Begrijp wat u doet: Het Dame-Indisch 2

Opening: Het Dame-Indisch 2

Na de zetten 1. d4 Pf6 2. c4 e6 3. Pf3 b6 ontstaat opnieuw de uitgangsstelling van het Dame-Indisch waarmee we in het eerste deel begonnen zijn. We hebben we nog een paar variantjes op de plank liggen die beginnen met: A) 4. a3. De vorige keer hebben we ons niet afgevraagd hoe het kan dat een dergelijk pionzetje gevaarlijk zou kunnen zijn voor zwart. Oud-wereldkampioen Tigran Petrosian bediende zich hiermee en later vormde Gary Kasparov het zelfs om tot een gevaarlijk aanvalssysteem.

Het idee is natuurlijk dat het paard op c3 zo belangrijk is omdat het de belangrijke centrumvelden e4 en d5 in beslag neemt, dat wit zich het tijdverlies kan permitteren. De aandachtige lezer die zich afvraagt waar C) 4. g3 blijft, moet nog even geduld hebben. Dat komt in deel 3 aan de orde.

A) 4. a3

Hoe kan een dergelijk pionzetje gevaarlijk zijn voor zwart? Dat is een legitieme vraag, want pionzetten in de opening zijn in feite geen ontwikkelingszetten. Het maakt alleen ontwikkeling van de stukken mogelijk. Toch bediende oud-wereldkampioen Tigran Petrosian zich van deze mogelijkheid en hij was er redelijk succesvol mee. Ik heb er zo’n vijftig partijen mee weten te vinden in mijn database. Toch valt het tijdverlies goed te motiveren. Wit beoogt het paard van b1 op c3 te zetten zonder dat het daar gepend kan worden. Dat paard neemt de belangrijke centrumvelden e4 en d5 in beslag en daarmee gaat wit de strijd om het centrum aan.

4…La6!?

Dit werd door Nimzowitsch al de ‘uitgegleden loper’-variant genoemd. In feite hoort de loper natuurlijk op b7 te staan, maar hij stelt wit voor het probleem om iets aan pion c4 te doen.

De vorige keer hebben we een begin gemaakt met 4…Lb7 hetgeen de normale voortzetting is. 5. Pc3 d5 Om d4-d5 tegen te gaan. [Dat ruimte-overwicht blijkt overigens niet het einde van de wereld te zijn, want hier is ook 5…g6 geprobeerd. Zwart wil de stelling in de banen van een soort Benoni loodsen. Als u meer vanaf wilt weten, speelt u een paar Tiviakov-partijen na (bijvoorbeeld Kozul-Tiviakov, 2008).] 6. cxd5 Na deze ruil staan we voor een belangrijke splitsing. Neemt zwart met de pion waarmee hij meer grip op het centrum krijgt, of met het paard, waarbij de stelling een wat meer open karakter krijgt. De vorige keer is het terugnemen met de pion al behandeld, nu is het paard aan de beurt. 6…Pxd5 (zie analysediagram)

Het terugslaan met het paard belooft een scherpe strijd! 7. Dc2 De meeste partijen gaan de laatste jaren zo verder.

[7. e3 werd in de jaren ’80 door Kasparov gehanteerd als aanvalswapen. 7…Le7 Zo gingen veel partijen verder. (Tegenwoordig weten we dat 7…g6 dé zet is. Voor zover ik weet is hij ontdekt door onze landgenoot Genna Sosonko en die wilde hem graag spelen in een ‘grote’ partij, namelijk tegen niemand minder dan Gary Kasparov! Dat was in 1982 tijdens de Olympiade in Luzern waar Sosonko het tweede bord bezette van het Nederlandse team.

Genna Sosonko (Foto Jos Sutmuller)

