Vijf vicepresidenten van de FIDE (1)

Vijf vicepresidenten van de FIDE (1)

De beslissing van het Hof van Arbitrage voor Sport

Op 3 juli jongstleden heeft het Hof van Arbitrage voor Sport beslist in een zaak die de Engelse Schaakbond en de Georgische Schaakbond hebben aangespannen tegen de FIDE. De inzet van het geschil is de benoeming op de Algemene Vergadering van de FIDE in oktober 2010 van vijf vicepresidenten. Nu staat in de Statuten van de FIDE dat er slechts twee vicepresidenten kunnen worden benoemd. Het gevolg is een duizelingwekkend, juridisch steekspel, waarbij zoveel mogelijk stofwolken worden opgegooid. De eisers menen namelijk dat drie vicepresidenten ten onrechte zijn benoemd.

De kosten van de eisers bedragen alleen al $ 1 miljoen, en die voor de FIDE bijna een half miljoen. Geld voor advocaten, maar niet voor schaaktoernooien. Wat is dit voor een gekkigheid?

In een volgend artikel geef ik een reactie.

Overzicht van aantekeningen

(indien u op de aantekening klikt, springt die automatisch naar die tekst)

  1. Hof van Arbitrage voor Sport
  2. De procespartijen
  3. De feiten
  4. Een overzicht van de procedure voor het Hof van Arbitrage voor Sport
  5. De constitutie van het Panel en de hoorzitting
  6. De bevoegdheid van het Hof van Arbitrage voor Sport
  7. Het toepasselijke recht
  8. Het constitutionele kader van de FIDE
  9. De stellingen van partijen
  10. De prealabele vraag: de aard van de benoeming van een vicepresident
  11. CAS 2011/A/2360
  12. CAS 2011/A/2392
  13. Overige eisen
  14. De kosten
  15. De beslissing

I. De procespartijen” name=”tekst2″>I. De procespartijen

1. De twee eisers zijn de nationale schaakbonden van Engeland en Georgië. Zij zijn bondsleden van verweerder.

2. De verweerder is de Fédération Internationale des Echecs, (‘FIDE’), de internationale organisatie van de schaaksport.

‘Ons volgende agendapunt is de benoeming op voordracht van de President. Kirsan is nu even niet aanwezig, weet u. In ieder geval voert hij nu een gesprek met Karpov die hij heeft aangeboden de plaats in te nemen van een van de vicepresidenten. Hij weigert, hij geeft er op dit moment de voorkeur niet te worden benoemd. Vandaar dat we verder gaan met de verkiezingen van de vicepresidenten.’

8. Op diezelfde dag begonnen de verkiezingen voor de drie vicepresidenten die de Algemene Vergadering op individuele wijze behandelde. Op 2 oktober werden deze voltooid.

9. Op 2 oktober 2010 kondigde de President zijn benoemingen aan voor de functies van vicepresident aan, waartegen de heer Zurab Azmaiparashvili, de vertegenwoordiger van de Georgische Schaakbond ( de ‘Georgische vertegenwoordiger’) bezwaar maakte. Het transcript van het FIDE Congres luidt onder meer als volgt:

De President van de FIDE, Kirsan Ilyumzhinov

Geachte afgevaardigden,

Nu wil ik beginnen met mijn benoemingen. U begrijpt dat ik al mijn tijd wil besteden voor activiteiten voor de FIDE en het verbreiden van het schaken in alle landen. U weet nu dat mijn hoofdprogramma is ‘Schaken op scholen’. Vandaar dat ik bijstand nodig heb, mensen die me helpen omdat ik ook maar alleen ben…

Ik vraag uw goedkeuring. (korte pauze) Benoemingen voor vicepresidenten: – de heer Chu Bo, China (applaus). U kent hem. Ilya Levitov, u kent hem (applaus). U moet hem allemaal kennen, omdat Ilya heel veel heeft gedaan voor de voorbereiding en organisatie van deze Olympiade in Khanty-Mansiysk. Dank u. Ali Yazici, Turkije (applaus). Israel Gelfer (applaus). … Dank u. Boris Kutin (applaus). U kent hem.

De heer Azmaiparashvili

Geachte meneer de President, geachte afgevaardigden. Het is vreemd wat de President hier doet, want hij schendt onze Statuten. Hij kan geen voordracht doen, weet u, vijf vicepresidenten, we hebben slechts twee functies daarvoor. Zelfs de plaatsvervangend President probeerde mijn naam op de lijst te zetten, zonder dat hij mij daarvoor raadpleegde. Ik wees dat af, omdat wij de Statuten moeten navolgen. Ik maak bezwaar tegen het voorstel van meneer de President. Dit moet worden opgenomen in de notulen. Ik zal gebruik maken van al mijn rechten als meneer de President zijn beslissing niet herziet. Dank u.

De President van de FIDE, Kirsan Ilyumzhinov

Dank u, Zurab, voor uw bijdrage. Ja, ik begrijp het. We hebben er over gesproken, weet u, dat na onze verkiezingen, omdat het team van Anatoly Karpov. Vandaar dat ik heb besloten aan de orde te stellen hoe we kunnen verder gaan voor de komende vier jaren…

De heer Azmaiparashvili

Neem me niet kwalijk, ik heb bezwaar.

De heer Makropoulos

Alsjeblieft.

De President van de FIDE, Kirsan Ilyumzhinov

Georgios, alsjeblieft.

De heer Makropoulos

Daar is een procedure voor.

De heer Azmaiparashvili

Ik ben een afgevaardigde en ik hou niet op. Ik ben niet de heer Kasparov. De President liegt hier. Wat ik wil zeggen is, wijs elke functie af, wat ze je ook aanbieden. Ik weiger elke functie in de FIDE.

De heer Makropoulos

Zurab, kunnen we ons houden aan de procedure.

De heer Azmaiparashvili

Ik ga gerechtelijke stappen ondernemen.

De heer Makropoulos

Zijn er nog meer bezwaren? Is er nog iemand die bezwaren heeft? Zurab alsjeblieft. Is er nog iemand die bezwaren heeft. Dank u zeer. Er is een bezwaar van Azmaiparashvili.’

10. De notulen van het FIDE Congres komen in grote lijnen overeen met het transcript van de opnames, en luiden als volgt:

‘De President kondigt zijn benoemingen aan en legt deze voor aan de Algemene Vergadering hun goedkeuring te verlenen. Hij zet uiteen dat hij al zijn tijd wil besteden aan de FIDE. Hij heeft extra bijstand nodig voor het uitvoeren van zijn programma, in het bijzonder voor Schaken op scholen. Hij wil als zijn krachten, relaties en al zijn geld besteden aan activiteiten voor de FIDE.

