Begrijp wat u doet: Het Slavisch (deel 1): o.a. de Meraner

 

Een mooie, maar ook zeer ingewikkelde ope­ning is het Slavisch. De systemen die hieruit ont­staan, vormen in het moderne topschaak een belangrijk wapen tegen de opening met de damepion van wit.

 

Na de zetten 1.d4 d5 2.c4 c6

hebben we de uitgangsstelling van het Slavisch bereikt. In tegenstelling tot het Klassiek Dame­gambiet (na 2…e6) houdt zwart zich nog de keuze voor om zijn dameloper naar buiten te kunnen spelen. Vanaf dit moment moeten beide spelers steeds kijken wat de conse­quen­ties zijn van het slaan op c4. Soms kan wit de pion (meteen) terugwinnen, soms is hij hem zelfs helemaal kwijt omdat zwart met …b7–b5 zogezegd ‘op de pion gaat zitten’. Zwart kan dan bogen op een overweldigende pionnen­meer­derheid op de damevleugel, maar ondertussen heeft hij de strijd in het centrum verloren. Wit heeft een pion meer in het centrum en omdat hij vaak ook meer ruimte heeft, kan hij op aanval spelen.

 

3.Pf3

 

Uiteraard kan 3.Pc3 ook eerst en dan kunnen er na Pf3 dezelfde stellingen ontstaan. Maar ook kan het spel een zelfstandige betekenis hebben, als zwart het anders doet.

Er is een respectabel aantal sterke spelers dat kiest voor de ruilvariant met 3.cxd5 cxd5 In feite levert wit in een klap zijn ruimtevoordeel in, maar omdat hij een tempo meer heeft, kan hij soms zwart onder druk zetten. Een aardig voorbeeld is Aronian-Nakamura, 2013, maar we laten deze varianten verder buiten be­schouwing.

 

3…Pf6

 

Met deze neutrale zet kan het spel weer alle kanten op gaan. Het uitstellen van …Pf6 kan ook met direct 3…e6. Maar dat geeft een heel ander speltype te zien, waar we later op terugkomen.

4.Pc3 e6

Het zogenaamde Semi-Slavisch (in het Nederlands Half-Slavisch). Van der Sterren merkt op “dat deze eigenaardige naam verwijst naar het hybride karakter van deze variant omdat het eigenlijk een kruising is van het Slavisch en het Klassiek Damegambiet”.

 

Men kan zich afvragen of zwart niet eerst zijn dameloper buiten de keten moet halen met 4…Lf5 en dat laat volgen door …e7–e6. Het grote probleem voor zwart is dat hij wat problemen gaat ondervinden met b7.

5.cxd5 cxd5 6.Db3 Db6

Hier is 6…b6 is een enorme verzwakking van de witte velden. Hoe snel dat mis kan gaan bleek in Epishin-Vandenbempt, 2003.

7.Pxd5 Pxd5 8.Dxd5 e6 9.Db3 en in Gelfand-Adly, 2008 bleek dat zwart te weinig compensatie voor de geofferde pion had.

 

Het Aangenomen Slavisch (zoals Paul van der Sterren het noemt in zijn boek ‘De wereld van de schaakopening deel 1’) ontstaat na

4…dxc4 5.a4

Wit verhindert dat zwart de pion gaat dekken.

5…Lf5

Een oude ‘stoffige’ variant is 5…Pa6 die de laatste tijd weer populair aan het worden: Aronian-Carlsen, 2014.

6.e3

Varianten met 6. Pe5 komen later aan bod.

6…e6 7.Lxc4

Met het bezit van twee centrumpionnen tegen zwart slechts één, wordt duidelijk dat vanaf nu de opmars e3–e4 een belangrijke rol gaat spelen.

7…Lb4 8.0–0

 

Deze stelling is essentieel voor het begrip van deze variant. Wit stuurt met Dd1–e2 aan op het doorzetten van e3–e4. Er zijn nu twee mogelijkheden:

 

  1. A) Meteen rokeren met ..0–0. Dan volgt er meestal:

9.De2 Lg6 10.Pe5

Dat kan nu omdat er nog geen zwart paard op d7 staat.

