In de schijnwerpers: Willy Hendriks

Willy is bij het grote schaakpubliek natuurlijk vooral bekend vanwege zijn boeken. Met zijn prikkelende stijl weet hij de tongen los te maken. Maar voordat we uitgebreid over zijn boeken gaan praten leest u eerst iets over hemzelf.

Hij is pas op zijn twaalfde met schaken begonnen. Dat deed hij samen met een vriend. Maar dat liep al snel uit de hand. Ze waren verslingerd aan het spel geraakt. Al spoedig werden ze lid van een klein clubje in Uden. Ze zijn er dus vrij snel ingerold. Binnen een jaar was hij al een super fanatieke speler en ging naar de club en als het kon speelde hij in toernooien.

Het leverde hem uiteindelijk de titel Internationaal Meester op. Waarbij we moeten opmerken dat hij ook twee GM-resultaten scoorde. Zelf rekent hij zijn overwinning in de halve finales van het NK met een score 7½ uit 9 tot zijn beste resultaten, naast die beide GM-normen.

Daarbij plaatst Willy meteen een kanttekening. Het is heel erg jammer dat die voorwedstrijden er niet meer zijn. Je kunt je eigenlijk niet meer op een fatsoenlijke manier voor het NK plaatsen. Het is tegenwoordig een heel klein toernooi.

Die hele structuur er naar toe is weg. Dat zouden ze moeten herstellen. Een groot bijkomend nadeel is dat ook de regionale kampioenschappen aan belang hebben verloren. Ze hebben als het ware de hele piramide uitgeschakeld.

Als ik over zijn beste schaakpartij begin, ontstaat er enige twijfel. Het is lastig kiezen. Er zijn meerdere partijen waar hij blij over is, maar die zijn al eens eerder gepubliceerd. Maar over zijn partij tegen Mihalczak is hij best tevreden. Dus die mogen we opnemen.

Als ik over zijn schaakstijl begin, komt zijn boek ter sprake. Willy schreef hierover in zijn laatste boek.

Stijl? Bestaat dat eigenlijk wel? Wat je stijl natuurlijk heel erg bepaalt, zijn de openingen die je speelt. Ik zou mezelf redelijk allround willen noemen. Maar misschien zijn er een hoop mensen die mijn stijl vooral als tactisch kwalificeren en positioneel wat minder.

Wat vind je het beste schaakboek dat je ooit hebt gelezen?

Een tijdje geleden heb ik bij New In Chess Magazine twee boeken genoemd. Kmoch ‘Die Kunst der Bauernführung’ en Kotov’s ‘Think Like a Grandmaster’. Dat zijn boeken waar ik het eigenlijk helemaal niet mee eens ben (lacht), maar destijds vond ik het toch heel indrukwekkende boeken en nu nog steeds hoor. Laat ik het zo zeggen: dat zijn de boeken die het meeste indruk op me hebben gemaakt toen ik ze had gelezen. Dat boek van Kotov was indertijd wel heel erg uniek omdat niemand over dat onderwerp schreef.

Je schreef ‘Move First, Think Later’, wat is volgens jou de kern van dit boek?

Het boek gaat over hoe schakers zichzelf kunnen verbeteren. Dat zegt de ondertitel ‘Sense and Nonsense in Improving Your Chess’. Ik probeer een aantal standaardvisies over hoe we beter leren schaken onderuit te halen en er een iets andere visie tegenover te stellen.

Een bestaande en algemeen aanvaarde visie is dat je eerst heel goed naar een stelling moet kijken en de kenmerken bestuderen. Vervolgens zou je dan op basis daarvan een plan moeten maken. Dan komt er uiteindelijk op zetniveau een oplossing uit rollen. Op die manier zijn veel boeken geschreven, onder andere door natuurlijk onze eigen Max Euwe met oordeel en plan. Kotov heeft dat ook.

Het is een belangrijk standaardidee dat ik juist probeer om te keren. Het hele idee dat het een soort deductief proces is, daar zet ik tegenover dat het eigenlijk veel meer een andere volgorde is. Dat je een stelling niet logisch ontleedt, maar dat je naar een stelling kijkt en dat je allerlei stukjes herkent op basis van je bestaande kennis. Die brengen je razendsnel op allerlei zetten en ideeën. Daarmee ga je in een soort trial-and-errorproces aan de slag.

