Schaakhistorie

SV Paul Keres bestaat 50 jaar!

Paul Keres bestaat dit seizoen 50 jaar! Om precies te zijn: in 1968 is Utstud opgericht, om in 1976 van naam te wijzigen in SV Paul Keres.

Wij nodigen graag alle oud-leden van SV Paul Keres uit om dit jubileum samen te vieren. De historie van de club is samengebracht in een boek, dat uiteraard door iedereen kan worden besteld.

Jubileum

Het programma In De Noteboom,

Lees meer >

Schaakhistorie (12) : prof.dr. M. Euwe: “Kunnen computers denken?” (1964)

AlphaZero is een zelflerend computerprogramma. Zelf leren, dan moet de computer kunnen denken. Kan een computer dat? Over die vraag sprak dr. Max Euwe in 1964 een rede uit bij de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar in de methodologie van de automatische informatieverwerking aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg.
Allereerst vraagt Euwe zich af wat we onder denken verstaan.
“Als eenvoudigste vorm van denken zou ik willen beschouwen de reproduktie, het putten uit het geheugen. ‘Wat is het Franse woord voor medelijden?’, vragen wij aan een leerling. Hij weet het niet. ‘Denk eens na.’ Wij gebruiken dus wel degelijk het woord denken.” Voor de computer is deze vorm van denken een eenvoudige zaak, constateert Euwe.
“Een andere manier van denken is het redeneren volgens vaste voorschriften waardoor, uitgaande van bepaalde grondwaarheden telkens nieuwe waarheden worden verkregen. Dit is wat bijvoorbeeld in de meetkunde en in de logica gebeurt.” Ook dit, meent Euwe, kan door een computer worden uitgevoerd.
“Als een nog hogere vorm van het denken wordt het creatieve denken beschouwd.” Het zal niemand verbazen dat Euwe de computer hier niet toe in staat acht.

Interessanter wordt het als hij ingaat op het begrip ‘leren’. “De computer kan leren op grond van zijn ervaringen en dit betekent, dat hij bij het nemen van een beslissing rekening kan houden met de uitkomsten van vroeger onder soortgelijke omstandigheden genomen beslissingen.”

Lees meer >

Herinneringen aan kapper De Brie

Je hoeft geen grootmeester te zijn om een legendarische schaker te zijn. Misschien heeft iedere stad of dorp wel zijn schaaklegendes. In Utrecht behoort kapper De Brie daartoe. In zijn kapperszaak vonden tijdens het knippen de meest wonderlijke schaaktaferelen plaats. Daarnaast was hij ook een sterke schaker, in een simultaanseance won hij eens van Euwe. Een mooi verhaal van Robert Beekman en Bert Kieboom, met historische foto’s en partijfragmenten, op de website van Oud Zuylen Utrecht.

 

Kapper de Brie (11 september 1879 – 31 maart 1961). Bij leven al een legende. Iedereen kent hem. Eén van de meest geliefde leden van Schaakclub Utrecht. Ook erelid van de Nederlandse Kappersbond in 1947. Hij is in die wereld administrateur van de kappersvakschool geweest, penningmeester van de afdeling Utrecht en leider van de kappersziekenkas.

Zo rond 1900 richt hij samen met een aantal vrienden de schaakclub Schaakmat op. In 1920 gaat diezelfde schaakclub failliet. Hij kan amper begrijpen waarom. De reden is namelijk dat er in de zaal naast het clublokaal niet meer gebiljart kan worden (!)

In 1916 is hij al lid van Schaakclub Utrecht geworden waar Olland dolblij met hem is.

Lees meer >

Wie zijn deze Haarlemse Heren?

Een verrassende vondst deed Casper Woudenberg bij Schaak- en Gowinkel Het Paard, aan de Haarlemmerdijk in Amsterdam. Casper schaakt bij HSG (Hilversum) en werkt op zaterdag bij Het Paard. Groot was dan ook zijn vreugde toen hij deze foto zag, van een HSG-team dat in het seizoen 1951-52 naar de hoofdklasse promoveerde.

De foto kwam terecht bij Wim van der Wijk en mij, omdat wij in 2012 een boek schreven over de 125-jarige geschiedenis van HSG. Wij waren verbaasd. Weliswaar hebben wij weinig oude foto’s, maar er staat werkelijk niemand op van wie wij een vermoeden hebben wie het is. De broers Van Oosterom leken ons jonger dan de jongelui rechtsboven en we vonden dat die er ook helemaal niet op leken. En wij misten graaf Van den Bosch, die op een foto uit die tijd zeker niet zou ontbreken. Trouwens, HSG drong toch pas rond 1960 door tot de hoofdklasse?

