Begrijp wat u doet: Siciliaans Introductie 1

In deze nieuwe aflevering maken we een begin met misschien wel de meest gespeelde en wellicht ook meest ingewikkelde opening in het hele scala van openingen: het Siciliaans. Vrijwel alle moderne topspelers hebben een variant van het Siciliaans op hun repertoire staan. En ook de voormalige toppers ontkomen er niet aan om zich te bekwamen in deze prachtige maar tevens zo ondoorzichtige opening. Een lastige, misschien zelfs onmogelijke taak voor ondergetekende om daar zodanig structuur in aan te brengen dat een clubschaker goed gewapend ten ijs kan gaan als hij besluit om zich in deze materie te gaan verdiepen. Vanwege het ruimtegebrek is het onmogelijk om alle problematiek te behandelen. Het lijkt daarom raadzaam als de lezer de handboeken en liefst ook met behulp van een databaseprogramma aan de slag gaat om verder wegwijs te worden in dit oerwoud aan varianten.

Voordat we een eerste overzicht van de belangrijkste systemen gaan uitwerken is het van belang om wat begrip van de typische Siciliaanse stellingen aanbrengen.

Een belangrijke uitgangsstelling ontstaat na de zetten: 1. e4 c5 2. Pf3 d6 3. d4

Met 3. … cxd4 4. Pxd4 ruilt zwart een ‘flankpion’ tegen een centrumpion. Vanaf dit moment bezit hij dus twee centrumpionnen tegenover wit maar één. De voormalige Deense topspeler Bent Larsen liet zich hierover enigszins schertsend uit. Hij beweerde dat zwart in hogere zin al beter staat, omdat wit een centrumpion heeft ingeleverd voor een ‘flankpion’.

Misschien krijg hij over een paar eeuwen gelijk, maar ondertussen is wel duidelijk geworden dat de zwarte pionnenmeerderheid in het centrum een rol van betekenis is in veel varianten. Een ander aspect wordt ook meteen duidelijk. Na 4. … Pf6 5. Pc3 is duidelijk dat wit over wat meer ruimte beschikt en dat zijn stukken actief in het centrum staan. Dat geeft direct aan dat wit in veel varianten ten aanval trekt omdat hij over een surplus aan activiteit beschikt. Daarbij geeft de pionnenformatie ons ook informatie op welke vleugel het werkterrein van beide spelers (in principe) ligt.

Het diagram laat eigenlijk al zien dat wit zich graag zal richten op de koningsvleugel, de zwartspeler zal proberen met de half-open c-lijn en op de damevleugel zijn operaties doorgaans laten verlopen. Ook moeten acties van zwart in het centrum niet onderschat worden. Een vuistregel is dat als zwart tot … d6-d5 komt hij minstens gelijkspel heeft bereikt. De regel schrijft ook voor dat als hij … d6-d5 speelt, wit geen e4-e5 mag kunnen doen.

Voor wit zijn er diverse methoden om te proberen vuist te maken op de koningsvleugel. Zo moet hij bepalen of hij voor een opstelling met f2-f4 gaat, of dat hij opbouwt met f2-f3, Lc1-e3, Dd1-d2 en een keer g2-g4 (eventueel gevolgd of vooraf gegaan met h2-h4). Die actie met g2-g4 wordt in verschillende leerboeken de zogenaamde ‘bajonetaanval’ genoemd.

Bij deze twee principiële keuzes is het voor de witspeler ook van belang om te bepalen wat hij met zijn koning doet. Gaat hij met korte rokade aan de slag, of bergt hij de koning na de lange rokade op de damevleugel op?

In deze aflevering zetten we een wat gekleurde bril op. We laten zien in twee voorbeeldjes zien hoe het zwarte spel in elkaar steekt. De volgende keer zullen we met wit “als een mes door de boter gaan”.

Uit de Scheveningervariant zien we dat wit gekozen heeft voor de korte rokade en dat hij daarna toch voor zijn eigen koning met een pionnenopmars begint.

Een illustratief voorbeeld ontstaat in de volgende partij:

Anand – Ivanchuk,

Morelia/Linares, 2008.

