Opleiding en Training

Begrijp wat u doet: De moderne verdediging (deel 1)

Hieronder treft u de volgende aflevering van de rubriek “Begrijp wat u doet”. In deze serie worden, speciaal voor clubschakers, achtergronden belicht van de ‘grote openingen’ zoals het Spaans, het Siciliaans, het Damegambiet, het Konings-Indisch enzovoort. De artikelen verschenen eerder in Schaakmagazine het blad van de KNSB, de Nederlandse schaakbond.

 

Nadat we in twee afleveringen de Pirc aan bod hebben laten komen, kunnen we er niet omheen om ook om de ideeën achter de Moderne Verdedi­ging, een systeem dat overeen­komsten heeft met de Pirc, aan bod te laten komen. Zwart begint in een vroeg stadium zijn koningsloper op de lange diagonaal te zetten en hij houdt ondertussen zoveel mogelijk opties open voor diverse opstellingen. Het is een flexibel systeem waarin beide spelers veel  kennis en inzicht moeten hebben van overgangen naar beken­de openingsvarianten.

 

1.e4 g6 2.d4 Lg7

Ongeacht wat wit speelt, begint zwart met deze eerste twee zetten.

Voorbeeld van een kaartje waarmee correspondentieschaak werd gespeeld.

Een stokoude anekdote in het correspon­dentieschaak deed hier de ronde. Om een postzegel uit te sparen, kon een speler bij het spelen van een zet meteen een voorstel doen over zijn volgende zet. Zo was er ooit een zwartspeler die op wits 1. d4 op zijn briefkaart zette dat hij 1… g6 antwoordde en op elke andere zet van wit 2… Lg7 zou spelen. Het antwoord van de witspeler was ontnuchterend toen de zwartspeler een tijdje later een kaart in de brievenbus vond. Wit had 2. Lh6 gespeeld met de opmerking dat hij zwarts 2… Lg7 zou beantwoorden met 3. Lxg7…

 

3.Pc3

 

Omdat we ons nog in ‘Pirc-sferen’ bevinden, zullen we uitgaan van deze paardzet en laten we andere mogelijkheden buiten beschou­wing.

Lees meer >

Trainen als een Topspeler

 

 

In 2017 verscheen het boek “Peak” van Professor Anders Ericsson. Deze professor in de psychologie van de Florida State University onderzocht wat de gemeenschappelijk factoren zijn in de training van topsporters en van top-performers in het algemeen. Deze top-performers kwamen uit een breed veld: muziek, golf, football, basketbal, scrabble en schaken. In zijn boek gaat hij uitgebreid in op het succes van de Polgar-schaakzusjes.

Lees meer >

Begrijp wat u doet: De Pirc (deel 2)

Bij de opening die we nu behandelen, heb ik wel eens iemand het volgende horen zeggen: “Ik speel Konings-Indisch tegen 1. e4”. De vorige keer zijn de witte varianten met A) 4.Le3 en B) 4.Lc4 aan bod gekomen. Ditmaal zullen we drie systemen onder de loep nemen, die hun weg in het topschaak hebben gevonden. Dat zijn de varianten:

 

 

C) 4.Pf3
D) 4.Lg5
E) 4.f4

De vorige keer hebben we gezien dat de uitgangsstelling van de Pirc ontstaat na
1. e4 d6 2. d4 Pf6 3. Pc3 g6

A) 4.Pf3
Mensen die de voorkeur geven aan een rustiger speltype kiezen veelal voor de normale paardontwikkeling naar f3 (zie diagram)

Vasja Pirc (bron foto onbekend)

Hiermee kiest wit ervoor om zijn ontwikkeling zo snel mogelijk te voltooien waarbij hij zijn paarden naar de natuurlijke velden speelt.
4…Lg7
Vanaf dit moment kan wit op elk moment h2-h3 spelen en zwart op elk moment …c7-c6.  De subtiele verschillen tussen de timing waarop beide zetten gespeeld kunnen worden, brengt weliswaar specifieke kenmerken met zich mee, maar komen toch vaak op hetzelfde neer.
5. Le2
Wit kiest voor de meest normale manier om zijn stukken verder te ontwikkelen. [Het inlassen van 5. h3 om te verhinderen dat er een zwart stuk naar g4 kan, is – zoals hierboven al even aangegeven – een serieus alternatief.]