Kasparov rook onraad en speelde een ander systeem. Maar ook daar had Sosonko hetzelfde soort idee klaarliggen en de grote belofte van de toekomst gaf met wit al op zet 12 remise omdat hij inzag dat zijn opzet mislukt was. De uitleg is eenvoudig: wit zal weldra met e3-e4 het centrum in handen nemen en na ruil op c3 ontstaat er dan een stelling waarin wit het zogenaamde ‘kleine centrum’ (pionnen op c3/d4/ e4 tegen zwart c5/ e6) heeft. Met een loper op e7 kan het centrum nauwelijks aangevallen worden. Vandaar dat het verstandig is om de loper op g7 te ontwikkelen, waar hij als een soort Grünfeld-loper druk kan uitoefenen. Tegelijkertijd worden allerlei tactische wendingen tegen de zwarte koning uit de stelling gehaald. Die zien we nog terug verderop.) 8. Lb5+ Ditmaal een ‘stoorzet’ met de loper. 8…c6 9. Ld3 Een mooi aanvalspartijtje vanuit deze stelling is de partij Kasparov-Najdorf, 1982. 9…O-O 10. O-O c5 11. e4 Daar komt dan dat pionnencentrum naar voren. 11…Pxc3 (11…cxd4 12. Pxd5 exd5 13. e5 bleek geen succes in Jobava-Naiditsch, 2006.) 12. bxc3 cxd4 13. cxd4 Pc6 14. Lb2 (zie analysediagram)

Dit type stelling is bijzonder belangrijk voor de variant. Wit bezit het al eerder genoemde ‘kleine centrum’ (d4/e4 tegen e6). Hij dient dus op een of andere manier zijn pionnenmeerderheid te benutten. Zwart daarentegen bezit de meerderheid op de damevleugel. Die kan in bepaalde typen eindspelen een rol van betekenis worden. Vooral in eindspelen met lichte stukken, of nog beter een pionneneindspel moeten zwarts kansen hoger aangeslagen worden. In een stelling met louter zware stukken echter, waarbij wit zijn d-pion zo snel mogelijk naar voren kan spelen, zullen de witte perspectieven beter zijn. Uit deze voorkennis maken we op dat wit er dus bij gebaat is de zware stukken op het bord te houden, zwart wil die dus graag ruilen. Dat brengt ons bij de kwestie waar wit de torens in deze stelling wil ontwikkelen. Wit zal na De2 zijn torens doorgaans op d1 en e1 willen hebben. Vooral niet Tac1 omdat het zwarte plan is om na … Tac8, … Pa5 die toren te ruilen, vervolgens met … Da8 en … Tc8 ook die andere van het bord te krijgen (of anders de c-lijn in beslag te nemen. Kasparov heeft in zijn jonge jaren deze middenspeltypen uitputtend bestudeerd zodat hij in staat was om te zien dat wit in veel gevallen het pionoffer d4-d5, e6xd5 gevolg door e4-e5 kan spelen. Zijn stukken nemen dan dreigende posities in tegen de zwarte koning. Manoeuvres als Pf3-d4-f5 gevolgd door De2-g4 en eventueel een toren naar de derde leveren een zware koningsaanval op. Is zwart dan helemaal kansloos? Nee, bepaald niet. Zwart moet zich te weer stellen tegen de mogelijke stormlopen op zijn koningsstelling en voor hem lonkt een mooi eindspel. Zijn spel ligt op de c-lijn waar hij met de manoeuvres … Tac8, … Pc6-a5 op veld c4 kan spelen. Daarmee kan hij ook pion a3 bestoken en ondertussen proberen de witte aanval te ontregelen. Daartoe heeft hij ook de manoeuvre Dd8-c7-f4 tot zijn beschikking die het voor wit soms lastig maakt om zijn stukken vrij op de koningsvleugel te kunnen posteren. Als wit de geijkte zet Dd1-e2 speelt, antwoordt zwart vaak met … Tfe8 om de dame te attaqueren als de e-lijn onverhoopt open gaat, maar ook om met … Le7-f8 zijn koning te kunnen beschermen.]

[7. Ld2 Een belangrijke zet die in het moderne schaak veel interessant spel laat zien, maar die we hier buiten beschouwing laten.]

7…Pxc3 Lijkt een beetje voorbarig, maar het komt meestal neer op een zetverwisseling.

[Het directe 7…c5 wordt ook gespeeld. 8. e4 Pxc3 9. bxc3 Pd7 10. Ld3 Dc7 11. Db1 Dit is in het huidige topschaak een van de manieren om spel te behouden, het idee is echter al heel oud. Een modelpartij hiermee is Hort-Miles, 1982. (Ook 11. Dd2 werd ooit gespeeld. Dit is het duidelijk niet voor wit. Zwart antwoordde sterk met 11…g6 12. O-O Lg7 en er werd in Kasparov-Sosonko, Olympiade Luzern 1982 remise gegeven.)] 8. bxc3 Le7 [Ook mogelijk is om de zetten in een andere volgorde te spelen, waardoor wit snel voor een belangrijke en zwaarwegende beslissing komt te staan. 8…c5 9. e4 Pc6 (zie analysediagram)

