Begrijp wat u doet: Spaanse structuren 1

In deze rubriek worden de achtergronden van verschillende openingssystemen onder de loep genomen. Met toestemming van Minze bij de Weg, de hoofdredacteur van Schaakmagazine, het blad van de Nederlandse Schaakbond, zullen we in de loop van de tijd de afleveringen van deze rubriek integraal op Schaaksite online gaan zetten.

Iedere geïnteresseerde kan de rubrieken zo nog eens nalezen, het voordeel is dan ook dat alle (model)partijen en fragmenten via de viewer nagespeeld en gedownload kunnen worden. Veel plezier!

In deze nieuwe rubriek ga ik een poging doen de clubschaker een leidraad aan te bieden om hem te helpen zijn inzicht te vergroten. In gesprekken die ik onlangs voerde met de Oekraïense grootmeester Adrian Mikhalchishin kwam naar voren dat een speler naar zijn idee het inzicht kan verbeteren door partijen na te spelen van de grote meesters. Onontbeerlijk daarbij is de verbale uitleg bij deze partijen, gelardeerd met de meest essentiële varianten. ‘Het naspelen van partijen van alle wereldkampioenen is verplichte kost in het Oostblok’, zo vertrouwde Mikhalchishin mij toe.

Zou dat het geheim zijn achter de busladingen sterke spelers die steeds maar weer uit het niets tevoorschijn lijken te komen?

Maar hoe kun je door “in het wilde weg partijen na te spelen” je eigen niveau opkrikken? Nee, dat dient natuurlijk gestructureerd te gebeuren. Een methode zou kunnen zijn om partijen na te spelen die passen bij de soort stellingen die je zelf speelt. Als je bijvoorbeeld de Svesnikov-variant van het Siciliaans (bijvoorbeeld 1. e4 c5 2. Pf3 Pc6 3. d4 cxd4 4. Pxd4 Pf6 5. Pc3 e5 6. Pdb5 d6 7. Lg5 a6 8. Pa3 b5 9. Lxf6 gxf6) op het bord krijgt dien je verstand te hebben van het spelen met een loperpaar. Zonder enig begrip hiervan valt deze opening niet te spelen.

Oudwereldkampioen Anatoly Karpov zei ooit dat als je een sterke speler wilde worden, je je met beide kleuren in moest laten op het Spaans. Deze moeilijke opening, waar zoveel onderhuidse spanningen heersen, vereist een diep begrip van de overgang naar diverse structuren. Het leek mij een uitdaging om in deze eerste aflevering in te gaan op een deel van de problematiek. Daarvoor maak ik om te beginnen gebruik van een bijzonder leerzaam betoog dat grootmeester Svetozar Gligoric ooit in het boek How to open a Chessgame hield over de stelling die ontstaat na de zetten 1. e4 e5.

Het klinkt vreemd om al na de eerste zet stil te staan bij een stelling die door elke beginneling binnen een paar seconden op het bord wordt gezet. Maar het commentaar van Gligoric is zeer leerzaam. Hij zegt dat zwart, na wits openingszet, direct een “stopteken” neerzet. Wat hij bedoelt is dat zwart met zijn openingszet direct verhindert dat wit twee pionnen naast elkaar in het centrum krijgt en er tevens voor zorgt dat wit geen ruimtevoordeel kan krijgen door op den duur met e4-e5 te gaan werken. Na de zetten 2. Pf3 Pc6 neemt Gligoric opnieuw de tijd om deze stelling aan een nader onderzoek te onderwerpen. Hij geeft aan dat vrijwel alle sterke spelers hier opteren voor 3. Lb5 maar als je hier diep over gaat nadenken de logica op het eerste gezicht van ontbreekt. De opstelling van de pionnen e4/e5 impliceert bepaalde specifieke kenmerken die we in ons op moeten nemen om de essentie van de stelling beter te gaan begrijpen. Zo is bij zwart de diagonaal a2-g8 kwetsbaar geworden, bij wit is dat de diagonaal a7-g1. Gezien dit gegeven lijkt het dus veel logischer om de lopers naar respectievelijk c4 en c5 te ontwikkelen. De vraag die je je dus kunt stellen is waarom het Spaans een betere opening is dan de Giuoco Piano zoals het systeem wordt genoemd na: 3. Lc4 Lc5. De reden hiervoor zit hem in de volgende variant:

