Jarenlang gaf ik les aan clubschakers. Het waren cursussen die ik zelf organiseerde in mijn toenmalige woonplaats Eindhoven. Een zaaltje was zo geregeld, maar vervolgens begon de werving en dat was – dacht ik – niet zo eenvoudig. Achteraf bleek dat, zeker in het begin, mee te vallen omdat er juist bij veel clubschakers een grote behoefte bestaat aan het krijgen van schaaktraining. Dus toen ik de aankondiging voor een schaaktraining op een paar websites had gezet en er ook in geslaagd was om flyers bij de grote verenigingen te verspreiden, bleken er snel zo’n 20-25 schakers bereid te zijn om naar Eindhoven te komen voor een doordeweekse trainingsavond van 2½ uur waarin uiteraard de nodige interactie en diverse oefenvormen op het menu stonden. Voordat ik mijn leerplan voor acht avonden en de specifieke invulling (inclusief werkvormen) begon uit te werken, nam ik contact op met de KNSB om er eens achter te komen wat nou de gemiddelde rating was van de bij de bond aangesloten leden. Normaal delen zij dit soort gegevens niet (en terecht!) maar er kon mij meegedeeld worden dat de speelsterkte tussen 1500 en 1600 zat. Ik had daar al zo’n vermoeden van, maar het was een duidelijk signaal dat veel trainers veel te moeilijke stof aanbieden aan het gros van de mensen. Dat ging ik anders doen! Moeilijke onderwerpen makkelijker maken en uiteraard differentiëren in de oefeningen. Voor de betere schakers tijdens dit soort cursussen had ik aparte kaartjes of bladen met oefeningen klaarliggen. De intentie was wel om de groep op de gemiddelde speelsterkte te bedienen tijdens de instructie. Deze cursussen heb ik zo’n 20 jaar volgehouden met afwisselende bezettingen.
Vorig jaar tijdens het toernooi van Hoogeveen stapte er voorafgaande aan een ronde ineens een heer op mij af, stelde zich voor, vertelde dat hij een kleine serie schaakboeken in eigen beheer aan het ontwikkelen was, of ik een recensie wilde schrijven over (of meer) van deze boeken. Hij had al een eerste boek “100 fouten in de opening die je moet kennen” op zijn naam staan en wilde daar nog een vervolg aan geven.
Ik kreeg onmiddellijk een uittreksel van zijn nog te verschijnen boek “100 eindspelen” aangereikt, de laatste in de serie van drie. Ondertussen wilde hij het boek “100 partijen uit de schaakgeschiedenis” afronden. Dat boek is inmiddels verschenen en heeft hij naar mij opgestuurd en dat heb ik met veel plezier doorgekeken.
Wanneer gebeurt het dat een clubschaker die precies in de speelsterkterange van 1500-1600 het initiatief neemt om een schaakboek te schrijven? Bij mijn weten vrijwel nooit!
Maar het is Tom Smit (geboren 1948) uit Ede, want over hem hebben we het, toch gelukt. Smit is lid bij twee schaakverenigingen, te weten ESV en schaakvereniging De Cirkel allebei uit Ede. Bij de laatste club geeft hij als schaaktrainer les aan de jeugd, terwijl hij dat ernaast ook nog op diverse basisscholen doet. Dat hij een echte liefhebber is van ons koninklijke spel, blijkt uit het feit dat zijn naam opduikt bij vele schaaktoernooien in binnen- en buitenland. Het is dan niet meer dan logisch dat hij zijn eigen spelvreugde en didactische capaciteiten gebruikt om boeken samen te stellen over onderwerpen die hem aan het hart liggen. Wie is eigenlijk Tom Smit? Op 11-jarige leeftijd leren schaken van zijn vader, jeugdkampioen van Breda geweest, systeemanalist van beroep, na zijn huwelijk niet meer geschaakt maar dat 18 jaar geleden weer opgepakt.
Lees meer >