De vicepresidenten: de heer Chu Bo (China), de heer Ilya Levitov (Rusland), de heer Ali Nihat Yazici (Turkije), de heer Israel Gelfer (Israel) en de heer Boris Kutin (Slovakije).

Ere vicepresidenten: prof. Kurt Jungwirth (Oostenrijk), prof. Vanik Zakarian (Armenië), de heer Dabiani Buthali (Botswana), de heer Khalifa Al-Hitmi (Qatar). Ambassadeur voor de FIDE voor het leven, grootmeester A. Karpov (Rusland).

De heer Azmaiparashvili stelt dat de President handelt in strijd met de Statuten. Hij is niet bevoegd vijf vicepresidenten voor te dragen, hij kan dat slechts doen voor twee functies. Hij heeft daartegen bezwaar. We moeten handelen in overeenstemming met de statuten.

De heer Ilyumzhinov dankt de heer Azmaiparashvili en zet uiteen dat dat de reden is waarom hij dit onderwerp wil bediscussiëren met iedereen hoe we verder kunnen gaan de volgende vier jaren. Hij had de heer Karpov aangeboden vicepresident te worden en had zijn mening gevraagd wie hij wil voordragen in het team. De heer Karpov stelde de heer Kurchenkov voor, het hoofd van het team van Karpov een functie te bekleden in de FIDE.

Met leden van zijn oude team en met veel afgevaardigden heeft hij het werk dat moet worden gedaan in de toekomst besproken. Hij wilde iedereen erbij betrekken en hij wilde hun actieve bijstand, omdat hij voor de FIDE 24 uur per dag wil werken. Hij wilde schaken op scholen in 170 bondslanden. Hij had aangekondigd dat hij uit zijn eigen middelen 1 miljoen Amerikaanse dollars wil steken in de voorbereiding van trainers en arbiters. Veel mensen bij de FIDE en vele andere commissies willen hieraan meedoen.

De heer Azmaiparashvili geeft aan dat hij alle functies afwijst en gerechtelijke stappen zal ondernemen. Dit is een officieel bezwaar van Georgië.

De plaatsvervangend President, de heer Makropoulos, vraagt de vergadering of er bezwaren zijn tegen de goedkeuring van de benoemingen. Hij zet uiteen dat er een bezwaar is van de heer Azmaiparashvili uit Georgië. Hij vraagt of er nog meer bezwaren zijn, maar er worden geen bezwaren geuit.’

11. Op 8 oktober 2010 bracht de FIDE een verklaring uit getiteld ‘Verkiezingen en Benoemingen uit Khanty-Mansiysk’, die de vijf vicepresidenten vermeldt als ‘Benoemde vicepresidenten’.

12. Op 25 oktober 2010 zond Silvio Danailov, President van de Europese Schaakunie, namens veertien bondsleden van de FIDE inclusief eisers, een brief aan de FIDE waarin wordt geprotesteerd tegen de benoemingen van de vicepresidenten omdat deze benoemingen in strijd zijn met artikel 9.6 van de Statuten van de FIDE en met artikel 2 van het FIDE Kiesreglement. In de brief wordt gevraagd aan de FIDE om (i) onmiddellijk de vijf vicepresidenten te verwijderen, en ervoor te zorgen dat een goede procedure wordt gevolgd bij de benoeming en bevestiging van vicepresidenten; of (ii) als alternatief, dat ten minste drie van de vicepresidentiële benoemingen worden ingetrokken.

13. Op 10 november 2010 antwoordde de heer Makropoulos, plaatsvervangend President van de FIDE, op de brief van de bonden en schreef dat de beslissing was genomen door een overweldigende meerderheid van de Algemene Vergadering die zelfs meer bedraagt dan de 2/3 meerderheid die nodig is om de statuten te wijzigen. Hij merkte op dat slechts een persoon bezwaar had gemaakt tegen de beslissing. Bij eerdere gelegenheden is het vaker voorgekomen dat de Algemene Vergaderingen is afgeweken van de FIDE statuten. In de brief worden daarvan een aantal voorbeelden gegeven.

14. Op 7 januari 2011 zond de President van de Europese Schaakunie namens eisers en zestien andere schaakbonden een brief waarin staat aangegeven dat zij beroep wensen aan te tekenen tegen de benoeming van de vijf vicepresidenten. Zij verzoeken bijzonderheden over de termijn en over de procedure voor een beroep bij de Presidentiële raad van de FIDE. De brief vermeldt dat de Presidentiële raad van de FIDE het geëigende orgaan is voor het behandelen van een beroepschrift, en wel om de volgende redenen:

Op grond van artikel 9.4 van de Statuten van de FIDE ‘kan elke belanghebbende tegen de beslissingen van de President beroep aantekenen bij de Algemene Vergadering’. De eerstvolgende Algemene Vergadering vindt plaats in 2012. We kunnen niet twee jaar wachten, omdat pas als de vicepresidenten de helft van hun termijn erop hebben zitten, wordt geoordeeld over de geldigheid van de benoemingen. Artikel 4.1 van de Statuten van de FIDE bepaalt onder meer dat de bevoegdheden van de Algemene Vergadering worden overgedragen aan de Raad van Bestuur wanneer de Algemene Vergadering niet bijeen is. Echter, de Raad van Bestuur komt normaal gesproken voor bijna een jaar niet meer bijeen. Ook dit is een te lange periode om te wachten op een beslissing over de onjuiste benoeming van de vijf

vicepresidenten door de President. De Presidentiële raad is belast met het ‘dagelijkse bestuur van de FIDE … en oefent de bevoegdheden uit van de Algemene Vergadering en de Raad van Bestuur tussen resp. de bijeenkomsten van de Algemene Vergadering en de Raad van Bestuur. Een recente uitspraak van het Hof van Arbitrage heeft de bevoegdheid van de Presidentiële raad van de FIDE in de tussenliggende periode bevestigd, zie CAS 2010/0/2166 (zie Ilyumzhinov – Karpov (2), schaaksite.nl/ilyumzhinov-karpov-2, pdg).

15. Op 21 januari heeft de heer Jarrett, algemeen directeur van de FIDE, de brief van de bonden beantwoord met de mededeling dat de brief van 7 januari 2011 niet was ondertekend. De brief vervolgt dat ‘de beslissing van de Algemene Vergadering definitief is en in werking is getreden. Niemand heeft bezwaar aangetekend wat niet vreemd is, omdat alle leden van de FIDE (met uitzondering van één lid) het eens was met de bevestiging van de benoemingen.’