10…Pbd7 11.Pxg6 hxg6 12.Td1 Da5

Dit is wederom een belangrijke stelling in de theorie. Meestal gaan de witspelers verder met

13.Ld2

Maar het pionoffer 13.e4 is hier ook interessant. 13…Lxc3 In de praktijk blijkt dat aanname hiervan veel te riskant is voor zwart.

 

  1. B) Met ..Pbd7 haalt zwart Pf3–e5 min of meer uit de stelling.

9.De2 Lg6 10.e4

10…0–0

Wat veiliger dan het aannemen van het pionoffer, maar nu heeft wit wel zijn plan doorgezet.

De vraag is natuurlijk of zwart de pion niet mag nemen. Daarvoor moet hij wel zijn loperpaar inleveren, maar wat belangrijker is: zijn koning blijft nog even gevangen in het midden. 10…Lxc3 11.bxc3 Pxe4 12.La3 Dat is de pointe. 12…Dc7 Een belangwekkende partij met deze stelling is Kasparov-Bareev, 1991. Daarin liet Kasparov op overtuigende wijze zien dat wit (meer dan) genoeg compensatie heeft voor de geofferde pion.

11.Ld3 Lh5 12.e5 Pd5 13.Pxd5 cxd5 14.De3

De pionnenstructuur lijkt op die uit de Franse verdediging. Zwart heeft een klein succesje geboekt, want zijn slechte loper is buiten de keten terecht gekomen. Wit zal in principe de witveldige lopers graag op het bord willen houden. Met zijn laatste zet, gaat wit uit de penning om Pg5 mogelijk te maken. Zijn spel ligt zowel op de koningsvleugel als op de damevleugel. Een mooie illustratie van de witte mogelijkheden valt te zien in de partij Vachier-Lagrave-Raznikov, 2013.

 

Als wit geen zin heeft om de pion op c4 te offeren met 5. Lg5, waarmee wit zich inlaat op de zogenaamde Botwinnikvariant,

kiest hij vaak voor 5. e3 (die we zo dadelijk behandelen).

Goud van oud: Mikhail Botwinnik aan het werk in een V&D-simultaan in Nijmegen (foto Jos Sutmuller)

Maar na 5. Lg5 dxc4 kiest zwart ervoor om ‘op de pion te gaan zitten’. Omdat wereldkampioen Mikhail Botwinnik zo’n beetje de eerste was die hiermee begon, wordt het dus de Botwinnikvariant genoemd. De verwikkelingen hierin zijn gigantisch.

 

 

Terug naar de andere variant.

 

5.e3

 

Het logische vervolg is dan

 

5…Pbd7 6.Ld3

Dit wordt de Meraner genoemd. Nu wit een zet met zijn koningsloper heeft gedaan, laat zwart hem een tempo verliezen door op c4 te ruilen.

 

Strategen kiezen soms voor 6.Dc2 om nog even te wachten met de loperzet. Wit kan zijn koningsloper later ontwikkelen om na de ruil op c4 die terug te kunnen trekken naar e2. Een eventueel …b7–b5–b4 met aanval op Pc3, kan dan gevolgd worden door Pc3–e4. Tegelijkertijd dekt de dame Pc3, zodat hij ook b2–b3 mogelijk maakt, zonder problemen te krijgen door … Lb4.

6…Ld6 7.Le2

Of 7.b3 0–0 8.Lb2 De7 9.Le2 hetgeen een bijzonder geladen stelling te zien geeft, waarin elk moment de lont in het kruitvat gestoken kan worden. In Gelfand-Anand, 2000 werd het remise na een zwaar gevecht.

7…0–0 8.0–0 dxc4 9.Lxc4

Hier leren we iets over de verschillende strijdwijzen die zwart als mogelijkheden heeft. Hij moet voornamelijk het probleem van zijn witveldige loper oplossen. Die kan bevrijd worden als zwart met …Dd8–e7 vervolgens …e6–e5 weet door te zetten. De loper kan dan, nadat Pd7 een zet heeft gedaan, mooi op de koningsvleugel ontwikkeld worden. Een andere manier om zijn loper een zonnigere toekomstig te bezorgen, is met 9…b5 10.Le2 Lb7 Zwart zal in de regel met … a7–a6 pion b5 dekken, zodat hij zijn spel kan bevrijden met …c6–c5. Dit type stelling heeft veel weg van stellingen uit het Aangenomen Damegambiet. Daar slaat zwart al op zet twee op c4 en probeert daarna de loper via b7 in het spel te brengen.

