voor ik het wist stond er een reus van een paard op d4. Maar vreemd genoeg slaagde hij er niet in zijn voordeel verder uit te bouwen.

Ik vocht mij onder de druk uit en toen hij eerst een zetherhaling uit de weg was gegaan en daarna zijn dame op een verkeerd veld zette, nam ik de leiding over in de partij. Gezien zijn tijdgebruik werd mij duidelijk dat ik er beter voor stond dan ik zelf had verwacht, gezien het slechte begin aan deze partij. Hoe langer ik naar de stelling keek, hoe optimistischer ik werd. Na 35 zetten stond het zo.

Grooten – Short, Lugano 1983.

36. Te1

De eerste gedachte was om die ongedekte toren op c1 iets nuttigs te laten doen. Ik pareer ook de verborgen dreiging … Df8-h6-f4 die anders met tempo zou gaan.

Nadat ik hem gespeeld had voelde ik me in een staat van euforie. Wit heeft een fantastisch paard op c4. Maar dat niet alleen. Pion a6 is ten dode opgeschreven en als die eraf is, kan pion a5 meteen een factor van betekenis worden. Daarnaast is ook de aanwezigheid van de ongelijke lopers in wits voordeel. Die laatste factor leek me tijdens de partij van groter belang. Wit kan namelijk de druk op het zwakke punt f7 opvoeren. Met de voor hand liggende manoeuvres Te1-e7, Pc4-e3 en Lf1-c4 bouwt wit aan een aanval die zwart met geen mogelijkheid kan pareren, domweg omdat hij geen antwoord heeft op wits overmacht over de witte velden. En als f7 valt, kun je stellen dat het ook met de zwartspeler gedaan is. Ik besefte natuurlijk wel dat ik tegen een "wonderkind" speelde. Maar wat gaat zwart verzinnen tegen dit plan? Ging ik zowaar nog een keer van hem winnen? En nu zelfs van een Short die een hogere rating had als de vorige keer en niet afgeleid werd door de flipperkast? Onder druk van de klok speelde hij 36… Pc2! Een volstrekt belachelijke zet op het eerste gezicht. Ik zag niet wat hij hiermee wilde.

37. Te7 Pb4 Mijn gedachten waren nu ongeveer als volgt: “Aha, dat was dus zijn bedoeling. In elk geval heeft zwart pion a6 even weten te dekken. Maar hij heeft toch niets gedaan tegen de dreiging Pc4-e3 gevolgd door Lf1-c4? Kennelijk is daar niets tegen te beginnen, dus dan voeren we de dreiging maar uit.” Overmand door de optimistische staat waarin ik verkeerde, keek ik niet verder dan mijn neus lang was. Had ik maar wat beter opgelet! 38. Pe3?

Wit trapt met open ogen in de val die voor hem was opgespannen. Een mogelijkheid lijkt om Te4 te spelen waarna de dreiging nog altijd actueel blijft.

38… Pc6!! Die wending had ik natuurlijk niet zien aankomen. De pointe van het ‘blokje-om van het paard. De dame is gebonden aan de dekking van de toren.

Fantastisch gedaan! Zwart heeft zijn paard van d4 omgespeeld naar b4 omdat hij gezien heeft dat het witte plan zou falen op deze truc. Door ‘niets’ te doen heeft hij de dreiging gepareerd. Helemaal ontdaan wurm ik mij naar de 40ste zet. 39. Td7 Pxa5 Daar gaat de mooie a-pion, waarmee wit een belangrijke troefkaart heeft ingeleverd. Niet alleen de dreiging op veld d7 is van de baan, ook het andere voordeel (de a-pion) verdwijnt als sneeuw voor de zon. Mijn humeur stond ineens op zeven dagen onweer. 40. Txd8 Dxd8 41. Dxa6

De stelling is nu in evenwicht, maar wit was zo de kluts kwijt dat hij met een reeks zwakke zetten de partij nog uit handen gaf.

0-1

De hele partij is terug te vinden in de viewer.

Nigel Short een paar jaar geleden (Foto Jos Sutmuller)

Short – Grooten, Manchester 1982.

1. e4 c5 2. Pf3 d6 3. d4 cxd4 4. Pxd4 Pf6 5. Pc3 e6 6. g3 Pc6 7. Lg2 Ld7 8. a4 Le7 9. O-O O-O 10. Te1 Tc8 11. Pdb5 Le8 12. Lf4 e5 13. Lg5 Het is duidelijk dat zwart hier strategisch gezien bijzonder slecht staat, vandaar dat ik besloot aan de noodrem te trekken. Maar het helpt voor geen meter.

13… Pxe4 14. Lxe7 Pxc3 15. Lxd8 Pxd1 16. Pxd6 Txd8 17. Taxd1 Pd4 18. Pxe8 Tfxe8 19. c3 Pc6 20. Lxc6 bxc6 21. Txd8 Txd8 22. Txe5 Kf8 23. Kf1 Td6 24. Ke2 f6 25. Ta5 Td7 26. b4 Ke7 27. Ta6 Tc7 28. Kd3 Kd8 29. h4 Kc8 30. Ta5 Kb7 31. Th5 Td7+ 32. Kc4 g6 33. Th6 Tf7 34. f4 Tg7 35. a5 Kc7 36. Kc5 Kd7 37. c4 Kc7 38. a6 Kd7 39. h5 Kc7 40. hxg6 hxg6 41. Th8 1-0

Short – Grooten Ramsgate 1982.

1. e4 c5 2. Pf3 d6 3. d4 cxd4 4. Pxd4 Pf6 5. Pc3 a6 6. f4 Pbd7 7. Le3 e5 8. Pf5

Dc7 9. fxe5 Pxe5 10. Ld3?! Lxf5 11. exf5 d5 12. De2 O-O-O 13. O-O Peg4 14. Lf4 Ld6 Na een zeer onorthodoxe variant van de Najdorf heeft zwart het initiatief naar zich toegetrokken. Wit staat al niet prettig maar hij produceert er nu nog een stevige blunder bij.

15. g3? Lxf4 16. Txf4 Hier is 16. gxf4 relatief beter, maar het is duidelijk dat zwart er al erg goed voor staat. 16… Db6+ 17. Kh1 Dxb2 Sla nooit op b2, ook al is het goed, zei een grootmeester ooit. Flauwekul: hier wint zwart gewoon beslissend materiaal. De rest is zwijgen. 18. Tb1 Dxc3 19. Lxa6 The8 20. Lxb7+ Kc7 21. Df1 Dd2 22. Dg1 d4 23. Lf3 Pf2+ 0-1

Voor een overzicht van andere columns klik hier.

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.