16. Op diezelfde dag zonden de eisers een beroepschrift dat een aantal feiten en juridische uiteenzettingen bevatte naar de Presidentiële raad gericht aan het Bureau van de FIDE. Gevraagd werd het beroepschrift te behandelen tijdens de vergadering van de Presidentiële raad in Antalya, Turkije, van 3 tot 6 februari 2011. Het beroepschrift zette uiteen dat de benoeming van de vicepresidenten een beslissing was van de President en niet van de Algemene Vergadering. Subsidiair, indien de benoeming een beslissing was van de Algemene Vergadering, is zo’n beslissing null and void (nietig, pdg) op grond van het Zwitserse recht. De brief verzocht de Presidentiële raad: (a) vast te stellen dat de benoemingen van de vicepresidenten ongeldig zijn ; (b) onmiddellijk alle vijf vicepresidenten uit hun functie te ontheffen; en (c) ervoor te zorgen dat dat FIDE toezicht houdt op de juiste gang van zaken bij benoemingen.

17. Op 8 februari 2011 verzocht de Georgische afgevaardigde de FIDE schriftelijk om informatie over het aanhangige beroepschrift. Diezelfde dag antwoordde de heer Jarrett en gaf aan dat de notulen van de vergadering van de Presidentiële raad het volgende zou bevatten ‘de Presidentiële raad heeft kennis genomen van Bijlage 34. Zonder discussie merkt hij op dat het onderwerp is beslist op de laatste Algemene Vergadering.’ Dit werd bevestigd in een uittreksel van de notulen van de Presidentiële raad.

IV. De constitutie van het Panel en de hoorzitting” name=”tekst5″>IV. De constitutie van het Panel en de hoorzitting

36. Op 27 april 2011 informeerde de griffie van het Hof van Arbitrage voor Sport de partijen dat het Panel van arbitrage in de arbitragezaak als volgt is samengesteld: prof. Jan Paulsson, President van het Panel, prof. Ulrich Haas, co-arbiter aangewezen door de eisers, en dr. Quentin Byrne-Sutton, co-arbiter aangewezen door de verweerder (het ‘Panel’).

37. Het Panel hield een hoorzitting op woensdag 11 en donderdag 12 januari 2012 in Hotel De La Paix, Lausanne, Zwitserland.

Lausanne, Hotel de la Paix

38. De volgende getuigen werden door het Panel gehoord:

De getuigen van de zijde van eisers:

de heer Zurab Azmaiparashvili

de heer Morten Sands

De getuigen van de zijde van verweerder:

de heer Nigel Freeman

de heer Boris Kutin

de heer Israel Gelfer

de heer Geoffrey Borg

de heer Willi Iclicki

de heer Ignatius Leong

39. Bovendien hield het Panel een gezamenlijke bijeenkomst met de deskundigen van de partijen over Zwitsers recht, te weten prof. Lukas Handschin (voor de eisers) en drs. Urs Scherrer (voor de verweerder) op 12 januari 2012.

‘Een beroep tegen een beslissing van een bond, of een aan een sport-gerelateerd lichaam kan worden voorgelegd aan het Hof van Arbitrage voor Sport indien de statuten of reglementen van het genoemde lichaam hierin voorzien of als de partijen dit in een speciale arbitrage- overeenkomst zijn overeengekomen. En indien de eiser voorafgaande aan zijn beroep gebruik heeft gemaakt van de juridische mogelijkheden, zoals die staan genoemd in de statuten of de reglementen van het genoemde sport-gerelateerde lichaam.’

41. Op grond van dit artikel, overweegt het Panel dat het bevoegd is het beroepschrift te behandelen in het licht van de brede opdracht tot arbitrage zoals bepaald in hoofdstuk 14.1 van de Statuten van de FIDE, dat luidt als volgt:

‘De FIDE onderschrijft hierbij de definitieve regeling van elk geschil dat direct of indirect te maken heeft met schaken in zijn geheel of slechts voor een deel in de praktijk voorkomt, zakelijk of dat betrekking heeft op de praktijk en de ontwikkeling van het schaken of een geschil naar aanleiding van een besluit van de FIDE, te sturen naar het Hof van Arbitrage voor Sport in Lausanne zonder tussenkomst van elk ander gerecht of tribunaal, zoals de FIDE eerder is overeengekomen op 11 oktober 1995.’

42. Onderwerpen over ontvankelijkheid, zoals de vraag of wel of niet sprake is van een ‘beslissing’, de uitputting van interne voorzieningen en de tijdigheid van indienen van beroep onderzoekt het Panel zoals hierna beschreven.

‘moet het Panel op het geschil beslissen overeenkomstig de geldende regels en het recht dat de partijen hebben gekozen, of bij afwezigheid van zo’n keuze, volgens het recht van het land van de bond, het sport-gerelateerd lichaam dat de omstreden beslissing heeft genomen, of volgens het recht dat het Panel het meest geschikt acht om toe te passen. In het laatste geval motiveert het Panel dit.’

44. De partijen zijn het niet eens over de reikwijdte van deze bepaling.

45. Enerzijds menen de eisers dat het Panel bevoegd is op grond van artikel R58 om gelijktijdig het Zwitserse recht toe te passen en andere rechtsbeginselen als het dat geschikt acht. In het bijzonder de gewoonten in het sportrecht, zoals lex sportiva.

46. Anderzijds stelt de verweerder dat algemene rechtsbeginselen (zoals lex sportiva) niet moeten worden toegepast als de partijen hun geval baseren op het plaatselijke Zwitserse recht. Dat houdt in dat artikel 58 van de CAS Code regelt dat bij afwezigheid van een keuze een panel het geschil moet beslissen ‘overeenkomstig het recht van het land van de bond (…) dat de omstreden beslissing heeft genomen, of volgens het recht dat volgens het Panel het meest geschikt acht om toe te passen.’ De verweerder betoogt dat deze voorziening van Panels verwacht te kiezen tussen het toepasselijke locale recht of de toepassing van de rechtsbeginselen, maar niet beide.