Lees meer >

Schaakhistorie (11) : Polgar-manie in Nederland (1989-1992)

 

Quality Chess, 2012

Judit Polgar zal vast nog door vele schaakliefhebbers gezien worden als een jongedame. Ze is echter 42, in de huidige top tien van de wereld zou ze na Anand en Kramnik de oudste zijn. Het is ook al dertig jaar geleden dat ze de wereldtop binnenkwam. Nederland speelde daarbij een belangrijke rol.
Natuurlijk, ook zonder Nederland zouden de Polgar-zussen zijn ‘ontdekt’ en zou Judit een wereldtopper zijn geworden. Maar het is aardig om de rol te zien van een groep jonge Eindhovenaren. In april 1985 beschreef Leon Pliester dit in het bondsblad.
Een jaar eerder waren Johan van Mil, Herman Grooten en Rudy Douven in Boedapest geweest en hadden kennisgemaakt met de familie. Terwijl ze met elkaar ravotten en voortdurend onder de tafel doken (Judit was zeven jaar) wonnen de meisjes moeiteloos van de Nederlandse meesters. Een halfjaar later ging Pliester zelf naar Boedapest, samen met Filip Goldstern en met Van Mil, die hem bij de familie introduceerde. Pliester hield contact en bracht de familie een paar jaar later in contact met Joop van Oosterom. Die bood de zussen maar liefst honderdduizend dollar per jaar aan voor trainingsdoeleinden. Pliester: “Van Oosterom zei: als jullie iets willen hebben, kom maar naar mij en ik regel het.” Een kleine tegenprestatie was, dat de meisjes een paar keer voor HSG zouden spelen, de Hilversumse club die door Van Oosterom werd gesponsord.

Voorpagina’s
Het eerste optreden van Judit Polgar in Nederland was bij het OHRA-toernooi in 1989 in Amsterdam. In de open groep (er was ook een kroongroep met zes spelers) won ze als dertienjarig meisje in de eerste ronde van Hans Ree. De media rukten massaal uit. De Volkskrant zette haar om die overwinning op de voorpagina en na de achtste ronde nogmaals, nadat ze een grootmeesternorm had gehaald. Het NOS-journaal was aanwezig toen ze in de laatste ronde de toernooizege miste. Samen met Gelfand werd ze derde, achter Azmaiparasjvili en Psakhis.
Judit schrijft erover in haar boek ‘How I beat Fischer’s record’ (2012), deel 1 van haar trilogie ‘Judit Polgar Teaches Chess’. Na een aantal goede resultaten was ze aanvankelijk uitgenodigd voor de kroongroep, maar haar vader oordeelde wijselijk dat dat te hoog gegrepen was. Inderdaad, de groep bestond, in volgorde van eindstand, uit Beljavski, Kortchnoi, Speelman, Gulko, Piket en Van der Wiel. Dat zou te gek zijn, meende vader, die zijn oudste dochter Zsuzsa (nu Susan) ook al eens door het ijs had zien zakken.

Lees meer >

Lodewijk Prins: tot op het bot principieel

Een tijdje geleden vertelde ik de jonge IM Robby Kevlishvili dat ik van plan was een artikel te schrijven over Lodewijk Prins. Ik vrees dat zijn reactie kenmerkend is voor zijn generatie: “Lodewijk Prins? Nooit van gehoord ….”

