Column 43: Van Wely en de bushalte

Als jong ventje van vijftien werd ik voor een demonstratiebord gezet om de aanstormende jeugd van mijn toenmalige vereniging les te geven. Hoewel ik niet kan zeggen dat dat op een verantwoorde wijze gebeurde, had ik er veel plezier in en ook de pupillen die ik onder mijn hoede had, meestal ook. In het verlengde van deze activiteit lag natuurlijk dat ik mijn gezicht liet zien op jeugdtoernooien die in mijn regio werden georganiseerd. Ik was ook lid geworden van een sterkere club en terwijl ik op een van deze schoolevenementen rondliep, werd ik aangesproken door een onderwijzer, zelf een behoorlijk schaker en toevallig een teamgenoot. Zijn naam, Marcel van Niftrik. Hij beweerde een mannetje onder zijn hoede te hebben bij de schoolschaaklessen, dat hij al nauwelijks meer de baas was. Omdat het ventje op deze dag ook zijn school vertegenwoordigde, vond ik dat hij hem maar eens moest aanwijzen. Daar zat ie dan, de 9 of 10-jarige Loek van Wely. Hij had zijn jas nog aan, keek zeer gefocust naar het bord en hij voerde zijn zetten zeer gedecideerd uit. Toen ik over de schouder meekeek en zag wat voor type zetten hij deed, was ik helemaal onder de indruk gekomen van dit ontbolsterend talent.

“Het lijkt me dat jij hem maar moet gaan trainen”, zei Van Niftrik. Zo gezegd, zo gedaan. Loek woonde weliswaar zo’n 15 kilometer van mij vandaan, maar na een paar kennismakingen met zijn ouders, wilde hij wel graag op zijn fiets naar mij om schaaktraining te krijgen. Uiteindelijk heb ik Loek niet langer dan twee of drie jaar getraind. Ik vond al snel dat hij van mij te weinig meer kon leren en ik heb hem daarom doorverwezen naar de veel betere trainer Cor van Wijgerden, van wie hij nog een tijdje les heeft gehad. Die vond overigens ook al vlot dat er grootmeesters bij gehaald moesten worden om zijn stormachtige ontwikkeling niet af te remmen.

Loek was, ook toen hij al snel sterk aan het worden was, uiteraard nog altijd welkom en er bleken nog een paar deelgebieden te zijn, waarin ik misschien nog iets voor hem kon betekenen. Maar ik voegde er ook snel aan toe, dat er waarschijnlijk veel sterkere schakers waren, die hem beter verder zouden kunnen helpen.

De tijd verstreek en hoewel we nog af en toe contact hadden, werd het duidelijk dat hij een aanloop nam richting de wereldtop. Toen Loek al een ‘gearriveerde speler’ was, zocht ik hem sporadisch op. Dat waren soms merkwaardige ontmoetingen bij. Zo stond ik ooit op doorreis beneden aan zijn flat in Tilburg op de bel te drukken, toen er een stem door de intercom klonk: “Wie is daar?”

Nadat ik mijn naam had genoemd, kreeg ik het botte antwoord “Wat kom je doen?”

Ik wist dat het niet onaardig bedoeld was en omdat ik Loek een beetje had leren kennen, wist ik dat hij liever niet gestoord wilde worden aangezien hij vermoedelijk iets aan het uitpluizen was. “Je bent zeker een openingsvariant aan het bekijken”. “Inderdaad”, klonk het. “Als je niet voor de Botwinnikvariant komt, kun je beter gaan!”

Nou kwam ik inderdaad niet voor de Botwinnikvariant, maar ik wilde wel eens zien wat voor bevindingen hij had. Dus hij liet me toch binnen en we keken een tijdje naar stellingen die hij aan het uitzoeken was. Ik vroeg hem tussen neus en lippen door, of het wel zo verstandig was om alleen maar openingstheorie te doen. “Zou je bijvoorbeeld niet eens wat gaan doen aan toreneindspelen?”

Hij wist dat dat een van mijn stokpaardjes was, maar het werd weggewuifd. Toen ik zag dat ik een weinig constructieve bijdrage aan de Botwinnikvariant kon leveren, ben ik weer huiswaarts gegaan.

We hebben een paar keer de degens gekruist op het bord en waar ik in zijn jeugdjaren hem nog een paar keer de baas was, sloeg dat al snel om in nederlagen voor mij toen hij snel sterk werd. Nadat hij grootmeester was geworden, door onder meer veel toernooien op zijn naam te schrijven, was duidelijk dat ik tegen hem weinig kans meer zou maken.