Op die manier dring je hopelijk heel snel door tot de kern van de stelling. De titel van mijn boek wijst al op die omkering. Natuurlijk is die titel grappig bedoeld. Ik heb dat heel vaak moeten uitleggen. Maar die ondertitel is een soort commentaar op die titel en stelt de vraag:

“Hoe serieus is die titel?” (begint te glimlachen)

De gedachte is natuurlijk om het bestaande dogma aan te pakken. Niet de stellingsanalyse, maar de zetten staan vooraan. Je doet dat op basis van je bestaande kennis en pas aan het einde van het proces, krijg je een beter idee van hoe het er in die stelling aan toe gaat. Alles wat je ziet relateer je aan de kennis die je hebt.

Ik keer me daarmee onder andere tegen mensen als Jeremy Silman. Silman beweert zeer stellig dat je in eerste instantie nooit mag nadenken over zetten, maar dat je, zoals hij dat noemt, eerst alle ‘imbalances’ in kaart moet brengen. Pas daarna zou je aan zetten mogen denken. Je kunt de kern van mijn boek dus in één zin samenvatten:

Ik zet er de bestaande schaakdidactiek mee op zijn kop.

Voor schaken geldt vooral ‘al doende leert men’. Je gaat met stellingen aan de slag en je leert steeds een beetje meer. Dat begrip zit niet aan het begin van het proces, maar komt pas later, door vooral veel te doen. Je kunt iemand niet iets van te voren laten begrijpen, zoals bijvoorbeeld een opening.

Een veel gemaakte fout is ook dat men een stelling die men al bestudeerd heeft, gaat uitleggen. Maar daarbij vergeten ze dat er een enorme kloof is tussen het begrip achteraf en het moment dat je voor het eerst naar een stelling kijkt.

Hoe heeft men er in de schaakwereld op gereageerd?

Heel positief want het boek werd gekozen tot schaakboek van het jaar. Dat is natuurlijk een enorme eer. Maar wel heel dubbel, want er zijn mensen die het heel erg met me eens zijn en er zijn anderen die de positie die ik inneem onder vuur nemen. Er zijn uiteraard critici, maar ik heb heel veel positieve reacties gehad. Trouwens, ik krijg ze ook nu nog. Daarbij gaat het niet alleen om de boodschap, maar ook om de manier waarop ik het breng. Het is natuurlijk wel een beetje een boek dat je achterover liggend op de bank kan lezen. Het is uiteraard wel een boek met een boodschap. Er zijn mensen wiens wereld helemaal is veranderd.

Naast auteur ben je ook trainer. Hoe zou jij een training aanpakken ?

Dat hoeft nog niet eens zoveel te verschillen van hoe andere trainers het aanpakken. Ik ben er uiteraard ook niet op tegen om over stellingen te praten hoor. Een kenmerkend voorbeeld in mijn boek is de trainer die een stelling laat zien en vraagt waar het om gaat en wat de stellingskenmerken zijn. Dan steekt Piet zijn vinger op en zegt:

“Doe loper maal f3!”

De trainer reageert met:

“Ja, nou, kom je meteen met zetten, maar vertel eerst eens over de stellingskenmerken!”

Dan zegt Piet:

“Ja, nou uh, eh, doe eerst loper maal f3 en dan komt dit en dat!”

Vroeger deed ik het ook zo, maar met dat soort betuttelende dingen houd ik me niet meer bezig.

In ‘On the Origin of Good Moves’ (met als ondertitel ‘A Skeptics Guide to Getting Better at Chess’) beschrijf ik het schaakdenken, om een beeldspraak te gebruiken, als een soort spiraal. Je gaat als in een soort spiraal naar de essentie van de stelling toe. Ieder dingetje dat je ziet geeft je weer een nieuw aanknopingspunt.

Dat schaakdenken is niet zo lineair, dat je elk stapje maar één keer zet. Vaak gaat het heen en weer. Je ziet iets en denkt “Eigenlijk sta ik wel goed”. Maar daarna zie je dat zo’n zet niet werkt en kom je er langzaam maar zeker achter dat je stelling helemaal niet zo goed is. Dezelfde dingen komen telkens weer terug, maar met net ietsje meer inzicht waar het om draait in zo’n stelling.