Tja, wie kent Lodewijk Prins nog? Zij die zich hem herinneren, en dat zullen vooral de ouderen onder ons zijn, denken dan meteen aan zijn totaal uit de hand gelopen vete met Donner, maar Prins is het waard om om geheel andere redenen te worden herinnerd. Behalve een sterk schaker was hij ook schrijver van zo’n 20 schaakboeken, scheidsrechter, en een voortreffelijk organisator. Het is beslist niet overdreven te stellen dat hij grote verdiensten heeft gehad voor het Nederlandse schaakleven. Prins werd op 27 januari 1913 geboren als Salomon Prins. Hij was van Joodse afkomst, maar daar wilde hij zelf niets van weten, en in 1931 deed hij officieel afstand van zijn Joodse achtergrond. Verder klonk de naam Salomon hem veel te Joods in de oren, en vanaf 1936 ging hij onder de zelfgekozen naam Lodewijk door het leven. Reeds op zeer jonge leeftijd (zelf sprak hij van 44 maanden) leerde hij schaken. Aanvankelijk was hij lid van de statige herenclub VAS, maar in 1931 stapte hij over naar het niet minder deftige ASC. Op 6 november 1933 kwam toenmalig wereldkampioen Aljechin een simultaan geven bij ASC, en Prins was één van de deelnemers. Het begin van deze partij ging als volgt (Prins zwart): 1. d4 b5; 2. a4 b4; 3. e4 Lb7; 4. Ld3 f5; 5. exf5 Lxg2; 6. Dh5+ g6; 7. fxg6 Lg7; 8. gxh7+ Kf8; 9. hxg8D+ Kxg8; 10. Dg4 Lxh1. Prins won de partij in 47 zetten!

Prins had eigenzinnige ideeën over de openingstheorie. Gebaande paden verliet hij zo snel hij kon, en wat hij speelde oogde vaak merkwaardig. Wat te denken van openingen als 1. e4 c5; 2. Pf3 Da5 en 1. d4 Pc6; 2. d5 Pe5, 3. e4 Pg6? Minder extreem lijkt zijn idee 1. e4 c5; 2. Pf3 d6; 3. d4 cxd4; 4. Pxd4 Pf6; 5. f3 in het Siciliaans, en de naar hem genoemde variant in het Grünfeld-Indisch (1. d4 Pf6; 2. c4 g6; 3. Pc3 d5; 4. Pf3 Lg7; 5. Db3 dxc4; 6. Dxc4 0-0; 7. e4 Pa6) was eind jaren 80 zelfs een tijdje populair omdat wereldkampioen Kasparov het opnam in zijn repertoire.

In de jaren 30 begon Prins zich te ontpoppen als een geduchte tegenstander. Hij deed voor het eerst van zich spreken door tijdens de bondswedstrijden van 1931 de schoonheidsprijs te winnen. Hij toonde zich zeer reislustig en speelde regelmatig toernooien in Engeland (Birmingham, Margate, Hastings). Ook gaf hij bij de schaakvereniging Ons Huis gratis schaakles aan werklozen, wat zijn sociale karakter tekende. In 1936 deed hij voor de eerste keer mee aan het Nederlands Kampioenschap, dat dat jaar in Rotterdam werd georganiseerd. Hij eindigde op een met Van Scheltinga gedeelde derde plaats, achter Landau en Van Doesburgh. Een jaar later maakte hij voor het eerst deel uit van het Nederlandse Olympiadeteam, dat in Stockholm een fraaie zesde plaats behaalde. Prins zou in totaal 12 keer voor ‘Oranje’ uitkomen, en zijn score van 97½ uit 166 mag worden gezien.

Lees meer >

Remises in WK-matches

Acht remises in een WK-match, hoe bijzonder is dat? Is dat vaker voorgekomen? Nou, in de negentiende eeuw in elk geval niet. In de twintigste eeuw wel.

Negentiende-eeuws schaak staat bekend als romantisch. In de eerste WK-match, Steinitz-Zukertort 1886, stond het na vijf partijen 4-1 voor Zukertort. Zonder remises! Steinitz won de volgende twee partijen en hij won de match met maar liefst 12,5-7,5 met vijf remises.

Steinitz-Chigorin 1889 was bizar. Na zestien partijen stond het 10-6 voor Steinitz zonder remises! Daarna viel de eerste remise, maar omdat de match over twintig partijen zou gaan is het aannemelijk dat dat de reden was van de remise. De match was daarmee afgelopen.

Ik sla er een paar over en ga naar Lasker-Mashall 1907. In die match werd een record gevestigd. Vanaf de vierde partij eindigden er vier partijen op rij in remise. Dat was nog nooit voorgekomen! Remises telden overigens niet mee, het ging om degene die het eerste acht partijen won.

Lees meer >

Schaakhistorie (10) : VAS en de Europacup van 1956

Het Europacup-toernooi voor clubteams wordt sinds 1992 jaarlijks gespeeld. Van 1982 tot 1992 werd het om de twee jaar gespeeld. Daarvoor werd de derde editie gespeeld in 1979, de tweede in 1976 en de eerste… in 1956. Hier kunt u er in de linker kolom op klikken, daar staan ze allemaal op een rijtje, waarbij die eerste opvallend genoeg geen rangnummer krijgt. Schaakhistorici zien het niet als een officiële Europacup, is te lezen als je op dat toernooi doorklikt. Maar zo heette het wel, ook in ons bondsblad. De Nederlandse kampioen VAS (Amsterdam) nam eraan deel. Wel met een B-team. Wim Vijvers is misschien wel het enige teamlid dat nog in leven is. Hij schaakt tegenwoordig bij BSG (Bussum) en heeft er nog levendige herinneringen aan.

