Boekrecensie – Logisch puzzelen

Logisch puzzelen

Boekrecensie van Erik Kisliks Chess Logic in Practice (2019) door Daniël Zevenhuizen.

In de schaakwereld lopen heel wat excentrieke figuren rond. Internationaal Meester Erik Kislik (1987) uit de Verenigde Staten is er daar zeker een van. Zo verloor hij op zijn vijftiende interesse in het spel, om het vervolgens op zijn twintigste weer serieus op te pakken. En niet zonder succes: binnen vier jaar kon hij de IM-titel voor zijn naam schrijven. Dat was nadat hij besloten had zijn geboortestreek Californië te verlaten voor een aanbod van een Spaanse club om te komen spelen, inclusief huisvesting. Niet veel later vertrok hij naar Boedapest, bekend om haar ‘First Saturday’-toernooien, waar schakers elke eerste zaterdag van de maand kunnen meedingen om een meesternorm zonder dat er prijzengeld op het spel staat.

De nog steeds in de Hongaarse hoofdstad woonachtige Kislik heeft besloten zich vooral op het trainerschap te focussen, en daarmee heeft hij de nodige bekendheid verworven. Meesters en grootmeesters schuiven bij hem aan, bekend als hij is om zijn expertise op het gebied van computerschaak. En natuurlijk om zijn methode: logica gebruiken om vooroordelen systematisch uit te roeien. Zoveel was duidelijk na zijn eerste boek Applying Logic in Chess (Gambit 2018). Daarover verscheen al eerder een recensie op Schaaksite. Met zijn methode fijntjes uiteengezet werd het tijd voor een tweede boek, dat meer gericht is op praktische voorbeelden waar individuele schakers zélf mee aan de slag kunnen. Het resultaat is dit boek: Chess Logic in Practice (Gambit 2019).

 

Schaaklogica

Een schaakpartij volgt een zekere logica; als ik zo speel, dan zal hij zo spelen. We rekenen reeksen van dat soort als-dan-argumenten door alvorens we een evaluatie aan een stelling verbinden. Logisch denken, dus. En dat levert wat op: wie het best kan rekenen en stellingen evalueren eindigt in de worsteling bovenop.

Een logische structuur heeft een aantal vaste bestanddelen: (1) axioma’s of uitgangspunten; (2) concepten en hun definities en (3) verbanden. We beginnen met een aantal uitgangspunten, bijvoorbeeld het feit dat torens over het algemeen beter zijn dan lopers of paarden. Met dat idee in gedachte zullen we waar mogelijk paarden of lopers tegen torens ruilen. Uit het uitgangspunt leiden we zodoende het concept van de ‘voordelige ruil’ af. Dat ziet er tijdens een partij ongeveer zo uit:

Definitie voordelige ruil := een stukkenruil, waarbij het stuk dat een speler slaat van hogere waarde is dan het stuk dat wordt teruggeslagen.
Axioma 1 voordelige ruil is goed.
Axioma 2 als ik een toren win tegen een paard of loper, dan is dat een voordelige ruil.
Argument als ik 1.Pxd6 speel, dan win ik na 1…exd6 een toren tegen een paard
Conclusie 1.Pxd6 is voordelige ruil [ax2 + arg], en dat is goed [ax1].

Helaas (gelukkig?) is het schaken iets te complex voor zulke redeneerschema’s. Doorgaans moeten we veel meer concepten hebben en langere argumenten aan elkaar rijgen om tot een conclusie te komen die niet voorbarig is of de plank helemaal misslaat. Kijk maar eens naar de volgende stelling:

Zouden we hier hetzelfde logische schema gebruiken, dan zouden we tot de conclusie komen dat 1.Pxe4 een goede zet is (want voordelige ruil is goed). Er is geen schaakstuntelaar die denkt dat deze zet goed zal uitpakken voor wit. Dat betekent dat het axioma ‘voordelige ruil is goed’ moet worden bijgeschaafd, bijvoorbeeld tot: ‘voordelige ruil is goed, mits er geen betere zet is’. Daarbij moet dan natuurlijk nog gedefinieerd wat een ‘betere zet’ is, bijvoorbeeld door een hiërarchie van voordelige wendingen op te nemen in ons begrippensysteem. Of ook door aan te geven welke voortzettingen zeker vermeden moeten worden. Een uitgangspunt dat in deze stelling goed zou werken is: “Als je materiaal achter staat, dan moet je remise maken”. Dat zou dan tot de conclusie leiden dat 1.Ph7+ een goede zet is. Inderdaad, dat is de beste zet in de stelling. Maar eenieder mag voor zichzelf bedenken waarom ook dat uitgangspunt misschien niet altijd opgaat.