5…O-O 6. O-O c6
Op het moment dat zwart deze pionzet speelt en wit heeft kort gerokeerd, is het raadzaam voor wit om een actie met … b7-b5 te gaan verhinderen. Daarom gaat men meestal verder met

7. a4
Er zijn witspelers die deze dreiging negeren met bijvoorbeeld 7. h3 b5 8. e5 Pe8 Deze stelling ontstond in een oude partij Karpov-Hort, 1974. Het lijkt erop dat zwart niet zoveel problemen had hoewel hij later in de partij toch ten onder ging.7…Pbd7 8. Le3

Lees meer >

Begrijp wat u doet: De Pirc (deel 1)

 

Hoe maak je een plan na de opening? Waar speel je op? Waar moeten de stukken naartoe? In deze rubriek word geprobeerd antwoord te geven op deze vragen door op de achtergronden van diverse openingen in te gaan. Aan de hand van modelvoorbeelden tonen we ideeën en concepten van grootmeesters in bekende openingsvarianten. Deze rubriek ‘Begrijp wat u doet’, die al bestaat sinds 2007, wordt gepubliceerd in Schaakmagazine, het blad van de Nederlandse Schaakbond.

 

We hebben inmiddels al vaak gezien dat de zwartspeler tegen 1. e2-e4 kan kiezen uit nogal wat openingssystemen die stuk voor stuk van wit een aparte aanpak vereisen. We maken nu een begin met 1. e4 d6, de zogenaamde Pircverdediging. Deze bestrijdingswijze is genoemd naar de Joego­sla­vische schaker Vasja Pirc (1907-1980). De uitgangsstelling van de Pirc ontstaat na

1…d6 2.d4 Pf6 3.Pc3 g6

V. Pirc (1953)

De opstelling die zwart inneemt, is met pionnen op d6 en g6. Die lijkt bijzonder veel op de wijze waarop zwart zich ontwikkelt in het Konings-Indisch. Daar staat dan echter de witte pion van c2 op c4. Zwart richt zijn koningsloper op het centrum waar hij vanaf veld g7 invloed op  het centrum hoopt te kunnen uitoefenen. Net als in het Konings-Indisch wil hij graag het witte centrum later gaan aanvallen met …e7-e5 of met …c7-c5. Maar zwart kan ook met …c7-c6 bijvoorbeeld een actie op de damevleugel voorbereiden met …b7-b5.

 

Er is nu een aantal belangrijke varianten voor wit die elk hun eigen specifieke kenmerken met zich meebrengen. Dat zijn:

  1. A) 4.Le3
  2. B) 4.Lc4
  3. C) 4.Lg5
  4. D) 4.f4
  5. E) 4.Pf3
Lees meer >

Schaaktrainingen 2017-2018 door schaaktrainer Dolf Meijer

Schaaktrainingen 2017-2018

Voor cursisten van 1600 tot 1900

schaaktrainer Dolf Meijer

Het komende schaakseizoen 2017-2018 zal de ervaren schaaktrainer Dolf Meijer weer schaaktrainingen verzorgen voor schakers uit onze regio.

Ook het komende seizoen worden weer 10 schaaktrainingen aangeboden. De cursisten worden uitgedaagd een sterkere clubspeler te worden. Dolf gaat proberen om zijn cursisten de 1900-ratinggrens te laten benaderen en liefst doorbreken.

Lees meer >

Begrijp wat u doet: Het Slavisch 3 (o.a. Noteboomvariant en meer!)

Hoe maak je een plan na de opening? Waar speel je op? Waar moeten de stukken naartoe? In deze rubriek word geprobeerd antwoord te geven op deze vragen door op de achtergronden van diverse openingen in te gaan. Aan de hand van modelvoorbeelden tonen we ideeën en concepten van grootmeesters in bekende openingsvarianten. Deze rubriek ‘Begrijp wat u doet’, die al bestaat sinds 2007, wordt gepubliceerd in Schaakmagazine, het blad van de Nederlandse Schaakbond..

 

In de eerste twee afleveringen hebben we de twee belangrijkste variantencomplexen van het Slavisch aangestipt. Maar daarmee gaan we voorbij aan nog zoveel moois, dat een derde aflevering van deze uiterst moeilijke opening nodig is. We voeren de volgende zetten uit:

 

1.d4 d5 2.c4 c6 3.Pc3

Lees meer >

Begrijp wat u doet: Het Slavisch (deel 2): o.a. de Botwinnikvariant

 

In de vorige aflevering hebben we het Slavisch gepresenteerd. Met in het bijzonder de Mera­ner­­variant. We komen nu toe aan een van de meest grillige, ondoorzichtige, bijna monster­lijke variantencomplexen die ons schaakspel rijk is: de Botwinnikvariant. Die ontstaat na de zetten:

 

1.d4 d5 2.c4 c6

 

3.Pf3 Pf6 4.Pc3 e6 5.Lg5 dxc4

 

Hiermee kiest zwart ervoor om ‘op de pion te gaan zitten’. Omdat wereldkampioen Mikhail Botwinnik zo’n beetje de eerste was die hiermee begon, kreeg dit systeem zijn naam.