De datum van het toernooi werd kort van tevoren verzet en Vijvers vermoedt dat dat de reden was dat VAS niet met zijn sterrenteam kon aantreden. Tot dat kampioensteam behoorden Van Scheltinga, Cortlever, Roessel en Barendregt. De enige speler van het eerste team die meeging naar Belgrado was Crabbendam, hij werd vergezeld door Franx, Luza, Stork en Vijvers.
Vijvers, destijds negentien jaar: “In die tijd was Belgrado een exotische bestemming. We vertrokken maandag met de trein en kwamen zonder onderweg ergens uit te stappen na 36 uur aan. De volgende dag moesten we spelen.”

Lees meer >

Speel je eigen WK Match! (in Maastricht)

Beleef het WK op unieke wijze!
Schaakmatches zijn gevechten van man tegen man en maken een belangrijk deel uit van de schaakgeschiedenis. Toch speelt een doorsnee clubschaker zelden tot nooit een match. Grijp deze kans om deze unieke discipline van het schaakspel te beleven! Aanmelden gaat via Aanmelden. Hoe zou het zijn om zelf een match te spelen?
Lees meer >

Schaakhistorie (9) : De vroege jaren van Schaakbulletin (1968 en verder)

Het tijdschrift Schaakbulletin (1968-1984) staat bekend als een blad waarin tegen de gevestigde orde werd geschopt door schakers met grote literaire capaciteiten. Met enige, gepaste overdrijving mag je het blad wel zo noemen, maar zo is het zeker niet begonnen. Eigenlijk begon het vrij braaf.

SB nummer 1. Zoek de fout.

Wim Andriessen was in 1968 een sterke hoofdklasser, die zich in 1971 zelfs plaatste voor het Nederlands kampioenschap. Hij werkte aan de Landbouwhogeschool (tegenwoordig universiteit) van Wageningen. Daar was hij technisch tekenaar en maakte hij onder andere bodemkundige kaarten. Andriessen was geboren in 1938 en dus iets ouder dan de schakende studenten voor wie zijn huis een zoete inval was. Onder hen Frits Hoorweg, die hier een uitgebreid en soms hilarisch verhaal schrijft over de oprichting van het blad. Een bijzonder detail is dat Andriessen uit kranten, tijdschriften en zelfs boeken partijen knipte en in multomappen ordende. Je kunt zeggen dat hij zijn tijd ver vooruit was, want zo’n twintig jaar later, toen de computermogelijkheden er waren, ontwierp hij de databank NicBase. Toch was hij niet echt vooruitstrevend, want in Nederland kenden we al de Losbladige Schaakberichten, waarin openingstheorie periodiek werd aangevuld.
Het oprichten van Schaakbulletin in 1968 was geen reactie op het bondsblad Schakend Nederland, maar op het mislukken van het blad Schaakrevue. Hoorweg wist niet precies waar en door wie het werd gemaakt, maar voor hem droeg het “duidelijk de kenmerken van de hoofdstedelijke schaakincrowd”. Het blad dat tweewekelijks verscheen viel vooral op door de chique uitstraling. Na een halfjaar ging het ter ziele.
Je zou denken dat er dus geen markt was voor een zelfstandig schaaktijdschrift, maar Andriessen meende dat vooral de dure productie een probleem was. Met zijn vakkennis wist hij een veel goedkopere mogelijkheid, namelijk via de vrij nieuwe offsettechniek.

Andriessen en Hoorweg gingen op bezoek bij het IBM-toernooi van 1968. Hoorweg: “Daar zouden we vast iedereen die ertoe deed kunnen spreken en zo bleek het inderdaad te gaan. Hans Ree was wel bereid af en toe een stukje te schrijven tegen de vergoeding (80 gulden) die we hem in het vooruitzicht stelden. Voor de helft van dat bedrag wilde Van Scheltinga zijn naam wel lenen aan de openingenrubriek, die feitelijk door Wim zou worden geredigeerd.”

Lees meer >