 

Spelen zonder bias

Hoe zit dat met die uitgangspunten? We kunnen niet zonder ze, maar vaak leiden ze tot verkeerde conclusies en in de partij dus tot de verkeerde zet. Zo’n uitgangspunt dat ons vaak helpt, maar soms ook kan misleiden noemen we een bias of vooroordeel. En het zijn precies deze vooroordelen die auteur Erik Kislik wil bestrijden met zijn boek.

Hoe pakt hij dat aan? Wees niet bang, er staan geen ellenlange logische schema’s in het boek. Helemaal niet zelfs. Internationaal Meester Kislik zoemt in plaats daarvan in op de concepten die we kunnen benutten om ons denkproces (deel 1) of onze positionele antennes (deel 2) bij te stellen. Het idee is dat, wanneer een concept niet meer blijkt te werken, en dus een bias lijkt te zijn, een aanvullend concept moet worden aangegrepen om desondanks met de stelling uit de voeten te kunnen.

Zo opent Kislik met een concept dat hij ontleent aan Paata Gaprindashvili, die het in zijn boek Imagination in Chess heeft over ‘progressive thinking’. Dat beschrijft Kislik als “straightforwardly pursuing the first idea that comes to mind with a direct intention”. Een beetje een rare definitie, omdat de ene speler een ander ‘eerste idee’ heeft dan de andere. Desalniettemin heeft ‘vooruitstrevend denken’ vaak te maken met dwingende zettenreeksen. Je kent het wel: schaak, slaan, mat dreigen. Uiteindelijk komt het erop neer dat een schaker gewoon eerst concreet moet zijn, en niet met zetjes in het hoofd zitten die de tegenstander niet tot een antwoord dwingen.

Een voorbeeld:

Volgens Kislik is het duidelijk wat zwart hier moet spelen: 1…Txd5. Toen ik een leerling deze stelling voorlegde, probeerde hij 1…Lxd5 met het idee 2.Txd5 Txd5 3.Dxd5 Td8. Nu werkt die zet helaas niet (4.Txf7+!), maar waarom het ene idee ‘progressiever’ zou zijn dan de andere, weet ik niet. Volgen we de Amerikaanse schrijver in zijn gedachtegang, dan wordt wel duidelijk dat na 1…Txd5 2.Txd5 Tc8! zwart door de matdreiging achter elkaar wint (een gaatje maken heeft elke keer desastreuse gevolgen, bijvoorbeeld: 3.g3 Tc1+ 4.Kg2 Tc2! en zwart maakt gebruik van de ongelukkige plaatsing van de witte toren op b7).

Zijn hoofdstuk over het ‘vooruitstrevende idee’ concluderend schrijft Kislik: “We should get into the habit of always considering all of the progressive ideas that can dramatically change the position in our favour. We may not need to look further to find the best move.” Maar wat nu als het eerste idee inderdaad niet werkt? Dan moeten we haar aanvullen met ‘terugrekenende logica’ (reciprocal logic). Dat betekent dat we de variant die we wilden spelen afgaan om te zien waar het misging. Eventueel kunnen we dan de volgorde omdraaien, of een tussenzetje bedenken, waardoor de variant opeens wél slaagt. Wat zodoende een bias om alleen maar heel concrete, vooruitstrevende zetten te bedenken dreigde te worden, wordt nu bijgesteld met een terugrekenende gewoonte. Tijd voor een voorbeeld.