1. e4 c5 2. Pf3 e6 3. d4 cxd4 4. Pxd4 Pc6 5. Pc3 Dc7 6. Le2 a6 7. 0-0 Pf6 8. Le3 Le7 9. f4 d6 10. a4 0-0 11. Kh1 Te8 12. Lf3 Tb8 13. Dd2 Ld7 14. Pb3 b6

15. g4 Lc8

De loper maakt plaats voor het paard om tot een zo harmonieus mogelijke opstelling van stukken te komen.

16. g5 Pd7

Hier zijn diverse plannen geprobeerd door wit, waaronder Lf3-g2 om veld f3 vrij te maken voor de toren om die later in te kunnen zetten op de koningsvleugel. Anand opteert voor een andere mogelijkheid, maar hij bereikt in deze partij vrij weinig.

17. Df2 Lb7 18. Lg2 Pa5!?

Een thematisch idee dat – als je het nog nooit hebt gezien – toch redelijk opmerkelijk genoemd mag worden. Zwart accepteert vrijwillig een uiterst lelijke dubbelpion op de a-lijn. Bekend was overigens 18. … g6 dat in Radjabov – Babula, Saint Vincent 2005 na 19. h4 Lf8 20. Tad1 Pc5 21. h5 La8 22. f5 Pe5 23. Ld4 Pcd7 24. hxg6 fxg6 25. fxe6 Txe6 26. Pd5 Lxd5 27. exd5 Te7 28. Lxe5 Pxe5 29. Pd4 tot gelijkspel leidde.

19. Tad1

Anand gaat niet in op de dubbelpion met 19. Pxa5 bxa5. Ivanchuk heeft goed getaxeerd dat de lijnen op de damevleugel (meer dan) genoeg compensatie oplevert.

19. … Pxb3 20. cxb3 Lc6 21. b4 b5 22. a5 Tbc8 23. f5 Pe5 24. Dg3 Lf8

En op zet 31 werd de vrede getekend.

½ – ½

Een voorbeeld van een karakteristiek eindspel waarin zwart het spel over de c-lijn combineert met een zwakte van wit op de koningsvleugel.

Vogt – Andersson,

Cienfuegos 1975.

1. e4 c5 2. Pf3 d6 3. d4 cxd4 4. Pxd4 Pf6 5. Pc3 e6 6. Le2 a6 7. f4 Dc7 8. 0-0 Le7 9. Kh1 Pc6 10. Le3 Pxd4 11. Dxd4 0-0 12. Tad1 b5 13. e5 dxe5 14. Dxe5 Db8 15. Dxb8 Txb8 16. La7 Ta8 17. Lb6 Lb7 18. a3 Tfc8 19. La5 g6! 20. h3 h5 21. Lf3 Lxf3 22. Txf3 h4 23. Td2

Een typisch eindspel voor het Siciliaans. Oppervlakkig gezien staat wit wat beter. Hij heeft de enige open lijn in zijn bezit (mede door de loper op a5 kan zwart niet opponeren) en verder bezit hij een pionnenmeerderheid op de damevleugel. Schijn bedriegt echter. Zwart heeft de half¬open c-lijn die van groter belang is dat de open d-lijn aangezien de witte torens geen entree hebben op de zesde, zevende of achtste rij. Met zijn toren op c8 oefent zwart latente druk uit op de pion op c2. Het paard op c3 staat wat onhandig opgesteld, het liefst zou wit het paard wegspelen om een opstelling met c2-c3 te kunnen innemen. Overigens verliest hij daarmee wel de invloed op het centrum omdat veld d5 dan beschikbaar komt voor het zwarte paard. Daarmee is een ander wezenlijk kenmerk in dit stellingstype naar voren gebracht: doordat zwart een pion meer in het centrum heeft, beschikt hij over een prachtig steunpunt op d5 voor zijn paard.

23. … Tc4!

Dit noemt Nimzowitsch in zijn boek Mein system "das eingeschränktes Vorrücken". Daarmee geeft hij aan dat een toren door ‘beperkt’ op te rukken op een halfopen lijn meerdere functies vervult. Niet alleen bereidt hij een verdubbeling voor, maar ook valt de toren over een rij een ander object aan, in dit geval de (potentieel) zwakke pion op f4. Die is namelijk door zwarts … h5-h4 geïsoleerd geraakt van zijn makkers op de koningsvleugel en is daarom een aanvalsdoel.