 

Lees meer >

Begrijp wat u doet: Het Slavisch (deel 1): o.a. de Meraner

 

Een mooie, maar ook zeer ingewikkelde ope­ning is het Slavisch. De systemen die hieruit ont­staan, vormen in het moderne topschaak een belangrijk wapen tegen de opening met de damepion van wit.

 

Na de zetten 1.d4 d5 2.c4 c6

hebben we de uitgangsstelling van het Slavisch bereikt. In tegenstelling tot het Klassiek Dame­gambiet (na 2…e6) houdt zwart zich nog de keuze voor om zijn dameloper naar buiten te kunnen spelen. Vanaf dit moment moeten beide spelers steeds kijken wat de conse­quen­ties zijn van het slaan op c4. Soms kan wit de pion (meteen) terugwinnen, soms is hij hem zelfs helemaal kwijt omdat zwart met …b7–b5 zogezegd ‘op de pion gaat zitten’. Zwart kan dan bogen op een overweldigende pionnen­meer­derheid op de damevleugel, maar ondertussen heeft hij de strijd in het centrum verloren. Wit heeft een pion meer in het centrum en omdat hij vaak ook meer ruimte heeft, kan hij op aanval spelen.

De Indiër Viswanathan Anand is een grote specialist in de Meraner (foto Frans Peeters )

3.Pf3

 

Uiteraard kan 3.Pc3 ook eerst en dan kunnen er na Pf3 dezelfde stellingen ontstaan. Maar ook kan het spel een zelfstandige betekenis hebben, als zwart het anders doet.

Er is een respectabel aantal sterke spelers dat kiest voor de ruilvariant met 3.cxd5 cxd5 In feite levert wit in een klap zijn ruimtevoordeel in, maar omdat hij een tempo meer heeft, kan hij soms zwart onder druk zetten. Een aardig voorbeeld is Aronian-Nakamura, 2013, maar we laten deze varianten verder buiten be­schouwing.

 

3…Pf6

 

Met deze neutrale zet kan het spel weer alle kanten op gaan. Het uitstellen van …Pf6 kan ook met direct 3…e6. Maar dat geeft een heel ander speltype te zien, waar we later op terugkomen.

Lees meer >

Training Ivan Sokolov in het Max Euwe Centrum op 15 maart a.s.

Woensdag 15 maart zal grootmeester Ivan Sokolov (2632) een training geven over “ongelijksoortig materiaal”
Stellingen met ongelijksoortig materiaal (dame tegen toren en paard, dame tegen toren en loper, dame tegen drie stukken, toren tegen twee stukken, etc.) zijn meestal vrij dynamisch en lastig te beoordelen. Ivan zal voor de uitleg andere voorbeelden gebruiken dan in zijn onlangs verschenen boek Chess Middlegame Strategies staan.

Deze sessie is bedoeld voor spelers met een elo van 1800 en hoger.

Lees meer >

Begrijp wat u doet: Het Hollands (deel 3): de Stonewall

 

 

Zoals voor alle liefhebbers van het Hollands duidelijk is geworden, is de tijd gekomen dat de beroemde/beruchte Stonewall behandeld gaat worden. De naam zegt het eigenlijk al: zwart heeft op de witte velden een soort ‘muur’ opgeworpen die in de praktijk vrij lastig te slechten valt door wit.

 

(Schematisch diagram 1)

 

Het eerste diagram geeft de basisstelling van de Hollandse Stonewall weer. De stelling vertoont door deze zwarte opstelling een redelijk gesloten stelling waarin beide spelers aan twee kanten van de pionnenstructuur hun stukken naar zo goed mogelijke velden zullen proberen te manoeuvreren. In het oog springt het ‘gat’ op e5 dat zwart heeft laten vallen. Dat veld wordt niet meer door eigen pionnen bestreken en dat houdt in dat wit daar graag een stuk (liefst een paard) naartoe zal willen spelen. Als dit paard aan de tand gevoeld wordt door een vijandelijk stuk (ook liefst een paard) zal wit in sommige gevallen graag met een stuk willen terugslaan als zwart overgaat tot een ruil. Maar vaak ook met een pion om zijn ruimtevoordeel te bevestigen. Vandaar dat sterke schakers het volgende hebben bedacht (zie het tweede schematische diagram).

Lees meer >