Om nog even terug te komen op mijn eerste boek. Ik keer me een beetje tegen het ‘protocoldenken’. Dat je een soort to-do-lijstje moet afvinken en de juiste denkmethoden zou moeten aanleren en dat dan de juiste zetten naar voren komen. Er zijn natuurlijk wel situaties denkbaar waarin je telkens in dezelfde fout vervalt. Dan kan het nuttig zijn om er bij stil te staan, zoals de bekende blundercheck. Of naar kandidaatzetten zoeken wanneer je regelmatig goede zetten over het hoofd ziet. Als je dat vaak overkomt, kun je natuurlijk een soort procedurele stap inlassen. Mijn advies is kortom: maak je niet te veel zorgen over je denkproces en pas als er structureel iets misgaat, zou je zo’n stap kunnen overwegen. Overigens kun je er dan direct aan toevoegen:

“Kijk je met zo’n blundercheck alleen naar de eerste zet, of kijk je een paar zetten verder?”

Je kunt schaken ook omschrijven als:

“Het nemen van hele moeilijke beslissingen in te weinig tijd!”

Het is een worsteling waarbij je aan de ene of de andere kant concessies moet doen.

Hoe is je nieuwste boek ‘On the Origin of Good Moves’ ontvangen?

In mijn nieuwe boek spelen een aantal verhaallijnen door elkaar heen. Dat maakte het ook tot een ingewikkeld boek om te schrijven. Het startpunt is dat de manier waarop de geschiedenis zich heeft ontwikkeld, lijkt op de manier waarop elke schaker een betere schaker wordt. Vervolgens stel ik de vraag:

“Wat is er eigenlijk gebeurd in de schaakgeschiedenis?”

Dan kom je dus uit bij de standaardversie van de schaakgeschiedenis waarbij Steinitz een soort sleutelrol speelt. Als je de geschiedenis onderzoekt, komt er een heel ander beeld naar voren. Dat is wel een heel groot stuk van mijn boek.

Een bekend cliché dat ik probeer onderuit te halen is dat van die romantische periode, waarin men alleen op mat zetten zou zijn gericht en het een erezaak zou zijn om een offer aan te nemen. Vervolgens verschijnt Steinitz op het toneel. Hij zou ons de principes van het positiespel hebben uitgelegd. Dat was dan een revolutionaire gebeurtenis die het hele schaken heeft veranderd. Het is volgens de standaard geschiedschrijving de centrale gebeurtenis.

Maar als je beter gaat kijken, dan kloppen er diverse dingen niet aan deze versie. Het is vooral Lasker die ons deze versie van de geschiedenis heeft gebracht. Trouwens met hem zijn ook Euwe en Réti belangrijke namen. Ze maken een enorme karikatuur van het schaken voor Steinitz. Dat komt omdat ze iedere keer hetzelfde aantal kleine partijen opvoeren. Het is iets wat iedere keer weer terugkomt met dezelfde clichés.

De karikatuur van wat er voor Steinitz is gebeurd is één punt en verder maakt Lasker een hele merkwaardige versie van wat Steinitz zelf allemaal beweerde. Waarbij Lasker bepaalde dingen heel sterk benadrukt en andere dingen helemaal weglaat. Men benoemt bepaalde excentriciteiten van Steinitz heel kort of laat ze gewoon weg. Wat Steinitz echt bedoelde met zijn moderne school waren onder andere dingen waar je tegenwoordig geen kip meer over hoort. Maar zijn positionele elementen kun je niet echt bij hem vinden. Die waren trouwens allemaal al lang bekend.

In mijn boek doe ik dus een poging om de schaakgeschiedenis te herschrijven en wat nu ook weer terugkomt is dat ik me keer tegen het idee van oordeel en plan. Het gangbare idee is dat Steinitz een soort wetenschappelijke methode heeft ontwikkeld waarin je op basis van stellingskenmerken tot een plan en zetten komt. Dat is zo’n beetje Steinitz, Tarrasch, Lasker en Euwe bij elkaar. De traditionele schaakdidactiek ontstaat met die grote namen.

