Schaken en Kunst

klik hier voor overzicht publicaties
klik hier voor verloting

De eerste schaakkunstwerken waren de stukken zelf. De stukken uit de begintijd van het schaken in India tegen het eind van de zesde eeuw na Christus, zijn niet bewaard gebleven, maar de Arabieren hebben ze een paar eeuwen later beschreven en nagemaakt. Het waren uitbundige beeldsnijwerkjes. Een koning die op een olifant ten strijde trekt. Om de olifant heen zijn andere krijgers uitgesneden, met een grote rijkdom aan naturalistische details.

De Arabieren zelf maakten sobere schaakstukken. Geometrische vormen waarin een paar krasjes aangaven welk stuk het was. Die soberheid werd in Europa pas in de twintigste eeuw bereikt, bijvoorbeeld in het Bauhaus-schaakspel van Josef Hartwig uit 1924.

Het Bauhuis schaakspel uit 1924 van Josef Harwig (1880-1956)
Bron: website Daily Icon

Het is in de twintigste eeuw ondankbaar werk voor een kunstenaar om schaakstukken te ontwerpen, want de schakers willen er niet mee spelen. Anders dan vroeger wordt op de hele wereld met dezelfde soort stukken gespeeld, het Stauntonmodel dat uit de negentiende eeuw stamt. Er zijn in deze eeuw heel mooie schaakspelen ontworpen, bijvoorbeeld door Max Ernst, Marchel Duchamp en Man Ray.

Schaakspel van de Amerikaan Man Ray (1880-1976)

Als je ze met elkaar ziet schaken (bijvoorbeeld in het filmpje Entr’acte van René Clair uit 1924,waarin Duchamp en Man Ray op het dak van een huis in Parijs een schaakpartij spelen totdat Picabia hen met tuinslag wegspuit) gebruiken ze toch bijna altijd de gewone Stauntonstukken, niet de stukken die ze zelf ontwierpen.

Marcel Duchamp en Man Ray schakend op het dak, uit de film Entr’acte Van René Clair uit 1924

Er zijn vele redenen om het schaakspel als motief te gebruiken in de beeldende kunst. Vaak is het schaakspel een allegorie. De ridder speelt met de Dood om zijn leven. De vrije wil strijdt met het noodlot of het toeval. Man strijdt tegen vrouw voor een doel dat met beider wensen overeen komt.

Soms is het alleen maar een beeld. Stilleven met schaakbord, dat is honderden keren gemaakt. Het mooiste vind ik dat van Baugin, van omstreeks 1630.

De vijf zintuigen – stilleven met schaakbord
Lubin Baugin (1610-1663)
Nationaal Museum Het Louvre, Parijs

We hebben geleerd dat ook in stillevens diepe allegorische betekenissen gezocht kunnen worden, maar nodig is dat niet voor een modern kijker als hij dat schitterende verstilde schaakbord van Baugin ziet. In Nederland is Klaas Gubbels de schaakbordenschilder bij uitstek. Het schaakbord neemt in zijn werk een even belangrijke plaats in als de koffiekan.

Hans Ree, 1990, gemengde techniek, 31 x 24,5 cm
door kunstenaar Klaas Gubbels

Soms worden niet het bord en de stukken afgebeeld, maar wordt getracht de bewegingen die de stukken op het bord maken weer te geven, of zelfs de gedachten achter de schaakzetten. Het is erg moeilijk om dat zo te doen dat het niet kinderachtig lijkt. Er is geopperd dat het schaakspel ook altijd zo’n geliefd onderwerp voor schilders was omdat ze aan het schaakbord modellen vonden die op een natuurlijke manier lange tijd stil zaten. Het is de vraag of dat altijd waar was. In de beschrijvingen van Middeleeuwse schaakpartijen gaan de schakers meestal na korte tijd tot gewelddadigheden over.

De meest afgebeelde schaakschilderijen zijn waarschijnlijk de Schaakpartij van Lucas van Leyden uit 1508 en de Schaakspelers van Girolamo van Cremona, uit de vijftiende eeuw. Vooral dat laatste werk, een schildering op een houten kist, te zien in het Metropolitan museum in New York, is heel intrigerend. Het zijn vrouwen die hier spelen en toekijken en hun blijk is van een onuitsprekelijke droefheid.

Girolamo van Cremona – De schaakpartij (New York, Metropolitan Museum, 1475-80)

Voor schaakhistorici kan het ook interessant zijn om te zien waar het schaakspel niet is afgebeeld. Op het rechter binnenpaneel van de Tuin der Lusten van Hieronymus Bosch zien we onder meer de hel waar de spelers terechtkomen. Tussen de gemarkeerde verdoemden zien we de attributen van hun zonde : dobbelstenen, speelkaarten en een triktrakbord. Geen schaakspel. De schakers kwamen volgens Bosch kennelijk niet in de hel, ook al hadden vele kerkvaders op het onzedelijke karakter van het schaakspel gewezen.