4. c3 Pf6 5. d4 exd4 6. cxd4 Lb4+ 7. Ld2 Lxd2+ 8. Pbxd2

Eigenlijk lijkt het erop dat wit alles heeft bereikt wat zijn hartje begeert. Hij heeft twee pionnen naast elkaar in het centrum gekregen, meer ruimte, een voorsprong in ontwikkeling en zijn loper staat op de voor zwart ‘gevoelige’ diagonaal a2-g8. Desondanks levert deze positie wit geen voordeel op. Sterker nog: na 8. … d5! 9. exd5 Pxd5 is het machtig ogende witte pionnencentrum volledig uit elkaar geslagen en wordt hij in het vervolg opgescheept met een geïsoleerde pion op d4. Zwart krijgt middels de manoeuvre … Pce7 gevolgd door … c7-c6 een comfortabel middenspel.

Volgens Gligoric zit hem het probleem er voor wit dat de witte loper op c4 te dichtbij staat! Zou hij op b3 hebben staan, kan wit na 8. … d5 antwoorden met 9. e5 waarna hij wel een ruimtevoordeel zou hebben verkregen en mogelijk ook de gewenste aanvalskansen op de koningsvleugel.

En juist daarin is dus de reden opgesloten waarom veel grootmeesters voor 3. Lb5 kiezen. Of zoals de Nederlandse kam¬pioen Sergej Tiviakov vaak speelt: 3. Lc4 hetgeen hij laat volgen door het wat bescheiden ogende d2-d3, c2-c3 en Lc4-b3.In het Spaans schiet de loper dus eigenlijk langs de voor de loper gewenste diagonaal heen, maar veel later komt hij daar vaak toch terecht.

Ik kom nog even terug op het “stopteken” dat zwart geeft door op de eerste zet 1. … e7-e5 te spelen.

Zoals al eerder gezegd, wil zwart met deze pion een blokkade tegenover pion e4 oproepen die daar liefst het gehele middenspel blijft staan. Deze gedachte past ook in de bespiegelingen van Gligoric. Wit zal juist in het Spaans proberen de pion op e5 van zijn plaats te krijgen, zodat hij pion e4 in beweging kan brengen. Dat is nodig om de witveldige loper (die vaak op c2 terecht komt) actief in te kunnen zetten tegen de kort gerokeerde zwarte koning. In de partij Gligoric – Bidev, Belgrado 1946 zien we een prachtig voorbeeld hoe hij zijn lopers op c1 en c2 in de aanval betrekt.

1. e4 e5 2. Pf3 Pc6 3. Lb5 a6 4. La4 Pf6 5. O-O Le7 6. Te1 b5 7. Lb3 O-O 8. c3 d6 9. h3 Lb7 10. d3

10… Pd7? Dit dubieuze plan komt de zwartspeler later duur te staan. Het paard wordt op de koningsvleugel node gemist, zoals we zullen gaan zien.

11. Pbd2 Pc5 12. Lc2 d5?! Op het eerste gezicht lijkt het een uitstekend moment om de stelling te openen voor zwart, gezien de op het oog bescheiden opstelling die de witte stukken hebben ingenomen.

13. exd5 Dxd5 14. Pf1 Tad8 15. Pe3 Dd7 16. d4! Wit kan zich deze zet permitteren gezien de tactische rechtvaardiging 16. … exd4 17. cxd4 Pxd4? 18. Pxd4 Dxd4 19. Dxd4 Txd4 20. Pf5! met stukwinst.

16. … exd4 17. cxd4 Dc8 18. Ld2! Gebaseerd op hetzelfde motief als hierboven.