Mijn advies is om deze geschiedenis achter ons te laten. Wat ik er tegenover stel is veel meer een evolutionaire ontwikkeling waarbij mensen steeds kleine stukjes kennis ontdekt hebben, zoals positionele en tactische motieven en dat op die manier langzaam onze kennis groeide. Mensen zijn ook beter gaan spelen door de bestudering van openingen. Men ging steeds meer analyseren en men publiceerde na verloop van tijd ook steeds meer partijen. Partijen werden genoteerd. Kortom: er ontstond schaakliteratuur. Het is een evolutionair proces van steeds toenemende competitie en literatuur. Dat is het boek samengevat in enkele zinnen.

Hoe kun je jezelf verbeteren?

Als ik een ding zou mogen noemen is het wel: openingen bestuderen. Ik zal geen namen noemen hoor, maar er zijn mensen die beweren dat je pas openingen moet bestuderen als je heel erg goed bent. Je ziet door de geschiedenis heen dat alle topspelers heel erg druk waren met het bestuderen van openingen. Heel veel van de polemiek in de schaakgeschiedenis ging ook over openingen. Openingsstudie is een motor van vooruitgang geweest tijdens de hele schaakgeschiedenis. Ik denk dat het op individueel niveau ook zo is.

Een prima manier om jezelf te verbeteren, is dus om openingen te bekijken. Dat hoeft helemaal nog niet zo diepgaand te zijn. Je gaat er mee aan de slag en op basis daarvan leer je nieuwe dingen. Tegenwoordig met internet heb je een gouden mogelijkheid om partijen te spelen, deze te bestuderen en daarna met een boek en engine te analyseren. Dat is een ontzettend vruchtbare manier om meer te leren. Dan doe je in je eentje in een recordtempo wat in de schaakgeschiedenis op een heel langzame manier ging.

Het verschil tussen vroeger en tegenwoordig op internet spelen, is dat je niet zo lang hoeft te wachten met wat je hebt geleerd toe te passen. Mijn advies: speel op internet om je openingsrepertoire te oefenen en kijk die partijen terug. Zelfs vijfminutenpartijen zijn in dat opzicht al nuttig.

Een ander voordeel van op internet spelen is dat je speelt tegen mensen op je eigen niveau. Vroeger moest je al die varianten doorwerken en duurde het heel lang voordat je ze een keer kon toepassen. Nu zie je heel snel wat mensen spelen en welke keuzes ze op jouw niveau maken.

Mijn tweede boek is dus een soort bekrachtiging van wat ik in mijn eerste boek al vertelde: we zijn in de loop van de geschiedenis steeds beter gaan schaken omdat we betere openingen leerden spelen en steeds meer van elkaar oppikten. Daarbij komen alle facetten van het spel aan bod, zoals tactische motieven en allerlei ideeën.

Schaken is een heel concreet spel. Je kunt dus wel allerlei abstracte zaken bestuderen zoals over het loperpaar. Maar als je openingen bestudeert, leer je wat het loperpaar doet in het type stellingen die jij speelt. Vervolgens krijg je die stellingen ook op het bord. Dan leer je niet in het algemeen iets over sterke velden, maar bijvoorbeeld over het sterke veld d5 in het Siciliaans.

Hoe kijk je tegen de ontwikkelingen in de schaakwereld aan?

Daarbij gaat het natuurlijk om de intrede van de computer in de schaakwereld. Toen Kasparov van de computer verloor heb ik wel gedacht dat het einde van het schaken nabij was. Maar er is juist een enorme bloei ontstaan. Het betekent trouwens ook dat men aan de top keihard moet werken om telkens goed voorbereid aan een partij te beginnen. Als je vroeger een idee had ging je met een gerust hart een partij in. Maar tegenwoordig is dat wel anders.

Personalia

Over Michel Hoetmer

Michel schaakt al sinds begin jaren '70. Hij speelde bij schaakclub Utrecht (2e klasse KNSB) en hij was ook redacteur van het clubblad. Tegenwoordig is hij lid van sv Zukertort in Amstelveen. In het dagelijks leven is hij verkooptrainer en publiceerde diverse boeken en artikelen over verkopen en marketing. Sinds kort mag hij zichzelf ook gediplomeerd schaaktrainer (2) noemen.

Alleen geregistreerde kunnen een reactie achter laten.