47. Het Panel overweegt dat de interpretatie van verweerder over artikel 58 onnodig strikt is. Het is vaste praktijk van de Panels van het CAS zowel het nationale recht als andere toepasselijke rechtsbeginselen toe te passen. Het is de vaste mening van de Panels dat de werkingssfeer van beide regels gelijktijdig vallen binnen de bevoegdheid van het Panel om ‘de rechtsregels’ toe te passen ‘die het panel passend acht’. Deze bevoegdheid zoals genoemd in artikel R58 is uiteraard onderworpen aan het vereiste dat het Panel moet motiveren welke rechtsregels van toepassing zijn anders dan die van de desbetreffende bond.

48. Dit Panel overweegt derhalve dat de eisen van eisers worden getoetst aan de hand van het Zwitserse recht en de lex sportiva.

Hoofdstuk 3

… De President en alle andere officials van de FIDE en organisaties worden al naar gelang het geval verkozen of voorgedragen en benoemd voor een periode van vier jaar.

Hoofdstuk 4

4.1 De Algemene Vergadering, die het hoogste orgaan is van de FIDE, heeft wetgevende en – tenzij hierna anders is geregeld – ook besturende bevoegdheden. Zij houdt toezicht op de activiteiten van de Raad van Bestuur, de Presidentiële raad, de President en ook op de andere FIDE officials en organisaties. Zij keurt de begroting van de FIDE goed, kiest de Presidentiële raad, de Ethische-, de Verificatie- en de Constitutionele commissies en stelt het programma van de activiteiten van de FIDE vast.

Wanneer de Algemene Vergadering niet in zitting bijeen is, worden haar bevoegdheden overgedragen aan de Raad van Bestuur. Echter, de Raad van Bestuur kan niet beslissen in de volgende gevallen:

– het verkiezen van officials – zoals hiervoor genoemd

– wijzigingen in de statuten

– zaken die de Regelscommissie betreffen

– zaken die de Kwalificatiecommissie betreffen.

Alle besluiten van de Raad van Bestuur moeten in de eerstvolgende vergadering van de Algemene Vergadering worden bekrachtigd. De Wereldkampioen en de Wereldkampioen bij de vrouwen worden uitgenodigd deel te nemen aan de Algemene Vergadering en hebben een adviserende stem, maar kunnen niet stemmen.

4.4 Elk bondslid dat is vertegenwoordigd in de Algemene Vergadering heeft één stem. De andere deelnemers in de Algemene Vergadering hebben slechts een adviserende stem.

De discussies worden gehouden aan de hand van een sprekerslijst die wordt bijgehouden door de secretaris-generaal. De voorzitter kan het woord nemen zo vaak als nodig. Zelfs buiten de volgorde van de sprekerslijst. Punten van orde (waardoor een einde wordt gemaakt aan de sprekerslijst, de discussie, het punt om uitstel van behandeling van een punt op de agenda, of om een punt van de agenda te verwijderen) kunnen op elk moment aan de orde worden gesteld. Deze punten (van orde, pdg) moeten worden behandeld, en waarop direct moet worden beslist, voor zover er geen sprake is van het ophouden van de vergadering.

Hetzelfde geldt voor bezwaren wegens schending van de statuten. Voorstellen voor amendementen of aanvullende voorstellen worden alleen behandeld wanneer zij worden ingediend tezamen met een ander bondslid.

4.7 Stemmen geschiedt mondeling. Stemmingen over verkiezingen geschieden bij geheime ronde, tenzij twee derde van de meerderheid daarover anders beslist.

Hoofdstuk 7

7.1 De Presidentiële raad is de besturende organisatie van de FIDE. Hij is belast met de dagelijkse leiding van de FIDE. Hij behandelt alle zaken tenzij die op grond van de statuten uitdrukkelijk zijn overgelaten aan een ander orgaan. De Presidentiële raad oefent de bevoegdheden uit van de Algemene Vergadering en de Raad van Bestuur tussen resp. de vergaderingen van de Algemene Vergadering en de Raad van Bestuur. Zulke bevoegdheden omvatten ook het recht besluiten te nemen die (de Algemene Vergadering neemt, pdg) overeenkomstig artikel 1.2 met een meerderheid van driekwart van de stemmen. Elke bevoegdheid die op deze wijze is uitgeoefend heeft na de volgende Algemene Vergadering geen gelding, tenzij goedgekeurd met de vereiste meerderheidsstemmen.

Echter, de Presidentiële raad kan geen besluiten nemen in de volgende gevallen:

– het verkiezen van officials – zoals hiervoor genoemd

– wijzigingen in de statuten

– zaken die de Regelscommissie betreffen

– zaken die de Kwalificatiecommissie betreffen

– behandelen van de begroting.

7.2 (Algemene Vergadering ’96) De Presidentiële raad bestaat uit: de President, de ere President, de plaatsvervangend President, de secretaris-generaal, de penningmeester, de vicepresidenten, de ere vicepresidenten, de vier Presidenten van de continenten, de Wereldkampioen, de Wereldkampioen bij de vrouwen en de ere vicepresidenten.

De ere vicepresidenten zijn officieel lid van de Presidentiële raad zonder stemrecht. De accountant wordt voor alle vergaderingen van de Presidentiële raad uitgenodigd. De accountant hoort geen lid te zijn van de Presidentiële raad indien hij is gekozen door de Algemene Vergadering.

Indien een vacature ontstaat in de Presidentiële raad wordt deze in de raad door de raad opgevuld, behalve in het geval van een vacature van een President van een continent die door verkiezing van het bedoelde continent wordt opgevuld, aangenomen dat diens lidmaatschap van de Presidentiële raad niet in strijd is met de statutaire vereisten.

Een stuurgroep bestaande uit de President, de plaatsvervangend President, de eerste vicepresident, de secretaris-generaal en de penningmeester kunnen zo vaak als nodig bijeenkomen om urgente zaken en problemen te bespreken.

Hoofdstuk 9

9.4 Elke belanghebbende kan bij de Algemene Vergadering bezwaar aantekenen tegen de beslissingen van de President.

9.6 Bij de behandeling van de verkiezing voor de lijst van de President, heeft de President het recht twee – en niet meer – extra vicepresidenten voor te dragen als de tweede en derde vicepresident. Zij hebben stemrecht in de Presidentiële raad. Voor de functies moet budget worden geregeld voor een eerste termijn van vier jaar.

Kiesreglementen

Artikel 2

2. Overige verkiezingen

De kandidaat op de Presidentiële lijst die is verslagen kan onmiddellijk na de uitslag van de verkiezing de benoeming aanvaarden van elke gekozen functie.

De voordracht en benoeming van de twee extra vicepresidenten vindt in de Algemene Vergadering onmiddellijk plaats na de verkiezing van de continentale Presidenten.