En dit zet de witspeler voor het blok. Voor een aanvalsstelling wil hij graag zijn loper op b2 hebben. Maar die wordt pas goed als zwart op d4 ruilt. Dat hoeft dan niet meer. Speelt wit Le3, is er een belangrijke angel uit de witte aanvalsopzet gehaald, waarna zwart wat eerder geneigd zal zijn om op d4 te ruilen. Feit is dat beide loperzetten gespeeld zijn door sterke witspelers. Het laatste woord is hier nog niet over gezegd! 10. Lb2 In Kasparov-Murej, 1982 ging wit als een mes door de boter.] 9. e4 O-O 10. Ld3 c5 11. O-O Wit lijkt zonder slag of stoot aan zijn ideale opstelling te kunnen werken. Maar zwart heeft een aardig verdedigingsplan paraat. 11…Dc8!? Door de penning over de c-lijn ‘dreigt’ zwart nu op d4 te ruilen, waarna de dames van het bord gaan, hetgeen voordelig is voor zwart (zoals we al eerder geconstateerd hebben). 12. De2 La6 Maar nu wordt wits belangrijkste aanvalsloper geruild. 13. Td1 Lxd3 14. Txd3 Pd7 (zie analysediagram)

levert een stelling op waarvan het er op het eerste gezicht naar uitziet dat zwart bijna gelijkspel heeft. Maar dat blijkt in de praktijk tegen te vallen. Hij beschikt ook hier over aanvalskansen tegen de zwarte koning en daartoe mag hij zelfs zijn pionnen op de voor hem ongunstige kleur d4/e5 neerzetten. Hiermee wordt vooral het zwarte paard in zijn bewegingsvrijheid beperkt en tegelijkertijd zal een mogelijk afgedwongen … f7-f5 tot grote verzwakkingen leiden. Een andere optie is dat wit de laatste twee lichte stukken ruilt waarna hij een voordelig zware stukkeneindspel overhoudt, waarin zijn d-pion een belangrijke troefkaart is. Niettemin ontspint nu een spannende strijd waarbij beide partijen kansen hebben. In Radjabov-Anand, 2003 hield zwart het desondanks binnen de perken.

5. Dc2

Dit wordt beschouwd als de belangrijkste voortzetting omdat zwart na andere zetten geen probleem meer heeft.

Na 5. e3 d5 worden de witveldige lopers geruild of wit moet teveel tijd verliezen en dit le-vert zwart op comfortabele wijze gelijkspel op.

Ook 5. Pbd2 is gespeeld, maar dat kan niet de bedoeling van wit zijn. Het paard hoorde immers op c3 te staan. Desondanks is dit niet van gevaar ontbloot, zoals in diverse partijen is gebleken.

5…Lb7

En dan keert de loper terug naar de juiste diagonaal! Hoe valt dit tempoverlies te rechtvaardigen? Het antwoord laat zich snel raden. Zwart wil graag zijn c-pion voor de witte d-pion ruilen om de stel-ling zo in de banen van een ‘Drierijensysteem’ te krijgen. Eigenlijk een soort Siciliaanse stelling met een pion op c4 voor wit. Maar wit ondervindt twee nadelen ten opzichte van ‘normale’ Maroczy-stellingen. Zijn dame staat niet goed op de c-lijn omdat er snel een toren naar c8 gespeeld gaat worden. En ook a3 is nu eerder nadelig om wit ooit een opstelling met b2-b3 wil innemen. Hij houdt dan het liefst een pion op a2.

6. Pc3 Ook 6. Pbd2 is ooit gespeeld, maar zoals al eerder gezegd hoort het paard in principe op c3 te staan.

6…c5

Consequent. We zien waarom het zo belangrijk is dat de witte dame ‘weggelokt’ is van veld d1. Hij kan nu geen d4-d5 spelen waarna de loper op b7 ‘voor aap’ zou staan. Alleen Manuel Bosboom dacht er ooit anders over. Die probeerde er met een krankzinnig dame-offer iets van te maken. Dat ging zo:

7. e4

De principiële zet.

7. d5 exd5 8. cxd5 Pxd5 9. De4+ De7 10. Dxd5?! Lxd5 11. Pxd5 Dd8 en van deze stelling be-weerde hij doodleuk dat wit voldoende compensatie zou hebben… Ik heb daar op Schaaksite een aardig artikel over geschreven.

