schaakverhaal

De aard van het beestje

Hans Böhm heeft onlangs samen met Yochanan Afek een boek geschreven met de veelzeggende titel: ‘De pion. De ziel van het schaakspel’. Als eerste in een reeks over de verschillende schaakstukken.

Dit bracht mij op het idee om de stukken eens onder de loep te nemen en ze te vergelijken met de karakters van het personeel op een doorsnee kantoorverdieping. Psychologie van de koude grond natuurlijk, maar wel leuk om te doen.

Laten we eens met het kleinste opdondertje beginnen, inderdaad de pion. Volgens Böhm de ziel van het spel. Ik vind ze maar een vervelend stel. Maar liefst acht lopen er op de zaak rond. Net van school en zo groen als gras. Even klein als gemeen. Onderkruipertjes die als jongste bedienden hogerop proberen te komen. Bij het kopieerapparaat staan ze altijd vooraan en, erger, in de weg. Ze zijn niet alleen vervelend maar ook nog eigenwijs. Mocht er onverhoopt eentje promoveren dan wordt hij of zij verwaand en voelt zich gelijk een hele mijnheer.

Mijn stuk is het niet.

Dan de torens. In de hoek, een beetje verscholen achter een paar grote planten zit de nestor van het kantoor. Een stoere man met een onberispelijke staat van dienst. Een vraagbaak voor menigeen en al jaren bij het bedrijf werkzaam. Klein van stuk maar breedgeschouderd.

Een beetje rechtlijnig, dat wel. Met de collega van debiteurenbeheer vormt hij een prima koppel.

Naast de torens staan de paarden. Truus en Miep van de receptie. Vrolijk en creatief. Voorkomend met hun hupse pasjes. Maar ook onvoorspelbaar. Samen vormen ze een fraai span dat menig medewerker tot wanhoop kan drijven met altijd weer die vraag of de agenda al is bijgewerkt. Ze gaan voor elkaar door het vuur en blijven tot het eind solidair. Is er een ziek dan merk je onmiddellijk aan de ander: geen land mee te bezeilen.

Dan de lopers. Ook daar hebben we er twee van. Meestal de lui van het archief. Een beetje Calvinistisch en steil. Je zult ze niet snel op oudjaarsavond op visite vragen. Nuttig hoor, daar niet van. Vooral met z’n tweetjes verzetten ze bergen werk en lopen ze niemand voor de voeten. Schuinsmarcheerders zijn het zeker niet, maar gewoon bruikbare krachten. Net als bij de mannen van debiteurenbeheer geldt ook voor hen: mis je er een dan is de ander de helft waard.

Mijn oogappel is de dame. De rechterhand van de chef. Een vrouw van middelbare leeftijd met een staat van dienst waar je u tegen zegt. Uniek en veelzijdig. Wel zuinig op zijn want missen kunnen we haar niet. Een beetje nuffig als een echte dame kan ze wel zijn. Niet ruilen is mijn devies maar mooi laten zitten.

Tot slot het belangrijkste en grootste stuk van het bord: de koning. Om hem is het te doen. Hij moet dan ook te allen tijde beschermd worden. De chef van de afdeling. Hij voelt zich het best in de luwte. Met een eigen kamer, afgescheiden van het overige personeel aan de rand van het kantoor. Een man met een sterk karakter die zich graag omgeven voelt door de jongste bedienden. Maar o wee als hij alleen komt te staan. Dan blijft er van het sterke karakter weinig over. Hij wordt kwetsbaar en is makkelijk aan te vallen. Is de afdeling bijna verlaten, dan komen zijn goede eigenschappen weer tot hun recht. Niet de snelste van het stel al kan hij soms verassend uit de hoek komen. Zonder zijn vaste secretaresse voelt hij zich bloot en kwetsbaar.

Julius

Alleen geregistreerde kunnen een reactie achter laten.