Na de benoeming van de twee vicepresidenten vindt de individuele verkiezing plaats van drie extra vicepresidenten.

Slechts kandidaten met een schriftelijke voordracht van FIDE afgevaardigden, voorzitters van bonden, zone Presidenten, leden van de Raad van Bestuur of leden van de Presidentiële raad, zijn gerechtigd te worden verkozen.

Na de verkiezing van de vicepresidenten worden de accountant en de leden van de Verificatiecommissie, de voorzitter en de leden van de Ethische Commissie en de leden van de Constitutionele commissie gekozen.

Artikel 3

Om ervoor te zorgen dat de verkiezingen op een eerlijk en onpartijdige manier plaatsvinden, worden drie stemophalers, een voorzitter en twee leden benoemd.

Voorafgaand aan de verkiezingen vindt er in alfabetische volgorde een appel plaats om het aantal stemmen vast te stellen (Algemene Vergadering ‘93).

Unieke stembiljetten worden gebruikt voor de verkiezingen met de namen van de kandidaten als er meer dan een zijn voor een functie.

IX. De prealabele vraag: de aard van de benoeming van een vicepresident” name=”tekst10″>IX. De prealabele vraag: de aard van de benoeming van een vicepresident

60. De ratio van de onderhavige zaak van twee afzonderlijke beroepszaken door de eisers vindt zijn oorsprong in de omstreden karakterisering van de aanvankelijke beslissing om vijf vicepresidenten te benoemen. Zoals hierboven is uiteen gezet, baseren de eisers hun vordering op het karakteriseren van de benoeming als een die geheel alleen is genomen door de President, terwijl de verweerders betogen dat de beslissing uiteindelijk is genomen door de Algemene Vergadering.

61. De karakterisering van de benoeming van de vijf vicepresidenten raakt dan ook het hart van de beide beroepschriften, en heeft een aanzienlijke invloed op de relevantie van een aantal argumenten van de partijen, evenals de ontvankelijkheid van elk beroepschrift. In het licht hiervan heeft het panel om te beginnen onderzocht de stelling van de partijen over de precieze karakterisering van het oorspronkelijke besluit tot benoeming van de vijf vicepresidenten.

De stelling van eisers

62. De eisers betogen dat de benoeming van de vijf vicepresidenten een beslissing was van de President.

63. Zij leggen uit dat de vijf vicepresidenten werden benoemd op grond van de bevoegdheid die de President heeft op grond van artikel 9.6 van de Statuten van de FIDE, en dat de Algemene Vergadering nooit werd gevraagd de benoeming te ‘bevestigen’. Zij menen dat de verwijzing naar ‘bevestiging’ in het Kiesreglement eenvoudig de Algemene Vergadering mogelijk maakt ‘te bevestigen dat de benoemingen zijn gedaan.’ In dat opzicht stellen zij dat de procedure van de FIDE een onderscheid maakt tussen verkiezingen waar de stemmen worden geteld, en benoemingen, en dat de praktijk van de FIDE bestaat uit het afkondigen van de benoeming. Het vragen of er bezwaren bestaan verandert de procedure niet in een verkiezing. Zij menen dat de Agenda van het Congres van de FIDE en de notulen van het Congres van de FIDE voorzien in een ‘benoeming’ van vicepresidenten. Zij leggen uit dat de bevoegdheid tot het benoemen van twee vicepresidenten rechtsgeldig op grond van het Zwitserse recht is gedelegeerd van de Algemene Vergadering naar de President.

64. Om hun stelling kracht bij te zetten, roepen de eisers in:

a. artikel 2 van het Kiesreglement waarin de opvatting van de eisers wordt bevestigd dat de vicepresidenten worden benoemd door de President, in plaats van door de Algemene Vergadering, waar is geregeld dat ‘de benoeming en de bevestiging van de twee benoemde vicepresidenten … na de benoeming van de 2 vicepresidenten’ (cursivering Hof van Arbitrage).

b. artikel 4.7 van de Statuten van de FIDE waarin is bepaald dat ‘stemmingen over verkiezingen geschieden bij geheime ronde, tenzij twee derde van de meerderheid daarover anders beslist’. De eisers stellen dat het feit dat zo’n geheime stemmingsronde niet werd gehouden het bewijs is dat de verkiezing niet in de Algemene Vergadering heeft plaatsgevonden.

65. De eisers betogen ook dat er geen debat of beraadslaging heeft plaatsgevonden in de Algemene Vergadering over de geschiktheid van de kandidaten, en dat het applaus simpel betekent een erkenning van de afgevaardigden over de benoemingen door de President dan dat het gaat om een beslissing bij acclamatie. Zij menen dat de verslagen van de Algemene Vergadering uit 2006 niet eens de bevestiging vermelden van de benoemingen van de vicepresidenten, en dat zo’n bevestiging in ieder geval opvallend verschilt van normale verkiezingen.

66. Voorts menen de eisers dat er op grond van het Zwitserse recht niet zo ’n concept bestaat als een stem bij acclamatie. Sterker nog, zij leggen uit dat acclamatie verwijst naar de afwezigheid van een democratie stem, bijvoorbeeld als een functie moet worden vervuld terwijl er slechts één kandidaat beschikbaar is. Bovendien benadrukken zij dat zelfs als er zo’n procedure bestaat, de normale verkiezingsprocedure moet worden gevolgd, zoals het bewustmaken van de vergadering dat een beslissing wordt genomen. Er moet de gelegenheid worden gegeven aan de leden om in een geheime ronde te kunnen stemmen. Zij betogen dat acclamatie derhalve slechts geldig is als een beslissing unaniem wordt genomen.

De stelling van verweerder

67. De verweerder bestrijdt de karakterisering van de eisers dat de benoeming een beslissing van de President is. Zij is eerder legt zij uit onder verwijzing naar het transcript van de weergave van het Congres van de FIDE (waar de President ‘de goedkeuring vraagt’ van de afgevaardigden), dat de President zijn benoemingen overlegt aan de FIDE-afgevaardigden in de Algemene Vergadering, die door applaus haar goedkeuring laat blijken – bij acclamatie – met de voorgestelde namen van de President. Aldus werd de beslissing tot aanwijzing van de vicepresidenten uiteindelijk genomen door de Algemene Vergadering.