Wit heeft een sterke batterij opgezet. Daarnaast heeft hij een ver opgerukte pion op d6 (die vooralsnog tegen een blokkade op kijkt) en, niet te vergeten, het loperpaar. Hij zal dus proberen te winnen. Hoe gaat hij verder? Het is belangrijk dat we 1.Dxe4 evalueren; dat is namelijk het vooruitstrevende idee. Kijken we vervolgens naar het meest concrete antwoord van zwart, dan vinden we snel dat wit na 1Dc5+ niet echt verder komt. Na 2.Te3 (anders is er eeuwig schaak) kan zwart prima 2…Pf6 spelen, en wit houdt problemen met de penning over. Omdat 1.Dxe4 tot concrete problemen leidt, moet 1.Txe4! gevonden worden als het bijgestelde idee. Nog steeds gaat wit de batterij op den duur ontketenen of gebruik maken van de vrijpion, maar deze zet was echt noodzakelijk. Het is wel nog belangrijk dat wit een aantal dingen uitrekent. Ten eerste: hoe zit het na 1…Pc5? Welnu, wit heeft een slimme oplossing in 2.Te5, mogelijk omdat de dame op h5 ongedekt staat, zodat zwart geen materiaal wint. Wit houdt een gewonnen stelling over. Verder is natuurlijk de hoofdvraag of zwart niet gewoonweg weer 1…Dc5+ kan spelen. Er volgt 2.Te3 Pf6 en nu 3.b4! Dameruil is gunstig voor wit. De witspeler trekt dan ook het voordeel naar zich toe.

Waar zat nou ‘m het grote verschil in? Het verschil tussen slaan met de toren en slaan met de dame zie je hieronder terug: de dame staat na 1.Dxe4 en later …Pf6 aangevallen, waar dat na Txe4 niet het geval is.

Boven: stelling na 1.Dxe4; onder: stelling na 1.Txe4!

 

Conclusies

Het opnemen van het woordje ‘logica’ in de titel van een boek is niet altijd een geweldige PR-stunt. Maar misschien vormen schaakboeken, toch over een spel waarbij de beste rekenaar vaak aan het langste eind trekt, wel een uitzondering op de regel. Kislik schrijft een aardige handleiding waarbij het bijschaven van biases aan de hand van een grote hoeveelheid voorbeelden en thema’s centraal staat. Die thema’s spreken doorgaans erg tot de verbeelding: optische vooroordelen (zoals het idee dat een zetje terug wel niet goed zal zijn, of dat het er allemaal te gevaarlijk uitziet), te ver doordrukken (overpressing) en ‘de enige manier om de verliezen’ doen allemaal de ronde.

Dat doet evenwel de vraag rijzen of Kislik niet te veel hooi op zijn vork neemt. Met zijn 239 bladzijden en 28(!) hoofdstukken + opgaven lijkt dat inderdaad het geval te zijn voor dit boek. Niet elk voorbeeld wijst voor zich, en de auteur toont niet altijd het belang van een bepaald partijfragment aan voor het onderhavige thema, behalve misschien door een beroep te doen op het triviale feit dat een bepaalde variant ‘logisch’ zou zijn. Kislik schreef al eerder een boek met ‘logic’ in de titel, en ook aangaande dat boek werd hem een wat losse opvatting van dat begrip verweten. Zoals ik al eerder opmerkte: er zijn geen logische schema’s en zijn definities bieden ruimte voor dubbelzinnigheid en meningsverschillen (niet echt typisch voor een verhandeling over ‘logica’).

Desalniettemin kan de welwillende lezer prima met dit boek uit de voeten. De vraag of mensenschaak uiteindelijk een zaak van logica of toch ook van romantiek is, blijft onbeslist. Wel toont Kislik aan dat het raamwerk waarin hij zijn methode presenteert en de lens waardoor hij het liefst naar ons geliefde spel kijkt de nodige vruchten afwerpt. Iedereen heeft biases, en dat er voor ieder dus nog wat bijgeschaafd kan worden op de strenge leest van de logica spreekt voor zich.

Ter genoegen van ons allen een misser van beide partijen uit Sergey Karjakin tegen Wesley So, Grand Chess Tour Kroatië, 2019:

Wit aan zet speelt en wint.

Boek: Chess Logic in Practice. How to find logical solutions to over-the-board problems
Auteur: Erik Kislik
Uitgeverij: Gambit
ISBN-nummer: 978-1-911465-30-0
Pagina’s: 239
Gepubliceerd: 2019

Link naar onze recensenten met hun recensies.

Only ingelogde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.