Het toeval wilde dat we elkaar op het schaakbord ontmoetten in een van de eerste ronden van het Lost Boystoernooi in Antwerpen 1996. Loek was al een tijdje grootmeester, hij was voor het eerst de toen nog magische Elogrens van 2600 gepasseerd. Met 2605 stond hij toen meer dan 200 punten hoger op de lijst. Hoewel de partij voor mij aanvankelijk niet slecht verliep, werd ik toch langzamerhand in het nauw gedreven en leek de nederlaag onafwendbaar. Maar ik spartelde hevig tegen en op een gegeven moment bereikte ik een toreneindspel, dat er op het eerste gezicht hopeloos uitzag.

Van Wely, Loek – Grooten, Herman, Antwerpen open 1996.

Deze stelling kwam rond de vijftigste zet op het bord. In de partij had ik aanvankelijk weinig te klagen, maar tegen de tijdcontrole liep er voor mij van alles uit de hand. Het mocht een wonder heten dat ik nog een toreneindspel wist te bereiken, dat er op het eerste gezicht vrij hopeloos uitziet. Dat zwart nog kan vechten, sterker nog: dat zwart zelfs goede remisekansen heeft, komt niet meteen aan de oppervlakte.

Dat dit type eindspel ingewikkelder is als het eruit ziet, blijkt vooral als we de eindspeltheorie ter hand nemen. Die had ik ooit bestudeerd uit de standaardhandboeken van Averbach. Ik heb een paar stellingen hieruit geselecteerd om de problematiek te schetsen.

Voorbeeld 1: Romanovsky

Dit is een stereotiep voorbeeld voor dit eindspel. Wit mag geen a6-a7 spelen zolang de zwarte koning op g7 of h7 vertoeft, omdat hij daarna geen winstplan meer heeft. De reden is dat hij zijn toren niet voor de a-pion kan wegkrijgen. Zwart houdt simpel zijn toren op de a-lijn (hij doet dus ‘niets’) en pas als de witte koning naar b6 loopt (om de pion te dekken) reageert hij met een schaakje in de rug. Hoe anders is deze stelling met een pion nog op a6. De witte koning heeft nu een schuilplaats op a7 waar hij naartoe kan wandelen. Daarna kan hij zijn toren bevrijden en door die handig neer te zetten, loodst hij de pion naar de overkant. De volgende zettenreeks is karakteristiek voor de winstvoering.

1. Kc5 Kf7 2. Kb6 Tb1+ 3. Ka7 Ke7 4. Tb8 Td1 5. Tb3 Ke6 6. Kb6 Td6+ 7. Ka5 Td5+ 8. Tb5 Td1

Of 8… Td7 9. Tc5 Kd6 10. Kb6 Te7 11. Ta5 met winst.

9. a7 Ke7

10. Ka6

en de pion valt niet meer af te stoppen. De conclusie in de eerste stelling luidt: als wit de pion opspeelt kan hij een ‘regen van schaakjes’ verwachten waar hij niet meer uit kan ontsnappen.

Hij wordt in de ‘rug’ aangevallen en omdat hij geen schuilplaats heeft, zal hij ‘kletsnat’ worden. Maar met een pion op a6, kan hij wel schuilen tegen deze ‘regenbui’.

Ik noemde dat in een spontane bui ooit tijdens een jeugdtraining een ‘bushalte’. De koning liep naar a7 waar hij eindelijk kon schuilen. Iedereen begreep meteen wat ik bedoelde. De beeldspraak met een bushalte bleek zelfs zo sterk te zijn, dat de leerlingen ook vrijwel meteen een mogelijk verdedigingsmechanisme voor de zwartspeler op het spoor kwamen.

1-0

In het plaatje zien we het gebied dat Averbach in zijn boek gearceerd heeft (ik heb het hier met groen gemarkeerd). Men heeft kennelijk uitgezocht dat als de witte koning zich binnen dat gebied bevindt, zwart remise maakt. Bevindt de koning zich daarbuiten, dan wint wit! Hier treffen we een van de rijkdommen van het schaakspel aan: de grenzen van de winst/remise worden hier haarfijn aangebracht.