7. e3 is weinig bijzonders.

7. dxc5 is ook ooit geprobeerd, maar het belooft evenmin weinig voor wit.

7…cxd4 8. Pxd4

8…Lc5

Deze mogelijkheid wordt door veel topspelers gezien als de juiste bestrijdingswijze van de witte opbouw. Zwart levert een loper in om veld d4 te veroveren voor zijn paard.

Heel interessant is de opzet met 8…Pc6!? 9. Pxc6 Lxc6 Deze stelling verdient een nadere toelichting. Ik kreeg dit niets vermoedend op het bord tegen de Engelse topspeler Tony Miles, Biel 1985. De Brit won hiermee de schoonheidsprijs van deze ronde. De prijs hield in dat we gezamenlijk op kosten van de organisatie op een speciaal tafeltje een diner mochten nuttigen. Dat werd uiteindelijk een bijzonder geanimeerde avond! Deze zet beoogt om het zwarte plan te doorkruisen om snel een dame op de diagonaal b8-h2 te plaatsen. 10. Lf4 Tenminste dat zou je denken, maar…

[Ik antwoordde met 10. Le2 om … Pg4 uit de stelling te halen en dan staat wit wel klaar voor e4-e5. Miles antwoordde toen met het gepointeerde 10…Db8 (Een paar jaar later heb ik geprobeerd een kleine verfijning aan te brengen van het zwarte spel. In sommige varianten wil zwart snel 0-0-0 kunnen spelen en dan moet de dame op b8 een zet doen. Dat is niet nodig na deze: 10…Dc7 In de voetsporen Tony Miles. 11. O-O Lc5 Ik kreeg het op bord tegen de sterke Hongaarse meester Istvan Farago in Sas van Gent 1988. Die kwam tot dezelfde conclusie als ik tijdens mijn partij tegen Miles. 12. Kh1 h5 13. f3 De enige manier voor wit om zich te weer te stelling tegen de dreiging … Pg4. 13…h4 Nog altijd analoog aan bovengenoemde partij. 14. b4 Dit maakt het er niet beter op. 14…Ld4 15. Ld2? {15. Td1 was de enige zet.} 15…Ph5 Dreigt pardoes mat in twee te beginnen met … Pg3+. 16. Le1 Df4!? {16…De5! 17. Tc1 Df4 was nog iets nauwkeuriger.} 17. Dc1 Ja, hij wil graag dames ruilen. 17…Le3 {17…De5!} 18. Dd1 Pg3+ 19. Lxg3 hxg3 20. h3 Zwart staat geweldig, maar hoe komt hij verder? 20…Th4!! Er dreigt vernietigend … Dh6 en dan … Txh3. {Ik zat uiteraard te rekenen op 20…Txh3+ maar ik vond een verdediging met 21. gxh3 g2+ 22. Kxg2 Dg5+ 23. Kh1 Dg3 en uit zou je zeggen, maar… 24. Tf2 Lxf2 25. Df1 en hoewel het ook niet overhoudt, schaakt wit hier nog verder.} 21. Te1 om na … Dh6 de verdediging Lf1 mogelijk te maken. Maar nu mist hij de defensie uit de vorige variant, dus… 21…Txh3+! 22. gxh3 g2+ 23. Kxg2 Dg5+ 24. Kh1 Dg3 en hier wierp hij de handdoek in de ring. Mede door deze partij haalde ik de internationale meestertitel binnen.)

11. f4 is gespeeld door sterke spelers. In Tkachiev-Goldin, 1997 ging wit als een mes door de boter. Maar in Arnold-Gareev, 2013 deed de zwartspeler hetzelfde…

(11. O-O Lc5 En ineens schrok ik mij een hoedje. Want nu zag ik plotseling wat hij van plan was. Om te beginnen dreigt er bijvoorbeeld … De5 of … Ld4 waarna pion e4 verloren dreigt te gaan. Wit heeft geen f2-f3 bij de hand. 12. Kh1 h5 Daar is de hele opzet op gebaseerd. Zwart gaat met … Pg4 werken en hoopt dan de h-lijn open te krijgen. 13. f3 h4 Plotseling dreigt hij … Pf6-h5-g3 en mat. Maar ik rechtte de rug en vond 14. f4 h3 15. Lf3 En nu speelde hij het ietwat laconieke 15…a5 waarna ik met {Later vonden we dat 15…hxg2+ misschien ietsje handiger was hoewel wit na 16. Dxg2 g6 de directe dreigingen succesvol heeft bezworen. Zwart moet hier met … Db7 en 0-0-0 proberen gebruik te maken van de open h-lijn. Vandaar dat ik later een verfijning vond van het zwarte spel.} 16. g3 antwoordde en de zaak weer onder controle had. Dat ik later in de partij werd geslachtofferd door een diepe onderste rij truc (mede door pion h3!) was geen schande.)