68. De verweerder legt uit onder verwijzing naar artikelen 4.1 en 7.2 van de Statuten van de FIDE dat de gehele Presidentiële raad is ‘gekozen’ door de Algemene Vergadering, inclusief de personen op de voordracht van de President. Het betekent dat artikel 9.6 van de Statuten van de FIDE niet afwijkt van de vereisten voor een verkiezing. Zij merkt ook op dat artikel 2 van het Kiesreglement genoemd ‘overige verkiezingen’ voorzien in ‘benoeming en bevestiging’ van de aangewezen vicepresidenten. Zij betoogt in de kern dat de President kandidaten ‘voordraagt’, maar dat de Algemene Vergadering moet goedkeuren en zo’n voorstel moet bevestigen door een eigen beslissing, wat zij deed door acclamatie.

69. De verweerder legt uit dat stemmen bij acclamatie gebeurt overeenkomstig het Zwitserse recht, en dat de enkele omstandigheid waar zo’n stem niet is toegestaan de situatie is waarin de Statuten dit verbieden. In het geval van de FIDE legt de verweerder uit dat de enige beperking op stemmen genoemd wordt in het Kiesreglement in artikel 3.1, in geval waarin meer dan een kandidaat beschikbaar is voor een functie.

70. De verweerder meent dat de werkelijkheid en de praktijk bij de FIDE en bij andere bonden is dat de meeste beslissingen bij acclamatie worden genomen, of bij afwezigheid van enig bezwaar. De raad doet een voorstel en het moet worden beschouwd als goedgekeurd indien niemand bezwaar heeft en het een formele stemming vereist. In het voorliggende geval betoogt de verweerder dat het bezwaar van de Georgische afgevaardigde zoals opgenomen in het verslag van de Algemene Vergadering en het transcript van de weergave van de Algemene Vergadering onmiddellijk werd voorgelegd aan de Algemene Vergadering van de FIDE dat op grond van artikel 4.4 van de Statuten van de FIDE onmiddellijk verplicht was te beslissen of er enig bezwaar was gebaseerd op een schending van de Statuten. Zij meent dat door tweemaal te vragen of de FIDE afgevaardigden bezwaar hadden tegen de vijf voordrachten, en omdat er geen andere bezwaren werden overgelegd, het bezwaar van de Georgische afgevaardigde derhalve was afgewezen en de benoemingen van de vijf vicepresidenten door de Algemene Vergadering werd goedgekeurd.

De beslissing van het Panel

71. Naar het oordeel van het Panel vereist de karakterisering van de beslissing om vijf vicepresidenten aan te wijzen een analyse van zowel het constitutionele framework van de FIDE waaronder de beslissing ligt, als van de specifieke gebeurtenis dat zich heeft voorgedaan tijdens de Algemene Vergadering.

72. Door eerst het constitutionele framework van de FIDE te onderzoeken, overweegt het Panel dat de Statuten van de FIDE en het Kiesreglement een aanvulling zijn voor de Algemene Vergadering voor het bevestigen van de benoeming van vicepresidenten. Om tot die conclusie te komen stelt het Panel vast dat er een zeker niveau van dubbelzinnigheid bestaat voor zover in artikel 9.6 van de Statuten van de FIDE verwijst naar een ‘benoeming’ van de vicepresidenten door de President terwijl artikel 2 van het Kiesreglement voorziet in de ‘benoeming en bevestiging’ van de vicepresidenten.

73. Echter, deze dubbelzinnigheid is, naar het oordeel van het Panel opgelost door zich te realiseren dat het Kiesreglement een meer gedetailleerde – de lex specialis – set van kiesregels bevat tegen het licht waarvan de Statuten van de FIDE moeten worden gelezen. Door zo te handelen, wordt het duidelijk dat de procedure van ‘benoeming’ zoals beschreven in artikel 9.6 van de Statuten van de FIDE daadwerkelijk voltooid is wanneer het is ‘bevestigd’ door de Algemene Vergadering, zoals vereist in artikel 2 van het Kiesreglement, een handeling die het benoemingsproces formaliseert. Als langs deze weg hoofdstuk 3 van de Statuten van de FIDE worden gelezen, die erin voorzien dat ‘de President en alle andere FIDE officials en organisaties worden gekozen of benoemd en bevestigd’ is het duidelijk voor het Panel dat een procedure van ‘bevestiging’ door de Algemene Vergadering aldus een voorwaarde is voor het aanwijzen van vicepresidenten.

74. Deze uitleg van het constitutionele framework van de FIDE is naar het oordeel van het Panel ontstaan door de actuele gebeurtenissen tijdens de Algemene Vergadering. In het bijzonder overweegt het Panel dat het verzoek van de President aan de FIDE afgevaardigden ‘goedkeuring’ van de benoemingen en het feit dat de heer Makropoulos – echter abrupt – verzocht om bezwaren naar voren te brengen over de benoemingen, laat duidelijk zien dat de procedure werd gezien als een daadwerkelijke bevestiging door de Algemene Vergadering, dan een eenzijdige beslissing van de President.

75. Om deze redenen, is naar het oordeel van het Panel de beslissing om de vijf vicepresidenten te benoemen, een beslissing die werd genomen door de Algemene Vergadering. Echter, terwijl het bestaan van een dergelijk besluit wordt geaccepteerd door het Panel, is de rechtsgeldigheid van de beschikking een kwestie waarop de grondslag van de eis betrekking heeft.

XI. CAS 2011/A/2392” name=”tekst12″>XI. CAS 2011/A/2392

86. Het Panel heeft op zijn beurt de ontvankelijkheid van CAS 2011/A/2360 overwogen in het licht van de drie ontvankelijkheidsvragen zoals hierboven uiteen gezet.

A. Was er sprake van een appellabel besluit?

87. Het Panel is ervan overtuigd dat de beslissing van de Algemene Vergadering om de vijf vicepresidenten te benoemen een appellabel besluit vormt op grond van artikel R47 van de CAS Code.

B. Heeft de eiser de interne rechtsmiddelen uitputtend gevolgd?

88. Het Panel is ervan overtuigd dat de Algemene Vergadering het hoogste besluitvormingsorgaan is van de FIDE, en dat geen intern beroep bestaat tegen de beslissingen van de Algemene Vergadering. Vandaar dat het Panel ervan overtuigd is dat de interne rechtsmiddelen waren uitgeput als vereist in artikel R47 van de CAS Code.

C. Was het beroepschrift op tijd?

De stelling van eisers

89. De eisers menen dat het beroepschrift op tijd is ingediend, voor zover het de beslissing betreft van de Algemene Vergadering die ‘null and void’ op grond van het Zwitserse recht en op grond van de lex sportiva. De argumenten van eisers over de nietigheid van de beslissing van de Algemene Vergadering zijn beschreven in paragraaf VIII hiervoor.