18. … Pa4 19. d5 Pb8 20. Pf5 Lf6 21. Pg5 g6

Een fraaie illustratie van wat Gligoric in zijn inleiding aangeeft: lopers opereren van afstand, de paarden dienen in de nabijheid van de vijandelijke koningsstelling gemanoeuvreerd te worden. De effecten van deze strategie kunnen dan dodelijk zijn:

22. Pxh7! Kxh7 23. Pe7 Lxe7 24. Dh5+ Kg8 25. Lxg6 fxg6 26. Dxg6+ Kh8 27.

Txe7

1-0

Vanuit de zwartspeler bezien dient die pion op e5 daar met alle macht te worden gehandhaafd. Als zwart op dit gebied geen krimp geeft, is het voor de witspeler over het algemeen moeilijk om vorderingen te boeken. Ook hiervan heb ik een stereotiep voorbeeld geselecteerd. In de partij Contedini – Euwe, Leipzig 1960 trekt de zwartspeler zich vrijwel op de onderste linies terug, maar pion e5 staat daar als een rots in de branding. Uiteindelijk loopt de witspeler zich helemaal stuk op dit “blok beton” en steekt hij de helpende hand uit om de zwarte strategie volledig te laten slagen.

Max Euwe (Foto onbekend)

1. e4 e5 2. Pf3 Pc6 3. Lc4 Lc5 4. c3 Lb6 5. d4 De7 6. O-O d6 7. a4 a6 8. h3 Pf6

9. Te1 O-O 10. Pa3

10… Kh8 Een mysterieuze koningszet die getuigt van een groot inzicht en waarvan de bedoeling weldra duidelijk wordt.

11. Pc2 Pg8! Een bekend plan in dit type stelling. Het paard staat niet goed meer op f6 en dient naar andere velden omgespeeld te worden. Zo kan bijvoorbeeld veld f4 op den duur interessant worden. Tegelijkertijd bereidt zwart … f7-f6 voor, waarmee hij zijn centrumpositie stabiliseert.

12. Pe3 La7 13. Pd5 Dd8 Het is grappig om te zien hoe zwart eigenlijk de meeste stukken systematisch terug mag spelen. Juist het feit dat de pion op e5 wit hindert in zijn acties geeft zwart de vrije hand om zijn stukken te hergroeperen. Daarbij wordt de schijnbare activiteit van de witspeler koeltjes opgevangen.

14. Le3 f6 15. b4 Pce7!

16. dxe5? De witspeler zwicht onder het uitgekookte spelletje van zijn tegenstander. Dit is een typisch geval van ‘spanning opheffen’, hetgeen hier kwalijke gevolgen heeft.

16. … Pxd5 17. Lxd5 Lxe3 18. Txe3 fxe5 De f-lijn is nu open gekomen voor zwart en daar maakt hij op fraaie wijze gebruik van.

19. Lb3 Df6 20. c4 Pe7 21. c5 dxc5 22. bxc5 Pg6 23. Dd5

23… Lxh3! Een dergelijke combinatie kon natuurlijk niet uitblijven.

24. gxh3 Ph4 25. Pxh4 Dxf2+ 26. Kh1 Dxe3 27. Pf5 Dxh3+ 28. Kg1 Tf6

0-1

Wat heeft dit alles met het Spaans te maken, zult u zich afvragen. Wel het begrip van de pionnenstructuur waarin de pionnen e4/e5 tegenover elkaar vastliggen is essentieel voor de plannen die in de Spaanse structuren van belang zijn.

De volgende keer zullen verder gaan met het bespreken van de diverse plannen die horen bij deze diagramstelling.

    Modelpartijen:

  • Gligoric – Bidev, Belgrado 1946.
  • Contedini – Euwe, Leipzig 1960.

Alle partijen en fragmenten via de viewer:

(wordt vervolgd)

1 Comment

  1. Avatar
    pieterpriems februari 23, 2011

    Ha fijn dat deze rubriek hier nogmaals komt te staan en met partijen die ik na kan spelen. Goed werk Herman!!

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.