Dat dit alles zeer gecompliceerd is, moge duidelijk zijn. Ik zal proberen een paar luttele gevallen aan te stippen, zonder er heel diep op in te gaan. Alleen maar om de strekking van dit plaatje duidelijk te maken. We beginnen met een koning binnen het gebied om te laten zien hoe zwart een remise kan afdwingen. Nog maar een keer het diagram:

Uit de eindspeltheorie weten dat het er voor beide kleuren vanaf hangt of wit erin slaagt zijn toren te verbeteren. Zoals we al gezien hebben is het niet verstandig om a6-a7 te doen als daar niet direct een reden voor is. De schuilplaats op a7 hebben we de ‘bushalte’ genoemd, waar de witte koning naartoe kan lopen om zich te onttrekken aan deze regen. De zwarte verdediging is er nu op gericht om ervoor te gaan zorgen dat het ‘gaat regenen’ in de bushalte! In de literatuur wordt dat de techniek van de ‘flankschaakjes’ genoemd. Hoe gaat dat in zijn werk? Om te beginnen moet zwart zorgen dat hij met zijn toren de a-pion onder schot houdt. Zou hij de toren naar de zijkant spelen, dan doet wit hetzelfde. De problematiek hierna is trouwens ook verre van eenvoudig, want de zwarte koning zal dan zo snel mogelijk naar de andere kant van het bord snellen. De vraag is dan of de witte koning hem daarbij de pas kan afsnijden. We bekijken nu deze stelling en we zien al snel hoe zwart zich kan verdedigen. Sterker nog: hoe hij remise kan afdwingen!

1… Ta5!

Dit is de sleutelzet in zwarts verdediging. De toren probeert met tempowinst aan de zijkant van de pion te komen om ervoor te zorgen dat het gaat ‘regenen’ aan de zijkant van de bushalte. Hij blijft nog even ‘hangen’ aan de a-pion. [1… Ta2+? 2. Kf3 Ta3+ 3. Ke4 Ta1 4. Kd5 Td1+ 5. Kc6 Tc1+ 6. Kb6 Tb1+ 7. Ka7 Tb2 8. Tb8 Ta2 9. Tb6 en wit wint. Nu was het zwarte tegenspel wel erg zwak.]

2. Kf3

2… Tf5+!

Daar gaat het om.

3. Ke4 Tf6

Deze zet is essentieel. Zwart moet aan de pion blijven hangen om te verhinderen dat de witte toren uit zijn benarde positie bevrijd kan worden.

4. Kd5

Wit heeft maar een plan: met de koning naar b5 om de pion te dekken en daarmee zijn toren te bevrijden. [4. Ke5 is een slimme poging, want er dreigt Tg8+! maar zwart antwoordt met 4… Th6 waarna er niets aan de hand is.]

4… Kh7

Zwart doet niets.

5. Kc5 Tg6

Het grappige is dat zwart gewoon met de toren aan de pion blijft kleven.

6. Kb5

Nu is het tijd geworden om te reageren.

6… Tg5+ 7. Kb6 Tg6+ 8. Ka7

De koning is in de bushalte gearriveerd, maar hij kan niet voorkomen dat hij toch ‘nat regent’!

8… Tg7+

en door de flankschaakjes heeft wit niets aan zijn schuilplaats op a7. Deze methode om de toren via een schaakje aan de zijkant te krijgen is nuttig om te onthouden.

½ – ½

Na deze verhandeling wordt het hoog tijd om terug te keren naar de eerste diagramstelling.

Van Wely, Loek – Grooten, Herman, Antwerpen open 1996.

Het staat materieel gelijk, maar toch lijkt het er op het eerste gezicht op dat wit vrijwel op winst staat. De zwarte koning staat afgesneden op de onderste rij, de verre a-pion kan snel naar voren en zwarts pionnenmeerderheid is ‘vastgelegd’. Er is een factor waardoor de winst voor wit bepaald niet evident is. In deze stelling staat de witte toren in principe verkeerd voor zijn eigen pion. De optimale positie is achter de vrijpion, aan de zijkant zou ook al beter zijn. Zwart dient dus te allen tijde te voorkomen dat de toren verbeterd kan worden.

1. a6

Een logische zet, hoewel er een belangrijk alternatief is. Wit heeft geen tijd om zijn toren te verbeteren met 1. Tb7 omdat zwart met 1… Ta4 2. Tb5 Kg7 3. Kc3 h6! zelf ook een vrijpion kan creëren. Daarmee ontwikkelt hij precies voldoende tegenspel om het halve punt te kunnen redden. 4. Kb3 (4. Tb7+ Kg8 5. gxh6 Txa5 is ook potremise.) 4… Ta1 en zwart maakt remise. Een voorbeeld van een zetverloop zou als volgt kunnen gaan: 5. gxh6+ Kxh6 6. Kb4 g5 7. Tb6+ Kh5 8. a6 Kg4 9. Kb5 Kf3 10. Tf6+ Ke3 11. Kb6 g4 En zwart kan op een gegeven moment zijn toren offeren voor wits a-pion en met zijn g-pion remise afdwingen.