Nu leek mij 10. e5 niet zo goed vanwege 10…Pg4 hoewel later bleek dat 11. De2 wel degelijk een adequaat antwoord is. 11…Dh4 12. h3 Ph6 13. g3 Dd8 14. Pe4 kwam voor in een partij Piket-Wells, 1999, die door wit werd gewonnen. Wit heeft overigens geen voordeel na 14…Pf5]

10…Ph5 Onder het motto ‘Chase the bishop!’ [10…Lc5 blijkt ook populair bij zwartspelers.] 11. Le3 Db8 Opnieuw die zet van Miles. [Een heel beroemde blunder is wat ex-wereldkampioen Karpov in zijn partij tegen de Amerikaanse topspeler Christiansen in Wijk aan Zee 1993 presteerde: 11…Ld6?? 12. Dd1 Met een dubbele aanval dame, direct opgegeven.] 12. O-O-O Dit laat het paard vrijwillig toe op f4.

[Principiëler is 12. g3 hoewel dat na 12…f5 tot redelijk spel voor zwart leidde in de partij Lutz-Karpov, 1993. (12…Lc5 13. Lxc5 bxc5 14. Lg2 (zie analysediagram)

Hier speelde ik een oefenrapidpartij tegen Van Wely (die het blindschaak wilde oefenen) het mysterieuze 14…g6!? Blijkbaar was het voor speler die het bord niet ziet, moeilijk te voorspellen wat de bedoeling van deze zet was. Toch was het strategische idee niet zo moeilijk. Het paard wil via g7, … e6-e5, e6 naar het prachtige veld d4. Wit moet op dit moment maatregelen nemen om dat plan te verhinderen. Maar hij ging iets te timide verder. 15. O-O-O e5! 16. Thf1 Pg7 17. f4 Pe6 en daar kwam het paard op d4 binnen waarna zwart groot tot beslissend voordeel kreeg. Overigens sloeg Van Wely mij door de vlag mede veroorzaakt omdat ik zowel de witte als de zwarte zetten moest spelen en ondertussen de klok moest bedienen :).)] 12…Lc5 [12…Ld6 13. g3 Le5 en in Kramnik-Lutz, 1993 werd het later remise.]

Het artikel hierover luidt: Sparren in het blindschaak .

9. Pb3 Pc6 10. Lg5 Veel witspelers zijn erachter gekomen dat de ruil op c5 niet zoveel belooft. 10. Pxc5 bxc5 11. Ld3 d6 12. O-O O-O 13. f4 In een partij Bacrot-Adams, 2001, kwam zwart goed te staan en hij won zelfs ook.

10…h6 11. Lh4 Pd4

Dit is precies waar het om draait: zwart heeft de beschikking over veld d4 en dan heeft wit niet zo-veel voordeel meer.

12. Pxd4 Lxd4 13. Ld3

Opnieuw de voor dit type stellingen karakteristieke damezet.

13…Db8!?

gespeeld door een van de grootste specialisten van de zwarte opening: de Brit Michael Adams. Zijn overwinning op Khenkin in 2002 is een fraai voorbeeld van hoe de zwarte stelling gespeeld kan worden.

Belangrijkste illustratieve partijen:

  • Kozul-Tiviakov, 2008.
  • Kasparov-Najdorf, 1982.
  • Hort-Miles, 1982.
  • Kasparov-Sosonko, Luzern 1982.
  • Kasparov-Murej, 1982.
  • Radjabov-Anand, 2003.
  • Bacrot-Adams, 2001.
  • Khenkin-Adams, 2002.

Geraadpleegde bronnen:

– ‘De wereld van de schaakopening’ deel 1 van Paul van der Sterren

– Megadatabase van Chessbase

Reageren? Stuur een e-mail naar .

De illustratieve partijen via de viewer:

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.