Begrijp wat u doet: Tabiya’s

Het bestuderen van openingen wordt in Nederland volop gedaan. Zeker in deze tijd, waarop informatie voor het grijpen ligt, is het niet moeilijk om veel tijd te besteden aan het opzetten van een ope­nings­re­pertoire. Als een partij verloren gaat, is het eenvoudig om de opening daarvan de schuld te ge­ven. Toch levert deze tijdsbesteding in veel gevallen m.i. weinig rendement op. Varianten naspelen uit boeken (of uit het hoofd leren) is geen garantie voor succes. Als de tegenstander afwijkt, moet er ineens geschaakt worden…

 

In zijn boek Queen Indian Defense, Kasparovsystem (uit 1991) wijst grootmeester Mikhail Gurevich ons de weg.

Hij laat zien hoe hij zelf (als voormalig Sovjet-Unie-grootmeester) een opening bestudeerde. Voordat concrete varianten aan bod komen, wil hij eerst weten wat er in het middenspel aan de hand is. Eerst moet er begrip worden gekweekt. Gurevich geeft aan dat van elke karak­te­ri­s­tie­ke stelling de plannen moeten worden geïnventariseerd. Deze worden bekeken aan de hand van ‘model­­partijen’. In feite is hij op zoek naar strategische concepten die een speler kunnen helpen om zijn begrip te vergroten. Kennis van middenspelstructuren is de opmaat voor goede openingszetten. Gurevich hanteert het Arabische woord ‘Tabiya’ dat letterlijk ‘normale manier’ betekent. Ik heb op het internet de nodige ‘vertalingen of betekenissen’ van dit woord gevonden, maar als ik Gurevich goed lees, begrijp ik dat hij een bepaalde variant kenschetst door een typische pionnenstructuur. Hij splitst varianten niet uit, zoals veel openingsboeken gedaan wordt, uit een soort boom, maar selecteert ze op hun kenmerkende pionnenstructuur. Niet elke opening leent zich hier goed voor, maar vooral bij de strategische openingen, werkt dit heel verhelderend! Omdat we net een trilogie over het Dame-Indisch hebben afgerond, ligt het voor de hand om deze werkwijze toe te passen op deze opening. Voor het gemak heb ik de verschillende tabiya’s een naampje gegeven.

1. d4 Pf6 2. c4 e6 3. Pf3 b6 4. a3

Basisstelling Dame-Indisch met 4. a3

4…Lb7

4…La6 5. Dc2 c5 [ 5…Lb7 6. Pc3 c5 7. e4 cxd4 8. Pxd4

Tabiya 2 “Drierijensysteemstructuur”]

6. d5 Tabiya 1 “Benonistructuur”

4…c5 5. d5

Tabiya 1 “Benonistructuur”

5. Pc3 d5

5…g6

Tabiya 3 “Engelse systeemstructuur”

6. cxd5

Of 6. Lg5 Le7 7. Da4+ c6 8. Lxf6 Lxf6 9. cxd5 exd5 10. g3

Tabiya 4 “Catalaanse loperstructuur”

6…exd5

6…Pxd5

Tabiya 5 Na ruil op c3 “het kleine centrum”

7. g3 Le7

Tabiya 4 “Catalaanse loperstructuur”

 

De vraag is natuurlijk wat je hiermee kunt. Gurevich hangt elk hoofdstuk op aan een illustratieve partij die hij grondig geanalyseerd heeft. Elk hoofdstuk wordt afgesloten met een aantal strategische vraagstukken en een aantal ‘tabiya’s’ binnen de betreffende variant. Laten we een klein voorbeeldje bij de kop nemen.

 

Basisstellingen Dame-Indisch – met 4. a3 (beschouwingen)

1. d4 Pf6 2. c4 e6 3. Pf3 b6 4. a3 Lb7 5. Pc3 d5 6. cxd5

Deze ruil zet zwart voor het blok: hoe neemt hij op d5 terug? Twee varianten komen hier om de hoek kijken:

– terugnemen met het paard

– terugnemen met de pion

Omdat in beide gevallen een wezenlijk andere pionnenstructuur ontstaat zijn de bijbehorende plannen ook wezenlijk anders.

6…Pxd5

Na het terugnemen met het paard heeft wit als hoofdplan om met e2-e4 het paard op d5 tot een verklaring te dwingen. Zwart zal – om geen tijd te verliezen – zijn paard meestal ruilen op c3 waarna wit een sterk pionnencentrum krijgt. Dat zwart vervolgens zal gaan aantasten met … c7-c5, eventueel gevolgd door … c5xd4, c3xd4. Dan ontstaat een typische pionnenstructuur die ook uit andere openingen tevoorschijn kan komen, waarbij wit met d4+e4 tegenover e6 beschikt over het in zogenaamde ‘kleine centrum’. De hele problematiek van dit ‘kleine centrum’ is een interessant gegeven voor het middenspel. Laten we even een aantal zetten spelen waarbij we in zo’n typische stelling terecht komen.