11.Td1 Dc7 12.e4 e5

En de strijd is in volle gang!

 

6…dxc4 7.Lxc4 b5

 

De gebruikelijke reactie. Ook hier is 7…Ld6 8.0–0 0–0 9.e4 e5 weer mogelijk voor zwart. Hij beoogt opnieuw de dameloper op de konings­vleugel tot ontwikkeling te brengen. Een mooi voorbeeld is Lautier-Anand, 2000.

 

8.Ld3 a6

 

Zo dekt zwart pion b5 nogmaals, waarna hij klaarstaat om zijn spel te bevrijden met … c6–c5. Als zwart nu het paard op c3 een schop geeft met 8…b4 kan het mooi naar e4. De hoofdvariant gaat verder met

 

9.e4

 

Men kan zich afvragen of wit er niet verstandig aan doet om pion b5 onder druk te houden zodat …c6–c5 daarmee bemoeilijkt kan wor­den. Na

9.a4 b4

laat zwart zich er toch niet van weerhouden om …c6–c5 door te zetten.

10.Pe4

Met 10.Pb1 valt een leuk aanvalspotje te zien: Markus-Predojevic, 2009.

10…c5

En zwart mengt zich actief in de strijd.

 

9…c5

 

Zwart mag nu niet wachten. Want op 9…Lb7 10.e5 Pd5 11.Pxd5 cxd5 is deze Franse structuur weer wat beter voor wit. Hij beschikt over een prettig ruimtevoordeel en kan daarmee op aanval spelen. Dat lukte heel mooi in de partij Iotov-Gochev, 2009.

 

10.e5 cxd4

 

Min of meer de enige zet.

 

11.Pxb5

 

Ook deze slagzet is de enige manier voor wit om op voordeel te spelen.

 

11…axb5 12.exf6 gxf6

 

Dit is een belangrijke stelling van de Meranervariant die in de WK-tweekamp tussen Kramnik en Anand tweemaal op het bord kwam. En tweemaal bleek Anand als een vis in het water met zwart. Wit heeft de pionnen­meerderheid op de damevleugel, maar zwart kan met zijn sterke loper op b7 en de open g-lijn tactische kansen creëren tegen de witte koning.

 

13.0–0 Db6 14.De2 Lb7 15.Lxb5 Tg8

 

Gespeeld in Kramnik-Anand, 2008 (vijfde matchpartij).

15…Ld6 was in de derde partij van dezelfde tweekamp Kramnik-Anand, 2008 al succesvol afgelopen voor zwart.

 

 

Belangrijkste illustratieve partijen (worden later toegevoegd in de viewer):

  • Aronian-Nakamura, 2013.
  • Epishin-Vandenbempt, 2003.
  • Gelfand-Adly, 2008.
  • Aronian-Carlsen, 2014.
  • Kasparov-Bareev, 1991.
  • Vachier-Lagrave-Raznikov, 2013.
  • Gelfand-Anand, 2000.
  • Lautier-Anand, 2000.
  • Markus-Predojevic, 2009.
  • Iotov-Gochev, 2009.
  • Kramnik-Anand, 2008 (3e matchpartij).
  • Kramnik-Anand, 2008 (5e matchpartij).

 

Geraadpleegde bronnen:

–        De wereld van de schaakopening 1 (Paul van der Sterren)

–        Megadatabase van Chessbase

 

Eerdere afleveringen van deze rubriek, waarbij u de illustratieve partijen interac­tief kunt na­spe­len en downloaden, treft u aan op www.schaaksite.nl/2013/05/03/overzicht-begrijp-wat-u-doet/

 

Reageren? Stuur een e-mail naar hgrooten@xs4all.nl.

 

 

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.