Oude doos (7): Fischer niet naar Leiden

LSG beleefde afgelopen weekend weer veel plezier aan het Noteboomtoernooi, de 72e editie in 77 jaar. Alleen in en rond de Tweede Wereldoorlog werd het toernooi een paar keer niet gehouden. Mooiste toernooi was in 1965, de 25e editie, zoals in dit venster van de Canon is te lezen. Het toernooi, een achtkamp die bij uitzondering in Noordwijk werd gespeeld, duurde geen weekend, maar een week. Topgast was Mikhail Botwinnik, die twee jaar daarvoor als wereldkampioen was onttroond door Tigran Petrosjan. Ook bijzonder was de aanwezigheid van Salo Flohr, WK-kandidaat uit de jaren dertig en met zijn 56 jaar nog zeker niet bejaard. Botwinnik was met 6 uit 7 almachtig voor Petar Trifunovic en Flohr. Gedeeld vierde met vijftig procent werd de aanstormende wereldster Bent Larsen, een plek die hij wel moest delen met Carel van den Berg.

Terug achter het bord

Het 25e Noteboomtoernooi viel samen met het 70-jarig jubileum van LSG. Bij het 75-jarig bestaan, in 1970, werd de beroemde vierkamp in Oegstgeest gespeeld, die overigens niets met het Noteboomtoernooi te maken had. Dat was echter niet het eerste idee, nee, de ambitie was veel groter. LSG wilde Bobby Fischer weer achter het bord krijgen.

De grillige Amerikaan was in 1967 weggelopen uit het interzonetoernooi in Sousse (Tunesië) en had in 1968 alleen toernooien gespeeld (en gewonnen) in Israël en Joegoslavië. Hij mengde zich dus niet meer in de strijd om het wereldkampioenschap, in 1969 werd Boris Spasski wereldkampioen door Tigran Petrosjan in een match te verslaan. Op 1 januari van dat jaar stuurde LSG een brief naar Fischer met het verzoek om in februari of maart 1970 in Leiden een match te spelen. De winnaar van de WK-match zou de gedroomde tegenstander zijn, maar die zou ongetwijfeld rustig op 1972 wachten. De keuze was daarom tussen de verliezer (dat zou Petrosjan worden) of Botwinnik. Laatstgenoemde was nog lang geen vergane glorie, hij zou ten tijde van de match 58 zijn (dat werd in die tijd niet als oud beschouwd) en won in 1969 het Hoogovenstoernooi samen met Geller, voor Keres en Portisch. De match zou gaan over twaalf partijen en voor de spelers zou 8000 (winnaar) en 5000 dollar beschikbaar zijn, plus natuurlijk reis- en verblijfkosten. Het matchcomité bestond uit de heren Weiland, Mackaay en Volten. Harro Weiland beschreef deze geschiedenis in het jubileumboek van LSG uit 1995.

Voorwaarden

Al op 28 januari stuurde Fischer zijn antwoordbrief. Hij was enthousiast, volgens hem zat de schaakwereld op zo’n match te wachten. Nou ja, de schaakwereld zat vooral op Fischer te wachten. Hij ging akkoord met een aantal voorwaarden, maar vond een match van twaalf partijen te kort. Liever speelde hij een match om zes winstpartijen. Daaraan voegde hij toe dat als een van de spelers binnen elf partijen er zes had gewonnen, hij de match wel met exhibitiepartijen tot elf wilde verlengen. Dat kon je opvatten als bravoure, maar wie het vervolg van de geschiedenis kent (twee keer 6-0 in 1971 tegen Larsen en Tajmanov) zal dit zien als een opmerkelijk staaltje inzicht in zijn eigen kunnen. Verder stelde hij voorwaarden aan de verlichting, de stoelen, de sanitaire voorzieningen en het niet hoeven spelen op heilige dagen. Al dit soort voorwaarden zijn van Fischer vooral bekend uit 1972 (Spasski) en 1975 (Karpov), maar hij begon er dus al mee bij de LSG-match. De Leidse organisatoren reageerden positief. Het toeval wilde dat Botwinnik na afloop van het Hoogovenstoernooi een klokseance gaf bij LSG. Ook hij reageerde enthousiast, wilde echter geen match van onbepaalde duur spelen (dat wilden de organisatoren begrijpelijkerwijs ook niet), maar wel één van achttien partijen. Als alternatief stelde Botwinnik een vierkamp voor tussen hem, Fischer, Spasski (toen nog geen wereldkampioen) en Larsen.

Teleurstelling

Fischer reageerde met een handgeschreven brief, die in het jubileumboek uit 1995 is afgedrukt. Hij was blij met de reactie van Botwinnik, wilde vooral een match spelen maar eventueel ook wel een vierkamp. LSG vond sponsors (met name IBM en AVRO) en Max Euwe vertrok naar de opening van de WK-match Spasski-Petrosjan met de opdracht om daar met alle betrokkenen verder te onderhandelen. Resultaat, misschien iets te doortastend: Botwinnik en Spasski wilden graag een vierkamp spelen. Op een brief hierover naar Fischer antwoordde diens zaakwaarnemer dat hij onder geen beding twee spelers uit één land wilde accepteren. Waarschijnlijk een overblijfsel van zijn trauma Curacao 1962, waar de Sovjetspelers volgens hem tegen hem samenspanden. Het zou dus een match worden en een advocaat stelde namens LSG een contract op.

Er volgde een teleurstelling. Nadat Fischer aanvankelijk enthousiast op de match had gereageerd, schreef hij nu dat een match over achttien partijen niet acceptabel was. Zolang Botwinnik niet achter zou staan, zou hij namelijk in iedere partij op remise kunnen spelen, wat uit creatief oogpunt tot een oninteressante match zou leiden. Het comité stuurde nog een brief om Fischer te overreden, maar die reageerde niet meer. De zaakwaarnemer schreef terug dat Fischer spoorloos was verdwenen en dat hij zelf de contacten met zijn cliënt had verbroken.

Wat Euwe en zijn FIDE in 1975 meemaakten bij hun vruchteloze pogingen de match Fischer-Karpov te organiseren, maakte LSG al in 1969 mee. Maar LSG hield er in 1970 wel een mooie vierkamp aan over. Zoals gepland met Botwinnik, Spasski en Larsen. De plaats van Fischer werd ingenomen door Hein Donner, hij werd keurig tweede.

1 Comment

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.