Op deze manier heeft zwart meer grip op het centrum, wit zal niet gemakkelijk tot e2-e4 kunnen komen. Het nadeel kan zijn dat zijn loper op b7 wat passief komt te staan, maar daar kan zwart ooit wat aan doen door met … c7-c5 te komen. Wit kan dan desgewenst met d4xc5 hem opzadelen met de zogenaamde ‘hangende pionnen’ (als zwart met … b6xc5 terugneemt) of met de zogenaamde geïsoleerde pion op d5 (als zwart met een stuk op c5 terugslaat). Deze hele problematiek wordt nog wat ingewikkelder als we bedenken hoe wit na dit terugnemen het beste verder kan ontwikkelen. Deze vraag legde ik voor aan talentvolle jeugdspelers, die echter voornamelijk 1. e4 spelen. Sommige kozen voor 7. Lg5, 7. Lf4 of zelfs 7. b4. Goede grootmeesters kiezen hier voornamelijk voor 7. g3! waarop de koningsloper op de lange diagonaal wordt geplaatst. Daar kan hij in de toekomst druk uitoefenen op d5 en proberen te profiteren van de positie van zijn grotendeels passieve tegenhanger op b7. De ideeën uit dit middenspel hebben soms iets weg van het Catalaans, vandaar dat ik dit de ‘Catalaanse tabiya’ heb genoemd. 6…exd5  (zie analysediagram)

analysediagram

7. g3! [ Overigens is er ook niet zoveel mis met 7. Lg5 hoewel dat minder kans op voordeel schijnt te op te leveren.] 7…Le7 8. Lg2 O-O 9. O-O Een leerzame partij is bijvoorbeeld Timman-Langeweg, 1981.

7. Dc2 Pxc3 8. bxc3 Le7 9. e4 O-O 10. Ld3 c5 11. O-O cxd4 12. cxd4 Pc6 13. Lb2 Tc8 14. De2

Deze stelling kwam bijvoorbeeld voor in een partij Gelfand-Naiditch, 2004. Tegenover het overwicht van wit in het centrum staat dat zwart de meerderheid op de damevleugel heeft. Dat zijn belangrijke kenmerken die bepalen hoe wit en zwart hun stukken in het middenspel het beste kunnen gaan neerzetten.

 

De standaardplannen zijn:

o Voor wit: het doorzetten van d4-d5 (het creëren van een vrijpion) of het pionoffer d4-d5 dat tot koningsaanval moet leiden.

o Voor zwart: het ruilen van (zware!) stukken in de hoop op een eindspel.

 

Bovengenoemde spelpatronen bepalen dus hoe beide spelers hun stukken verder zullen willen ontplooien. Een lastige vraag legde ik opnieuw voor aan een groepje talenten: waar wil wit zijn torens in principe naartoe spelen? Het antwoord: naar d1 en e1. En niet zoals sommigen aangaven: naar c1 en d1. Waarom dat laatste niet heeft te maken met zwarts drang om zware stukken te ruilen. Dat kan bijvoorbeeld met … Pc6-a5, Tc8xc1, gevolgd door … Dd8-a8 en … Tf8-c8. Wit zal liever de zware stukken op het bord willen houden om met de doorbraak d4-d5 te kunnen werken. Een speler als Kasparov zal in zijn jonge jaren dit type middenspel uitvoerig bestudeerd hebben om te voelen wanneer hij zijn d-pion naar voren kan spelen. Ik heb diverse partijen van hem gevonden, waarin hij dat in allerlei constellaties ook inderdaad op het bord brengt. Een van die stereotiepe middenspelwendingen is dat wit d4-d5, e6xd5 laat volgen door e4-e5. Vervolgens plant hij zijn paard op d4 (om naar f5 te kunnen springen) en staat hij klaar om met De2-g4 of De2-h5 en wellicht ook de manoeuvre Te1-e3-g3 of h3 de hel te laten losbarsten op de zwarte koningsstelling. Het Dame-Indisch met a3 blijkt dus een gevaarlijk aanvalssysteem te kunnen worden!

 

Conclusie:

Met de aanpak van tabiya’s kan het bestuderen van een openingssysteem op een verstandige manier benaderd worden. De schaakstudent leert concepten en patronen kennen, die door grootmeesters succesvol zijn toegepast. Door typische structuren in het middenspel te bestuderen, wordt het begrip van de opening groter.

 

 

Illustratieve partij:

 

  • Timman – Langeweg, 1981

 

Geraadpleegde bronnen:

–        Queen Indian Defense (M. Gurevich)

–        Megadatabase van Chessbase

 

Eerdere afleveringen van deze rubriek, waarbij u de illustratieve partijen interac­tief kunt naspelen treft u aan op www.schaaksite.nl/2013/05/03/overzicht-begrijp-wat-u-doet/

 

Reageren? Stuur een e-mail naar hgrooten@xs4all.nl

 

 

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.