90. De eisers betogen dat een beslissing die nietig is geen voorwerp kan zijn voor de tijdigheid zoals bedoeld in artikel 75 van de Zwitserse Civiel Code of artikel R49 van de CAS Code.

De stelling van verweerder

91. De verweerder heeft de karakterisering van eisers over de nietigheid van de beslissing bestreden. De argumenten van verweerder over de nietigheid van de beslissing van de Algemene Vergadering zijn beschreven in paragraaf VIII hiervoor.

92. De verweerder heeft ook betoogd tijdens de hoorzitting dat door het aanvaarden van artikel R49 van de CAS Code de Partijen het toepassingsgebied van het uitoefenen van hun rechten onder het toepasselijke recht (het Zwitserse recht) hebben gewijzigd. In die zin dat zelfs als de schending van de rechten van een bondslid al ernstig genoeg is de beslissing van rechtswege nietig te verklaren, de geldigheid van die beslissing alleen kan plaatsvinden door een beroep op het CAS binnen de termijn van artikel R49 van de CAS Code.

De beslissing van het Panel

93. Tussen de Partijen wordt niet bestreden dat – onder meer – het Zwitserse recht van toepassing is voor de inhoudelijke behandeling van de zaak. Ook verschillen de Partijen niet van mening over de toepassing van het Zwitserse recht met betrekking tot beslissingen of resoluties van de algemene vergadering of van een bond die in strijd zijn met het recht van een staat of reglementen van een bond. Onder het Zwitserse recht kan de beslissing of een resolutie of van rechtswege nietig zijn of slechts ‘vernietigbaar’. Als een beslissing van rechtswege nietig is heeft zij van begin af aan geen enkel rechtsgevolg en kan iedereen zich op elk moment op deze bevinding beroepen. Zo heeft iemand bijvoorbeeld niets te maken met het tijdig indienen als de beslissing nietig is. Indien sprake is van een beslissing die ‘vernietigbaar’ is, moet zij om het beoogde rechtsgevolg te krijgen worden voorgelegd aan een rechterlijk oordeel op grond van artikel 75 van de Zwitserse Civiel Code. En dat kan alleen maar binnen de gestelde tijd van dertig dagen.

94. Verder staat tussen Partijen niet ter discussie dat zij het eens zijn over de toepasselijkheid van de CAS Code, die op grond van artikel R28 verwijst naar Lausanne als de plaats van arbitrage. Het gevolg daarvan is, dat nu de zetel van de arbitrage is gevestigd in Zwitserland en er in ieder geval een niet-Zwitsers partij bij het geschil is betrokken, is het voorgelegde beroep voorwerp van het hoofdstuk Arbitrage van de Zwitserse Federale Code van Internationaal Privaat Recht van 18 december 1987 ( de ‘Zwitserse PIL Code’) als de lex arbitri, die onder meer stelt dat ‘de partijen hun geschil rechtstreeks of door verwijzing naar hun Arbitragereglement een zaak voorleggen voor arbitrage’ (artikel 182). Het staat voorts niet ter discussie dat de Partijen onderworpen zijn aan artikel R49 van de CAS Code, waarin is geregeld dat een beroep tegen een beslissing in beginsel moet zijn ingediend binnen een termijn van 21 dagen.

95. Wat wel ter discussie staat tussen de Partijen is de relatie tussen artikel R49 van de CAS Code en de boven-samengevatte inhoud van het toepasselijke Zwitserse recht wat betreft de inhoud van de zaak, nu zij op het eerste gezicht tegenstrijdig zijn. Tot nu toe bestaat er geen jurisprudentie van het CAS die dit heeft opgelost. In CAS 1997/O/168 inzake Fédération Françaises des Sociétés d’Aviron et al. V FISA, beslissing van 29 augustus 1997 zoals eisers hebben aangehaald, erkende het Panel dat er een conflict kan bestaan tussen artikel R49 van de CAS Code en het onderhavige Zwitserse recht. Echter, aan het slot van die beslissing vonden de arbiters het niet nodig hoe dat in dat conflict op te lossen, nu de partijen het in die zaak erover eens waren dat artikel R49 van de CAS Code niet van toepassing was. Die situatie is anders dan deze, nu de verweerder de toepasselijkheid van artikel R49 van de CAS Code niet terzijde legt.

96. Anders dan de eisers menen, oordeelt het Panel dat artikel R49 van de CAS Code niet is beperkt tot beroepen die worden ingediend tegen ‘vernietigbare’ beslissingen. In de eerste plaats blijkt uit niets uit de totstandkoming van het artikel dat het is beperkt tot de ontvankelijkheid van de gevraagde voorziening. In de tweede plaats kan naar het oordeel van het Panel het argument van eisers dat artikel R49 van de CAS Code moet worden toegepast in het licht van artikel 75 van de Zwitserse Civiel Code en het onderscheid dat is gemaakt tussen enerzijds de ‘null and void’ beslissingen en anderzijds de ‘vernietigbare’ beslissing, eenvoudig niet past in wat de bedoeling moet zijn geweest van de opstellers van artikel R49, aangezien die voorziening is gemaakt om voor alle partijen die een beslissing voorleggen voor het CAS ongeacht het materiële recht dat van toepassing is op het geschil. Of een uitzondering op deze regel moet worden aangenomen en of een beroep mogelijk is nadat de termijn is verstreken als een beslissing van een bond in strijd is met de internationale openbare orde, kan onbeantwoord blijven, omdat naar het oordeel van het Panel zo’n schending in dit geval niet aanwezig is.

97. Voor alle duidelijkheid onderstreept het Panel dat naar zijn oordeel artikel R49 van de CAS Code niet is bedoeld om het toepasselijke recht ten gronde te veranderen. Als het laatste het onderscheid maakt tussen beslissingen die null and void zijn en en dat dat alleen ‘vernietigbaar’ is, blijft de situatie ongewijzigd. Artikel R49 van de Code komt op een ander niveau aan de orde. Het speelt alleen een rol bij de ontvankelijkheid van de eis bij het CAS en niet bij de behandeling van de inhoudelijke beoordeling van de eis. Vandaar dat als een beslissing van een bond null and void is, wordt deze niet inhoudelijk geldig omdat de termijn genoemd in artikel R49 van de CAS Code is verstreken. Integendeel, het bondslid zou slechts procedureel geen rechtsactie kunnen ondernemen tegen de omstreden beslissing. Echter, niets weerhoudt hetzelfde bondslid om in een ander verband gebruik te maken van het feit dat de beslissing nietig is.