24. b3

Min of meer gedwongen, maar daarmee wordt pion c2 een achtergebleven pion die nu extra zwak is.

24. … Tc6 25. a4

Wit probeert van de nood een deugd te maken door de zwarte pionnenstructuur aan te tasten.

25. … b4

26. Pe2?!

De voorkeur verdiende 26. Pd1 zodat het paard via e3 eventueel ingezet kan worden op c4.

26. … Tac8?!

De logische voortzetting, maar volgens mij mist Andersson hier een uitgelezen mogelijkheid om een ander defect in wits stelling bloot te leggen: de loper op a5 is plotseling ingesloten en door pion b4 extra te dekken is de dreiging . … Tc5 actueel geworden. Met 26. … Tb8! kon zwart gebruik maken van deze factor. Nu is 27. c3 min of meer gedwongen maar dan wint zwart een pion met 27. … bxc3 28. Txc3 Txc3 29. Lxc3 Txb3.

27. c4

Ook nu dient wit zijn zwakte op te heffen. Er ontstaat echter onmiddellijk een nieuwe zwakte: pion b3.

27. … bxc3 28. Txc3 Pd5 29. Txc6 Txc6 30. Tb2

Wit heeft de (ijdele) hoop dat hij zijn pionnenmeerderheid mag benutten met b3-b4-b5. Als het zover zou komen zou hij zelfs beter komen te staan. Andersson reageert adequaat.

30. … Lf6!

De toren moet achter de b-pion verdreven worden.

31. Ta2

De toren moet op de tweede rij blijven. Nu faalt 31. Tb1 op 31. … Tc2 en omdat het paard pion f4 krampachtig staat te dekken is 32. Te1 noodzakelijk geworden. Met 32. … Tb2 gaat pion b3 opnieuw verloren.

31. … Tc8!

Zeer knap gespeeld. Nu pion b3 een achtergebleven pion is geworden, opent zwart de aanval via de b-lijn. En passant verhindert hij zo ook dat wit met b3-b4-b5 een mooie vrijpion creëert.

32. Ld2 Tb8 33. Pc1

Wit heeft het nog net bij elkaar weten te houden, maar de ongelukkige opstelling van zijn stukken wordt hem spoedig fataal.

33. … Pb4! 34. Lxb4 Txb4

Hier staat de toren uitstekend: de zwaktes b3 en f4 worden beide onder schot gehouden.

35. Tf2 Le7

Een logisch omspelen van de loper. Wellicht was het actievere 35. … Td4! nog sterker: 36. Kh2 (Na 36. Tf1 Td2 worden de witte stukken wel heel erg in hun bewegingsvrijheid beperkt.) 36. … e5! en nu mag 37. fxe5? niet wegens 37. … Lxe5+ 38. Kg1 Td1+ 39. Tf1 Ld4+ met winst. Daarmee zou het pleit beslecht zijn.

36. Tf3 Ld6 37. Pe2 Te4 38. Td3 Lc5 Onnodig is 38. … Lxf4 39. Pxf4 Txf4 want in dit toreneindspel behoudt wit kleine remisekansen.

39. Tc3 Lf2 40. Tc2

40… Kg7

Typisch Andersson. Nu wit geen vin meer kan verroeren, activeert hij zijn koning. 41. Pg1

De witspeler kan het niet meer aanzien en geeft een pion. Maar ook na 41. g3 hxg3 42. Kg2 Lb6 43. Kxg3 Te3+ 44. Kg2 Txb3 hoeft hij geen illusies meer te hebben.

41. … Txf4 42. Pf3 Lg3 43. Kg1 Te4 44. Kf1 Te3 45. Tb2 e5

Die pion is ineens een vrijpion geworden!

46. Tb1 e4

Wit gaf het op.

0-1

Illustratieve partijen:

  • Anand – Ivanchuk, Morelia/Linares, 2008.
  • Vogt – Andersson, Cienfuegos 1975.

Alle partijen en fragmenten via de viewer:

Belangrijkste geraadpleegde bronnen: De wereld van de schaakopening, deel 3 van Paul van der Sterren en de database van Chessbase.

Reageren? Stuur een e-mail naar .

(wordt vervolgd)

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.