Er is één beeldende kunstenaar geweest die erg sterk schaakte. Dat was Marchel Duchamp. Vanaf 1919 was het schaken belangrijker voor hem dan de beeldende kunst. Als schaker is hij heel wat minder beroemd geworden dan als kunstenaar, maar zijn schaakprestaties – hij was in de jaren dertig een van de vier of vijf beste spelers van Frankrijk- mogen toch niet onderschat worden. Duchamp keerde zich tegen de kunst die alleen voor het netvlies bestemd was en niet voor het brein, en hij liet zich ontvallen dat de schaakpartij misschien het ideale kunstwerk zou kunnen zijn. In 1966 zei hij:’Daarbij komt dat het milieu van de schaakspelers heel wat sympathieker is dan dat van de kunstenaars. Schaakspelers zijn geobsedeerde, geheel verblinde mensen, ze hebben een bord voor hun kop. Gekken van een bepaald niveau, zoals de kunstenaar dat zou moeten zijn maar het doorgaans niet is.’

De schaakpartij 1910, Marcel Duchamp (1887-1968)
Philadelphia Museum of Art, USA

Er zijn al veel tentoonstellingen geweest die het motto ‘schaken en kunst’ voerden. Een van de meest spectaculaire werd in 1966 door Duchamp in New York georganiseerd. Homage to Caïssa heette de tentoonstelling. Bij de opening, op het dak van het pand op nummer 978 van Madison Avenue, speelde Duchamp een partij tegen Salvador Dali en Andy Warhol had de groep Velvet Underground gestuurd voor de muziek. Na afloop werden schaakstukken aan ballonnen opgelaten. De opbrengst van de tentoonstelling was voor een stichting die het Amerikaanse schaakleven steunde. Bobby Fischer is er nog van naar Europa gestuurd.

Vele groten van de moderne beeldende kunst deden aan de schaaktentoonstelling mee. Calder, Dubuffet, Ernst, Jasper, Johns, Miró, Rauschenberg, Man Ray, Tanguy, Tinguely, om maar een paar van de beroemdste te noemen. De opbrengst werd door Duchamp op een gegeven moment, met nog een paar werken onverkocht, op 32.000 dollar geraamd. Duchamp was er heel tevreden mee, maar je krijgt de indruk dat de kunstliefhebbers die met hun aankopen het schaken steunden, het op een koopje konden doen.

Homage to Caïssa, Marcel Duchamp, New York 1966

Je kan je afvragen hoe ernstig Duchamp het meende met zijn aanval op de netvlieskunst en op de esthetiek. Wat hij maakte wordt nu algemeen als mooi ervaren, ook al zei hij zelf dat esthetische overwegingen geen rol speelden. De breinkunst van zijn opvolgers was over het algemeen heel wat minder inventief dan wat Duchamp zelf maakte en menigeen is uitgekeken op de conceptuele kunst. Ik geloof dat netvlieskunst tegenwoordig weer wat meer in aanzien staat dan vroeger.

In 1990 bezocht ik de weduwe van Marchel Duchamp. Voor haar huwelijk met Duchamp was zij getrouwd geweest met Pierre Matisse, de zoon van de schilder Henri en zelf een belangrijk handelaar in moderne kunst in New York.

Pierre Matisse, zoon van de Franse schilder Henri Matisse, poseert voor Alberto Giacometti
ca. 1949
uit "Pierre Matisse Gallery Archives"

at the Morgan Library

Het kunstverleden van mevrouw Duchamp was aan het huis wel af te zien. Het was een waar museum van moderne kunst. Matisse, Picasso, de vrienden van Duchamp, het zou moeilijk zijn om een grote naam te vinden die niet vertegenwoordigd was. Het was niet het huis waar Marcel Duchamp zelf had gewoond, maar veel van wat ik zag moet hij ook om zich heen hebben gehad. Netvlieskunst in volle glorie. Toen ik na mijn bezoek teruggebracht werd naar het station van Fontainebleau door een achterkleinzoon van Henri Matisse, vertelde hij dat er in het verleden door bezoekers al heel wat kostbare werkjes achterovergedrukt waren. De familie was voorzichtig geworden. Dat begreep ik, en ik begreep nu ook waarom mevrouw Duchamp me een dik plakboek met foto’s van schakers had laten zien. Het was een test geweest om te zien of ik ze herkende. Ik was geslaagd voor de test, had alle namen goed gehad en zo bewezen dat ik een bona fide schaker was en niet een kunstdief die zich er voor uitgaf.

Dit artikel is eerder verschenen in de catalogus bij de expositie ‘Schaken en Kunst’ uitgebracht bij het 150-jarig bestaan in 1997 van schaakclub Messemaker 1847. Voor deze publicatie zijn hierboven afbeeldingen met tekst en een video aan het artikel van Hans Ree toegevoegd.

Catalogus bij de expositie in het Catharina Gasthuis van Gouda in 1997

Met dank aan schaakclub Messemaker en aan Hans Ree. TK

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.