98. Het Zwitserse recht geeft duidelijk voorrang aan de wil van de partijen ten aanzien van de van toepassing zijnde procedure voor internationale arbitrage die onderworpen zijn aan de Zwitserse PIL Code. Vandaar dat de termijn voor het indienen van de eisen in artikel R49 van de CAS Code – die deel uitmaken van de procedure regels die de partijen in deze arbitrage hebben gekozen – van toepassing is, ongeacht het feit dat andere termijnen kunnen bestaan voor het indienen van beroep bij gerechten van de overheid, zoals bijvoorbeeld artikel 75 van de Zwitserse Civiel Code, zoals uitgelegd door het Zwitserse recht.

99. Bijgevolg is de inhoudelijke karakterisering van het onderliggende besluit als ‘nietig’ of ‘vernietigbaar’ en het effect van een dergelijke karakterisering voor het stellen van een termijn als bedoeld in artikel 75 van de Zwitserse Civiel Code niet relevant voor de procedurele ontvankelijkheid van de eis op grond van artikel R49 van het CAS-code.

100. Het heeft dus voor de eisers geen zin om te proberen de 21 dagen termijn zoals vastgelegd in de procedure regels van beroep bij het CAS, te omzeilen zoals eiser in het onderhavige geval probeert te doen aan de hand van artikel 75 van het de Zwitserse Civiel Code.

101. Om deze redenen bepaalt het Panel dat CAS 2011/A/2392 niet-ontvankelijk is, omdat het later dan 21 dagen is ingediend na bekend worden van de omstreden beslissing.

D. De bevindingen van het Panel over de zaak ten gronde

102. Het panel heeft opnieuw de memories van beide partijen bekeken en naar behoren overwogen. Het merkt op dat deze memories op zijn minst op het eerste gezicht enige kwesties aan de orde stellen die gaan over de duidelijkheid van de FIDE Statuten en het Kiesreglement en over het interne bestuur van de FIDE. Echter, nu is besloten dat CAS 2011/A/2392 niet-ontvankelijk is, wil het Panel in deze beslissing niet ingaan op de gronden van de partijen, zoals hierboven uiteen zijn gezet in paragraaf VIII.

103. Toch wil het Panel de FIDE aanmoedigen kritisch te kijken naar de praktijk van de afgelopen tijd gelet op de tekst van haar statuten en reglementen, om op die manier een passend niveau van transparantie te behouden in haar besluitvorming.

XIII.De kosten” name=”tekst14″>XIII.De kosten

105. Artikel R64.4 van de CAS Code luidt:

‘Aan het eind van de procedures, zal de griffie van het Hof van Arbitrage voor Sport het eindbedrag vaststellen van de kosten van de arbitrage, inclusief

– het griffierecht van het Hof van Arbitrage voor Sport,

– de administratiekosten van het Hof van Arbitrage voor Sport dat wordt berekend aan de hand van de normen van het Hof van Arbitrage voor Sport,

– de kosten en het salaris van de arbiters berekend aan de hand van de normen van het Hof van Arbitrage voor Sport,

– een tegemoetkoming in de onkosten van het Hof van Arbitrage voor Sport, en

– de kosten van getuigen, deskundigen en tolken.

De definitieve rekening van de kosten van de arbitrage kan of worden vermeld in de beslissing van de arbitrage of kan afzonderlijk aan de procespartijen worden meegedeeld.’

Artikel R64.5 van de CAS Code luidt:

‘De arbitragebeslissing zal het Panel vaststellen welke partij de kosten van de arbitrage moet betalen of in welke verhouding de partijen deze moeten dragen. Als algemene regel geldt dat de partij die in het gelijk wordt gesteld een tegemoetkoming ontvangt in de kosten van rechtsbijstand en andere uitgaven die verband houden met de procedures, en in het bijzonder in de kosten van getuigen en tolken. Wanneer zo’n tegemoetkoming wordt vastgesteld, zal het Panel rekening houden met het resultaat van de procedures, evenals met het gedrag en met de financiële middelen van de partijen.’

106. In hun bijdrage in de kosten verzoeken eisers in het geval het Panel een of beide beroepen bevestigt een bijdrage in de kosten ten bedrage van ten minste $ 195.244,09. Ze geven aan dat een hogere bijdrage zou zijn gerechtvaardigd in het licht van de totale kosten van eisers te weten meer dan $ 1 miljoen. In het geval ze niet succesvol zijn in hun beroep, stellen eisers dat de verweerder aansprakelijk moet zijn voor ten minste 50% van de arbitragekosten. De verweerder mag niet worden beloond met een bijdrage voor de juridische kosten en andere kosten.

107. Wat betreft de verweerder, hij verzoekt een bijdrage in zijn kosten ten bedrage van:

(i) alle kosten (die vooraf zijn betaald) die de verweerder onmiddellijk heeft betaald aan CAS:

(ii) CHF 469.439,15;

(iii) EUR 7.329,91; en

(iv) rente tegen een tarief van 5% per jaar met ingang van de datum van de uitgifte van de beslissing tot de volledige betaling heeft plaatsgevonden.

(N.b.

De koers van de Zwitserse frank op 3 juli 2012 bedraagt: 1 CHF = 1,2012 €, pdg)

108. Het Panel heeft zorgvuldig de gedetailleerde verklaringen over de kosten van de partijen onderzocht, en heeft deze beoordeeld aan de hand van artikel R64.5 van de CAS Code.

109. In het licht van het succes van verweerder in het bestrijden van beide eisen van de eisers overweegt het Panel dat een bijdrage door de eisers in de kosten van verweerder is geboden. Echter, het Panel overweegt dat de omvang van zo’n bijdrage moet worden beperkt in het licht van het feit dat de onaangename minachting van verweerder voor constitutionele formaliteiten op het Congres van de FIDE, dat – door onder meer het creëren van een mate van onduidelijkheid over de aard van de aanstelling van de vijf vicepresidenten – door de FIDE had moeten worden begrepen als het veroorzaken van een mogelijke tweedracht en tot het indienen van eisen.

110. Om deze redenen oordeelt het Panel het passend de FIDE een bijdrage toe te kennen voor zijn kosten in de juridische procedure en andere uitgaven tot in totaal een bedrag van CHF 75.000.

Over Pieter de Groot

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.