1… Ta4

Het is nu hoog tijd om achter de witte vrijpion te gaan. Anders zou wit onmiddellijk winnen met Ta7-b7 gevolgd door a6-a7 en de pion kost zwart een volle toren.

2. Kc3

Het witte plan is duidelijk: hij spoedt met de koning naar ‘boven’ om te proberen de pion met zijn koning te dekken. Daarmee zou hij toren kunnen bevrijden en de pion tot promotie kunnen brengen.

2… Kh8!

Zwart zet een ingenieuze valstrik op. Waarom de koning hier moet staan, zullen we weldra zien.

3. Kb3 Ta1 4. Kb4

4… h6!!

De enige zet om een vrijpion te creëren.

5. gxh6 g5

Daarom moest de koning naar h8 anders zou Tg7+ en a7 volgen.

6. Kb5

De koning heeft nu zijn eigen vrijpion gedekt en daarmee dreigt hij zijn toren te bevrijden uit zijn slechte positie. Er rest zwart niet anders dan schaakjes te geven. Wit komt er ook niet na bijvoorbeeld een zet als 6. Ta8+ om ruimte op a7 te creëren voor de eigen koning. Na bijvoorbeeld 6… Kh7 7. Kb5 g4 8. Td8 g3 9. Td2 Kxh6 10. Tg2 Ta3 11. Kb6 Kg5 12. Kb7 Kf4 is het duidelijk dat een puntendeling onvermijdelijk is.

6… Tb1+

7. Kc4

Dit is een stap in de verkeerde richting en zwart kan nu een remise afdwingen die in de boekjes staat. Van Wely was enorm kwaad dat hij zich zo had laten foppen, maar een nader onderzoek leert ons dat er merkwaardig genoeg geen winst voorhanden is voor wit. Het leuke is dat deze stelling niet te analyseren valt met een sterke engine: die geeft waarderingen die veel te hoog zijn, omdat hij niet ‘ziet’ dat sommige stellingen theoretisch remise zijn.

A) De meest consequente poging voor wit is met 7. Kc5!? en daarmee lijkt hij op het eerste gezicht de winst te kunnen binnenhalen. Na 7… Ta1 zijn er twee alternatieven:

A1) 8. Kd4 De koning moet eerst de zwarte g-pion afstoppen, maar daarmee kan hij niet voorkomen dat zwart zijn toren weer aan de zijkant van wits a-pion krijgt. 8… g4 9. Ke3 g3 10. Kf3 Ta5! Dit is de essentie van zwarts verdediging. Na 11. Kxg3 Tg5+ 12. Kf4 Tg6 gaat de zwarte toren ‘hangen’ aan de witte a-pion. Op het moment dat wit met zijn koning de a-pion wil dekken, krijgt hij een schaakje aan zijn broek en daarmee komt hij dus niet verder. Alleen als wit Ta7-a8+ en a6-a7 speelt, keert de zwarte toren terug naar de a-lijn en daarmee dwingt hij ook de remise af.

A2) Ook met 8. Kd5?! komt wit geen steek verder na bijvoorbeeld 8… Ta4! en zwarts g-pion redt het halve puntje. Dat kon overigens ook met 8… g4! want dan zou 9. Ke4 g3 10. Kf3 volgen. 10… Ta5! En nu:

1) 11. Kg2 Ta1 12. Kxg3 Tg1+ 13. Kf4 Tg6 en zwart is op tijd om aan de ‘zijkant te gaan hangen’. Ook deze stelling is remise.

2) Ook 11. Kxg3 Tg5+ 12. Kf4 Tg6 13. Ta8+ Kh7 14. a7 Ta6 (zie analysedagram)

is remise, hoewel Deep Fritz 11 op maar liefst +5.41 staat!

B) De andere poging om met 7. Kc6 Tc1+ 8. Kb7 Tb1+ 9. Kc8 Ta1 10. Ta8 g4 11. Kb7+ Kh7 12. Tc8 Kxh6 13. a7 Txa7+ 14. Kxa7 Kg5 met remise.

7… Tb6!

Zwart laat zien dat hij zijn ‘klassieken’ kent. De toren ‘hangt’ aan de witte a-pion en daarmee kan hij een half puntje veilig stellen. Er is nog een addertje onder het gras…

8. Kc5 Tf6!

Het is natuurlijk van essentieel belang dat zwart aan de zijkant schaak kan geven. 8… Txh6?? zou een grove blunder zijn omdat wit met 9. Kb5 de pion wel kan dekken, zonder dat zwart schaak kan geven. Daarmee bevrijdt hij zijn toren en is de winst een feit. Een voorbeeldje: 9… g4 10. Td7 Th5+ 11. Kc4 Ta5 12. a7 g3 13. Td8+ Kg7 14. a8D Txa8 15. Txa8 en het is uit.

9. Kb5

Nu moet zwart oppassen! Een andere poging is 9. Ta8+ Kh7 10. Kb5 maar ook nu kan wit zijn toren niet verbeteren. 10… Tf5+ 11. Kb6 Tf6+ 12. Ka7 Tf7+ en zwart blijft volharden in flankschaakjes!

Of 10. a7 Ta6 Dit is het moment dat de toren terugkeert naar de a-lijn want er dreigde nu Th8+. 11. Kb5 Ta1 12. Kb6 Tb1+ en ook nu kan wit geen vorderingen boeken.

9… Tf5+!

Daarom moest de toren dus naar de f-lijn.

10. Kb6 Tf6+ 11. Kb7 Tf7+ 12. Ka8 Tf8+ 13. Kb7 Tf7+

En omdat de witte koning geen veilig onderkomen heeft, gaf wit gedesillusioneerd remise.

½ – ½

Loek beende de zaal uit en hij wilde niet meer analyseren. Dat deed hij anders altijd wel, maar ik kon me zijn teleurstelling wel voorstellen. Uiteraard wist hij dat hij een klasse beter was, maar de opmerking die ik ooit gemaakt had (“Zou je bijvoorbeeld niet eens wat gaan doen aan toreneindspelen?”) galmde blijkbaar nog na. En dan zijn de druiven zuur als je een gewonnen geachte partij niet kunt winnen. Naar later blijkt: de stelling was waarschijnlijk niet te winnen! Tenminste, ik heb het niet kunnen vinden.

Niet lang daarna kreeg ik een telefoontje. Tot mijn verrassing belde Loek op. Of het voorstel dat ik indertijd nog gedaan had nog altijd geldig was? Omdat ik uiteraard wist waar hij op doelde, maakten wij meteen een afspraak. Hij zou langskomen voor wat toreneindspelen. Vooral eindspelen die ik grondig geanalyseerd had, wilde hij komen bekijken. Er was een stelling bij waar ik naar schatting zo’n 30 uur analysearbeid in had zitten. Het leek me dat deze stelling vrijwel geen geheimen meer voor me bevatte. Dat Loek een snelle leerling was, was duidelijk. Maar dat hij in deze stelling nog zoveel wist te bedenken, daar viel ik steil van achterover. Loek wist er zoveel uit te halen, dat het al diep in de nacht was toen ik mijn bed wilde gaan opzoeken. De laatste trein had hij allang gemist, een auto – zijn geliefde speeltje later – had hij toen nog niet. Toen ik de volgende ochtend een schaakbord zag staan met daarop uitgevoerd een briljante zet, wist ik dat hij niet had stilgezeten!

Deze fragmenten en analyses via de viewer:

Overzicht van alle eerdere columns

6 Comments

  1. Avatar
    Erik juli 13, 2012

    Herman

    De hierboven aangehaalde remisemethode van Averbach, was die niet al eerder aangetoond door een zekere Vancura? Ik kan me vergissen, maar ik denk dat dat systeem zelfs de naam Vancura draagt.

    Beste groeten,

    Erik

  2. Avatar
    Johan Hut juli 13, 2012

    Leuk verhaal! Mocht je ooit nog eens bij mij op de stoep staan, dan mag je eerst binnenkomen, dan krijg je desgewenst wat te drinken en heel misschien zal ik daarna vragen wat je komt doen.

    Maar heel gek… ik hoor het hem zeggen :)

  3. Avatar
    Henk Dissel juli 13, 2012

    N.a.v. de 15e partij om het Wereldkampioenschap Tarrasch – Lasker (1908) heeft Tarrasch dit eindspel (uitvoerig) onderzocht. Aan het toernooiboek is een Anhang toegevoegd "Neue Untersuchungen über Turmeindspiele" (zie o.a. de Olms-uitgave)

    Tarrasch meende echter dat het voor wit gewonnen was! Het was inderdaad Vancura in 1924 die de remiseweg vond.Ook Dvoretsky noemt Vancura wel.

    Mooi verhaal en mooie analyse, Herman. Bedankt!

  4. Avatar
    HermanGrooten juli 13, 2012

    Dat van Vancura was ik inderdaad vergeten, bedankt voor jullie input!

    Overigens kwam ik niet lang geleden iemand tegen die ik zeker meer dan 25 jaar geleden in de training heb gehad. Die had het nog steeds over de bushalte! Dat bracht mij ertoe om het eens aan een groter publiek voor te leggen.

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.